dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

In mijn werkkamer hangt een citaat van fantasy-schrijver Daniel José Older: ‘Schrijven begint met vergiffenis.’ De persoon die je moet vergeven, ben je zelf. ‘Dit is wat meer mensen van schrijven weerhoudt dan wat dan ook: schaamte’, stelt Older. ‘Dat zeurende gevoel van ‘zou moeten’, ‘had gemoeten’ en ‘als ik nou maar…’. Schaamte leeft in het lichaam, het verkrampt onze spieren wanneer we achter ons toetsenbord zitten.’ Maar schrijven zou een creatieve reis moeten zijn, vindt hij, geen oefening in zelfkastijding. Dus maakt hij er speciaal tijd voor. ‘Ik vergeef mezelf dat ik niet eerder ben gaan zitten om te schrijven, dat ik gisteren vrij heb genomen, dat ik mijn leven leef. Die schaamte? Ik laat het los.’

De schrijvers die dit loslaten het meest nodig hebben, zijn volgens Older degenen die niet hetero zijn, niet cis, niet zonder beperking of ziekte, geen witte man. Voor ons, betoogt hij, is het schrijfproces doordrongen van schaamte, het idee dat we hier niet horen, dat we het niet verdienen om onze stem te laten horen. ‘Niets zal een schrijver meer hinderen dan dit.’

Ik moest hieraan denken toen ik The Gendered Brain las, een nieuw boek van neurowetenschapper Gina Rippon. Hoewel ze het woord schaamte niet gebruikt, gaat ze uitgebreid in op die onzekerheid, terughoudendheid en verkramping – die niet alleen in je spieren maar ook in je brein blijkt te zitten.

Rippon beschrijft een onderzoek waarin vrouwen in een hersenscanner een ruimtelijk inzichtstest deden. Wanneer ze vooraf te horen kregen dat dit typisch iets is waar vrouwen goed in zijn, gebruikten ze breingebieden die te maken hebben met visueel-ruimtelijke verwerking. Maar wanneer vrouwen was gezegd dat dames hier normaliter slecht in zijn, hadden ze juist veel activiteit in de hersendelen die betrokken zijn bij vooral geen fouten maken. Ze scoorden gemiddeld ook minder goed op de test.

Iets vergelijkbaars zagen wetenschappers bij vrouwen die een wiskunde-opgave maakten. Na neutrale instructies gebruikten ze hun brein zoals gebruikelijk is bij het oplossen van algebraproblemen. Maar vrouwen die aan genderstereotypen waren herinnerd, gebruikten delen die we associëren met sociale en emotionele verwerking.

Ouderwetse stereotypen zijn een extra last voor het vrouwenbrein, concludeert Rippon. Waar je je anders met volle hersenpower kunt storten op weloverwogen logica, verspilt je brein nu denkkracht aan het bezweren van angst en onzekerheid. De hersenen zetten daarmee een rem op zichzelf; ze worden een soort ‘innerlijke begrenzer’, wat zich vaak vertaalt in een neiging tot terugtrekken of zwijgen. Een ervaring die vrouwen delen met mensen die tot een etnische of seksuele minderheid behoren, stelt Rippon.

In een meer literaire interpretatie van dit fenomeen citeert Older de schrijfster Anaïs Nin: ‘Schaamte is de leugen die iemand je over jezelf heeft verteld.’ Om daaraan toe te voegen: ‘Laat een leugen niet kloten met je flow.’ Dat is geen zuiver wetenschappelijke conclusie, maar wel een zeer waardevol advies.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Een keurslijf, noemde een collega het laatst: al die politieke correctheid, het geklooi met genderneutrale voornaamwoorden, de toenemende druk om in boeken, films en series te zorgen dat allerlei mensen gerepresenteerd zijn, en dus niet hoofdzakelijk witte mannen en soms een witte vrouw.

Een dwangbuis, vond hij het. Een verhaal waarin een schrijver met opzet zorgt dat de personages niet allemaal wit, meestal-man, hetero, cis, zonder beperking en monogaam zijn, dat kan niet anders dan een geforceerde geschiedenis worden. Een moeizame en kunstmatige vertelling zal het zijn, een knieval van de kunsten voor de morele chantage van een kleine groep gemarginaliseerde mensen, het resultaat onleesbaar of onkijkbaar voor iedereen, behalve voor de meest vastberaden social justice warrior.

Mijn collega is niet de enige die er zo over denkt. Het is hip om je te verzetten tegen de ‘censuur van de gekwetste minderheid’, om filosoof Sebastien Valkenberg te citeren. Zelfs feministisch ex-boegbeeld Fay Weldon deed in een Volkskrant-interview een duit in dat zakje. In een gesprek over trans mensen vertelde ze dat ze de aandacht voor mensen die ‘zeggen dat ze zielig zijn’ om ‘aandacht en begrip’ te krijgen, ziet als een vorm van ‘pure tirannie’. ‘Onze samenleving doet denken aan de oude Sovjet-Unie’, zei ze. ‘Voor een dwarse opinie word je misschien niet naar de goelag gestuurd, maar wel wordt je elke mogelijkheid ontnomen om nog ergens je mening te geven.’ (Als antwoord daarop schreef ze een buitengewoon transfoob boek, dat gewoon wereldwijd werd uitgegeven.)

Weldon stinkt in een valse tegenstelling: die tussen de vrijheid om te zeggen wat je wilt aan de ene kant, en politiek correctheid aan de andere kant. Maar de twee zijn niet elkaars antithese. Meer aandacht voor inclusiviteit en representatie zorgt er niet voor dat een schrijver niets meer mag zeggen, maar juist dat die meer kan vertellen.

Zo las ik afgelopen december de Broken Earth-trilogie (vertaald als De gebroken aarde) van N.K. Jemisin. De hoofdpersoon is, net als de schrijfster, een vrouw van kleur; de andere vertellers zijn dat eveneens, of zijn genderneutraal. Veel karakters blijken trans, bi, homo, lesbisch of polyamoreus te zijn, of een beperking te hebben. Vaak zijn ze dat terloops, bijna achteloos; gender, beperkingen en seksualiteit zijn geen redenen om tot het in de literatuur zo vaak aanwezige cliché van de ‘innerlijke strijd met het anders-zijn’ te vervallen; er is geen belegen identiteitsworsteling als Leitmotiv. In plaats daarvan krijgt de lezer een weergaloos, intens, gelaagd, maatschappijkritisch en tegelijkertijd bloedstollend verhaal voorgeschoteld over het einde van de wereld.

In de jaren zeventig schreven twee wetenschappers: ‘Representatie in de fictiewereld betekent dat je sociaal bestaat; afwezigheid betekent symbolische vernietiging.’ Het is geen tirannie om te willen bestaan. Het is niet geforceerd om een wereld te scheppen waarin iedereen zich kan herkennen. Inclusiviteit is geen keurslijf. Het is rijkdom.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Het zijn riskante tijden, als je de alarmerende geluiden in de krant mag geloven: de genderideologen rukken op. Zo was er ex-predikant Piet de Vries, die in het Algemeen Dagblad zei: ‘Toen de nazi-ideologie zich opdrong, zwegen de kerken. Nu dringt de genderideologie zich op en zwijgen de kerken weer te vaak.’ Nou is De Vries ook een van de Nederlandse initiatiefnemers van de boosaardige Nashville-verklaring, en dus Opperdwaallicht van de Week. Maar ook uit minder verwrongen hoek werd gewezen op dit nakende gevaar.

In de Volkskrant waarschuwden filosoof/advocaat Bas Hengstmengel en psychiater/opiniemaker Esther van Fenema dat genderideologen hun waarden willen opleggen en proberen af te dwingen wat mensen moeten denken. Dit alles gaat gepaard met ‘zachte dwang’, ‘zachte despotie’ en ‘zuivering van taal, onderwijs en media’.

Het werd niet helemaal duidelijk wie die dekselse genderideologen precies zijn, maar ik vermoed dat het gaat om mensen zoals ik: lieden die weigeren zichzelf en anderen tot de stereotiepe man-vrouwtweedeling te beperken, die vinden dat uit een geslachtsdeel niet automatisch een rolpatroon of identiteit voortvloeit, en die de hele glorieuze regenboog aan menselijke verscheidenheid omarmen.

Wat me fascineert, is dat mensen als Hengstmengel en Van Fenema zichzelf geen ideologen vinden. Zij vinden dat ze enkel afgaan op De Feiten. ‘Gender is primair een biologisch verankerde eigenschap’, schrijven ze. We kunnen het ons niet veroorloven om ideeën te hebben die niet met dat feit overeenkomen, en mogen de ‘biologische realiteit niet uit het oog verliezen’.

Nou hebben wetenschappers over die biologische realiteit de afgelopen jaren wel het een en ander gepubliceerd: dat hersenen een mozaïek zijn van het mannelijke en het vrouwelijke, dat hormonen geen gedrag voorschrijven, enzovoorts. Het is dan ook een wat, ehm, ‘bijzondere’ keuze om een achterhaald roze-blauw spruitjesluchtwereldbeeld met een flinke snuf gouwe ouwe Anatomie ist Schicksal te verkopen als ‘de feiten’. Al zie ik dit vaker, bijvoorbeeld bij traditionele evolutiepsychologen die boostwitteren over ‘genderideologie’ als collega’s opperen dat mannen niet altijd stoer hoeven zijn, maar die het idee dat vrouwen van nature zelden interesse hebben in wetenschap enthousiast tot universele realiteit verheffen.

Laten we echter wel wezen: beweren dat gender een ‘biologisch verankerde eigenschap is’, is ook een vorm van genderideologie. Het is alleen minder eenvoudig als zodanig te herkennen. Conservatieve genderdenkbeelden gaan vaak al zo lang mee dat veel mensen aan die ideeën gewend zijn geraakt. De ideeën voelen zelfs zo vertrouwd en juist dat ze kleuren hoe mensen de werkelijkheid zien. En zo vervormen ze de feiten; de feiten waar, om de cirkel rond te maken, conservatieve genderideologen zich steeds zo graag op beroepen.

Laat me, omdat het kan, een voorbeeld met sperma geven. Onlangs liep ik in museum CORPUS door het binnenste van de mens. Bij de baarmoeder zagen we een bevruchting. Het vertelde het gebruikelijke verhaal: dappere zaadcellen leggen een gevaarlijke tocht af langs akelige zuren, linke slijmlagen en verstrikkende trilhaartjes. Alleen de stoutmoedigsten komen in de buurt van de hoofdprijs, en de allersterkste mag haar claimen: de eicel, die daar al die tijd maar gewoon een beetje lag te wachten.

Dit lijkt allemaal heel feitelijk, maar het is op het onjuiste af doorspekt met conservatieve genderideologie. Biologen weten al decennia dat zaadcellen geen actieve, heldhaftige zwemkampioenen zijn, maar eerder halfsneue spartelaars met in hun midden wat mazzelaars. En de eicel ligt niet passief te wachten; ze lokt en leidt de zaadjes met chemische signalen en vloeistofstromen, en er zijn zelfs aanwijzingen dat ze kiest welk zaadje haar mag bevruchten. Een eitje is geen trofee voor de stoerste zaadcel; ze is een zakenpartner, en misschien zelfs wel de baas.

‘Ideologen boeken resultaten omdat de samenleving in verwarring is’, schrijven Hengstmengel en Van Fenema. Als ik op mijn mildst ben, denk ik: het moet ook wel ingewikkeld zijn, voor conservatieven. Al die gelijkheid, nieuwe kennis, herziene feiten – waar is je houvast als zelfs eicellen emanciperen? Ik hoor heimwee in de woorden van Hengstmengel en Van Fenema, naar een tijd toen de wereld nog overzichtelijk was: twee genderhokjes, elk met een eigen rol, en wie daar niet in paste, zweeg en leed in stilte. Maar ik denk dat ik voor veel regenboogmensen spreek als ik zeg dat ik niet verward ben doordat ik nu mezelf mag zijn; ik ben vrij.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Geen verjaardagen vergeten. Zien dat je kind alweer is gegroeid en nieuwe broeken kopen. Je zieke schoonmoeder na een week vragen hoe het nu gaat. Niet alleen de namen van alle vriendjes van je kinderen onthouden, maar ook hun hobby’s en voedselallergieën. Het huis uitmesten en dingen die kapot of overbodig zijn wegdoen. Weten waar alle spullen die door een huishouden slingeren het beste opgeborgen kunnen worden, en ze daar tijdens het opruimen ook echt neerleggen in plaats van er een iets keuriger stapel van maken op een plek waar het net wat minder in de weg ligt.

Het zijn voorbeelden van ‘emotional labour’: de tijd en energie die met name vrouwen steken in het soepel laten lopen van het huishouden en relaties, en die veel mannen zo volkomen voor lief nemen dat ze het niet eens opmerken. Het is noodzakelijk maar ook onzichtbaar, ondankbaar en uitputtend werk, en draagt zodoende flink bij aan genderongelijkheid.

Ik moest hieraan denken toen een Volkskrant-redacteur me dit voorlegde: tijdens hun Oktober Opruim Challenge waren er vijfduizend mensen lid geworden van de bijbehorende facebookgroep. Slechts tien procent was man.

Schrijver Jan Heemskerk had wel een verklaring. ‘Mannen hebben een hogere rommeltolerantie.’ Bovendien hoefden vrouwen het toch maar te vragen, als ze iets opgeruimd wilden hebben. ‘Het is erg makkelijk om meer gedaan te krijgen van een man. Subtiele hints werken alleen niet. Cabaretier Roué Verveer had in zijn show een stukje over hoe hij steeds over de vuilniszak in de gang heen stapte, totdat zijn vrouw boos werd. Zij begreep niet dat hij niet doorhad dat die zak naar buiten moest. Vráág het gewoon.’

Dat is dan weer een treffend voorbeeld van wat striptekenaar Emma in de steengoede Guardian-comic You should’ve asked de ‘mentale last’ noemt. ‘Wanneer een man van zijn vrouw verlangt dat zij hem dingen vraagt, ziet hij haar als manager van het huishouden. Dus is het aan haar om te weten wat er gedaan moet worden en wanneer.’ Dit levert twee problemen op. Ten eerste is de verantwoordelijkheid en daarmee de stress van dit moeten-weten volstrekt eenzijdig verdeeld. En ten tweede is manager zijn op zichzelf een fulltime baan, terwijl mannen van vrouwen natuurlijk ook nog verwachten dat ze niet alleen managen maar ook minstens de helft van de klusjes zelf opknappen.

Veel mannen doen graag alsof hun huiselijke niet-zien een soort natuurwetenschappelijke wetmatigheid is: ze hebben er ‘nou eenmaal’ minder mee, vrouwen zijn er ‘van nature’ beter in. Ik betwijfel het. Om een vuilniszak buiten te zetten heb je geen bovenmannelijke superkrachten nodig: oogbollen en armen zijn voldoende. En verwachten deze mannen werkelijk dat ik geloof dat hun sekse wel ‘van nature’ megageschikt is om, zeg, een bedrijf met 10.000 werknemers te runnen, maar dat in de smiezen houden wanneer je kind nieuwe gympen nodig heeft ‘nou eenmaal’ een schier onmogelijke opgave is?

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Een beetje wonderlijk was het wel, het juichende persbericht van de Universiteit van Cambridge. Trots borstroffelde het dat hun wetenschappers ‘de grootste studie ter wereld naar typische sekseverschillen en autistische eigenschappen hadden afgerond’. Het was een ‘gigantische steekproef’, ‘meer dan een half miljoen mensen getest’, waarbij ze ‘twee gevestigde theorieën bekrachtigden’.

Het gaat om de Empathising-Systemising theorie, die in de woorden van grondlegger Simon Baron-Cohen stelt dat ‘het vrouwelijk brein vooral is uitgerust voor empathie’, terwijl mannelijke hersenen vooral zijn ingericht op ‘het begrijpen, ontwerpen en bouwen van systemen.’ De tweede theorie – zeer invloedrijk, bijna 2000 keer geciteerd – hangt hiermee samen: dat mensen met autisme veel meer systeemdenkers dan invoelers zijn, en dus een extreem mannelijk brein hebben.

Het wonderlijke zat hem hierin: deze theorieën werden eerder al tamelijk hardhandig door andere onderzoekers naar het land der hersenfabelen verwezen. ‘Extreem mannelijk brein als oorzaak van autisme is onzin, want een typisch mannelijk brein bestaat niet’, meldde de Volkskrant onlangs. De woorden ‘bij het grofvuil’ vielen. Er kwamen Amerikaanse hooggeleerden langs die autistische hersenen hadden gescand en vaststelden dat deze zowel mannelijke als vrouwelijke kenmerken bezaten. Het idee dat breinen in roze en blauwe varianten komen blijkt inmiddels toch een pietsie te zijn ingehaald door, nou ja, de feiten. Net als de notie dat autisten geen empathie voelen, trouwens.

Maar wat mij persoonlijk het meest verwondert is hoe deze theorieën ooit zo populair konden worden. Er was namelijk altijd al iets fundamenteel mis mee: er bleek uit dat de grondleggers geen bal van vrouwen snapten.

Laat me dit uitleggen aan de hand van een voorbeeld. (Dit wordt een beetje nerdy, maar houd vol, want het is echt fascinerend en aan het eind volgt nog een feministisch punt van enig belang.) Baron-Cohen vertelt in zijn boek M/V: het verschil over systeemdenken dat mannen er ‘spontaan’ meer toe geneigd zijn dan vrouwen. Systemen omschrijft hij als: ‘Ze opereren op een input en leveren een output op, en daarbij gebruiken ze regels van het type ‘als-dan’.’ Je moet van hem dan denken aan zaken als een vijver, een voertuig, een strafschop of een legereenheid. Of een computer natuurlijk; programmeren is een ultieme systeemdenkers-activiteit, en dus megamannelijk.

Ik zou er nu op kunnen wijzen dat juist vrouwen historisch gezien het fundament legden voor het moderne programmeren, maar je zou kunnen redeneren dat zij enkel een handjevol getalenteerde uitzonderingen waren. Dus ga ik het hebben over iets dat heel veel gewone vrouwen doen: handwerken.

Een breipatroon is net computercode, betoogde programmeur Kris Howard in 2016 op een Australische IT-conferentie. Breien is binair, net als code, al gebruik je in plaats van enen en nullen rechte en averechte steken. Er is input (de wol), output (een trui), en er zijn als-dan-regels (het patroon), die je systematisch moet volgen: ‘Tr. 1 (GK): *6 r., 1 av., 5 r., herh. vanaf *.’ Je kunt er zelfs informatie mee versleutelen, net als met software: tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde een Britse spionne informatie door vanuit bezet Frankrijk door morsecode te breien.

De wijlen wiskundige Christopher Zeeman gaf eens een lezing over naaien en topologie, waarbij hij zich afvroeg hoe je van iets plats en flexibels (een lap stof) het best een gekromd oppervlakte kunt maken (een jurk) – inclusief een formule voor de lengte van de figuurnaden. (Voor de liefhebber: als de heupomtrek 2πr is, en die van de taille 2π(r-x), dan gebruik je het best vier figuurnaden van x/2 lang.) Naaien is eigenlijk toegepaste geometrie, stelde wiskundige Evelyn Lamb in een Scientific American-blog. Al krijgen naaisters weinig erkenning voor dit staaltje systeemdenken; volgens Lamb ‘wellicht omdat van traditioneel ‘vrouwelijke’ activiteiten niet wordt aangenomen dat ze erg wiskundig zijn.’

En daar zit de crux. In dat vooroordeel ligt het antwoord besloten op de vraag hoe het mogelijk is dat een invloedrijke theorie systeemdenken bestempelt als iets mannelijks – terwijl wereldwijd miljoenen vrouwen zich hier elke dag mee bezig houden, en dat al eeuwenlang. Wat de vraag oproept: wat zien we verder allemaal niet? Wat ontgaat ons nog meer wanneer onderzoekers hun theorieën baseren op stereotypen in plaats van op echte mensen? En hoe gaan we ooit de wereld ten volle begrijpen als wetenschappers vrouwen maar half zien?

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Mijn nieuwe boek is er! Het heet Calm. The. Fuck. Down. en het is een bundel van mijn beste, leukste, verdrietigste, strijdbaarste columns uit de Volkskrant, Opzij, Trouw en het UT-nieuws.

Waarom was iedereen Charlie, maar niemand bootvluchteling? Als alle politici zich druk maken over de rechtse onderbuikgevoelens, wie luistert er dan naar linkse onderbuiken? Hoe komt het dat we zieke vrouwen minder serieus nemen dan zieke mannen? Waarom is het kabinet niet blij met zzp’ers, is sletvrees al op de basisschool een issue en waarom wilde neurobioloog Dick Swaab een prinsessenjurk voor Asha kopen?

Dit vonden lezers ervan:

“De columns zijn goed en helder geschreven en naast strijdbaarheid bevatten de columns ook veel humor.”

“De onderwerpen die in dit boek aan bod komen hebben (helaas) de afgelopen jaren weinig aan relevantie ingeboet. Zwarte piet, vluchtelingen, neoliberalisme, genderdiscriminatie: het is bijna deprimerend om te merken hoe weinig we opgeschoten zijn. Asha behandelt deze onderwerpen stuk voor stuk feitelijk onderbouwd, messcherp en vooral: met een staaltje empathie en perspectief die in het huidige media landschap nog wel eens ontbreken.”

“Ze gaat geen onderwerp uit de weg en spreekt haar oprechte verbazing en verontwaardiging over zaken heel helder uit. .. Niet zozeer lichte als wel verplichte kost! Een aanrader wat mij betreft.”

“Een boek met messcherpe columns, waarin Asha ten Broeke duidelijk niet op haar mondje is gevallen.”

“Ze vertelt niet alleen wat er mis is, maar herinnert ons aan hoe het anders kan, aan waardes die écht belangrijk zijn in het leven: verbondenheid, geborgenheid, solidariteit. En dit alles met de haar kenmerkende rijke en humoristische beeldspraak en nerdy tongue-in-cheekness.”

“En dat doet ze ook nog eens op een puntige, luchtige manier met een taalvirtuositeit om van te smullen.”

 

Het voorwoord:

Het was een warme dag, en in mijn armen lag een baby van een paar dagen oud. Mijn eerste kind, haar kleine vuistje om mijn pink geklemd, de woorden hello world! op haar romper, keek me met grote bruine ogen aan. Ik meende er vertrouwen in te zien, in zichzelf, in mij en in de wereld. En waarom zou ze dat niet hebben? Ze had tot nu toe niets dan liefde en zorg gekend. Iedereen die ze tegenkwam vond haar fantastisch, ze was veilig, gezond, en in al haar behoeftes werd onmiddellijk voorzien.

Ze gaapte, en op dat moment voelde ik het voor het eerst: een grote, vurige ontevredenheid. Mijn lieve, sterke, geweldige dochter, dacht ik, deze wereld is niet goed genoeg voor jou.

Optimisten als Johan Norberg en Steven Pinker vertellen ons dat het juist heel puik gaat met onze aardkloot en haar bewoners, zeker vergeleken met vroeger. ‘We moeten een beter historisch bewustzijn ontwikkelen’, zegt Pinker in Humo. ‘Dan beseffen we hoe vreselijk het leven was in veruit het grootste deel van de menselijke geschiedenis, hoe normaal het was om te sterven van de honger of te vechten in de oorlog.’ Nu is dat anders. De voedselzekerheid is toegenomen, dus we hoeven niet meer elke dag te piekeren of we morgen wel te eten hebben. Er komen minder mensen om door geweld. Vaccins, betere medische zorg en goede hygiëne hebben kindersterfte teruggedrongen. Als Norberg zich toch zorgen maakt, pakt hij graag de statistieken erbij, vertelt hij in de Volkskrant, om te kijken ‘hoe de mensheid zich heeft ontwikkeld de afgelopen honderden jaren. Hoe het leven er van generatie op generatie steeds beter uit is gaan zien. En dan denk ik: ja, mijn kinderen zullen het waarschijnlijk ook weer beter hebben dan ik.’

Ik ben niet zo optimistisch. Veel van die vooruitgang is immers duurbetaald, door de natuur te slopen en uit te putten, diersoorten uit te roeien en mensen elders in de wereld uit te buiten. Het overgrote deel van de rijkdom is in handen van een klein groepje individuen. De vermogensongelijkheid binnen landen neemt toe, de sociale mobiliteit neemt af. Ondanks alle vooruitgang hebben veel mensen nog steeds te maken met onderdrukking, discriminatie en geweld. Natuurlijk wil ik niet terug naar een tijd zonder antibiotica, kunstmest of stemrecht. Maar als je het mij vraagt, gaat het niet eens bij benadering zo goed als zou moeten.

Dat ik geen optimist ben, wil echter niet zeggen dat ik niet hoopvol ben. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen die twee begrippen, zegt schrijver Barbara Ehrenreich in haar boek Smile or die. Optimisme, stelt ze, kun je samenvatten als denken dat de boel nu best in orde is, dat alles op zijn pootjes terecht zal komen en dat anders na regen heus zonneschijn zal volgen. Optimisme is een cognitieve keuze, schrijft ze, een bewust gevormde verwachting over de toekomst. Hoop is iets anders. ‘Hoop is een emotie, een smachtend verlangen, waarvan we de ervaring niet helemaal onder controle hebben.’

Ik denk niet dat alles zomaar oké wordt, maar ik verlang wel tamelijk emotioneel en ongecontroleerd naar van alles. Zo smacht ik bijvoorbeeld naar een betere wereld voor mijn kinderen. Naar een duurzame en respectvolle wereld, waarin mensen elkaar niet uitbuiten of onderdrukken, dieren beschaafd behandelen en ontzag hebben voor de natuur. Waarin geld niet de voornaamste maatstaf van succes is, en economisch groei niet de graadmeter van een succesvolle democratie. Waarin we ons gedragen alsof we de aarde niet hebben geërfd van onze ouders, maar te leen hebben van onze kinderen.

En ik geloof dat we dat kunnen. Want we wonen op een schitterende planeet en mensen zijn over het algemeen aardige, slimme, bijzondere en vindingrijke zoogdieren. We halen op dit moment alleen niet het beste in onszelf naar boven, omdat we gevangen zitten in allerlei akelige, schadelijke systemen en structuren: neoliberaal kapitalisme, seksisme, racisme, neokolonialisme, erfelijke armoede en machtsongelijkheid. Maar we hebben ook onszelf op de maan gezet, piramides gebouwd, de wereldzeeën bevaren, uit pure nieuwsgierigheid deeltjesversnellers en telescopen in elkaar gezet. We hebben de gedichten van Ada Limón en Maya Angelou, het derde pianoconcert van Rachmaninoff, de liedjes van Damien Rice en Nina Simone, de boeken van Alice Walker en Margaret Atwood, de idealen van Jane Goodall en Nelson Mandela.

En er zijn zoveel doodgewone mensen met een groot hart die het mooie en goede waarderen. Mensen die gul zijn in een tijd waarin het normaal is om een ander weinig te gunnen. Mensen die het delen van warmte en wijsheid belangrijker vinden dan winnen of scoren. Mensen die boos zijn vanuit een groot gevoel voor rechtvaardigheid, niet vanuit verongelijktheid. Mensen die kwetsbaar durven zijn in een samenleving waarin gekwetstheid wordt weggehoond als verwijtbare tekortkoming of aanstellerij. Mensen die aardig en bedachtzaam blijven wanneer haat en moedwillig onbegrip welig tiert.

Een diersoort die dit allemaal heeft, moet in staat zijn om een prachtige wereld te scheppen. We kunnen veel beter dan we nu doen.

Het is precies dit gevoel van chronische ontevredenheid gemengd met radicale hoop, dat vurige verlangen dat het voortreffelijke in ons het zal winnen van de corrupte systemen die onze wereld verpesten, dat aan de basis ligt van mijn columns. Soms zorgt die basis dat ik me boos maak, soms vrolijk. Soms voel ik de onbedwingbare behoefte om met mijn woorden een vinger te maken die opzettelijk en herhaaldelijk in een zere plek pookt, en soms heb ik juist mijn buik vol van de harde, pijnlijke toon van het publieke debat en wil ik alleen maar ‘calm the fuck down’ roepen. Hoe het er ook uitkomt, elk stukje is een oprechte poging om iets zinvols bij te dragen, om tegelijkertijd kritisch en constructief te zijn. Een verzet tegen wat afschuwelijk is, maar met bescherming van wat kostbaar is; hard voor de macht, maar zacht voor de mens.

Ik hoor zo nu en dan van lezers dat ze zich daardoor gesterkt voelen, of dat het ze op andere gedachten brengt, of dat het ze kracht geeft om te vechten voor iets wat ze de moeite waard vinden. Dat is veel, veel meer dan ik had durven wensen toen ik zeven jaar geleden begon als columnist. Het maakt me een dankbaar mens, en laat mijn hoop alleen maar groeien.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.