dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Er is iets aan de hand met Frida Kahlo. Ik kom de Mexicaanse kunstenares overal tegen, maar haar werk zie ik bijna nergens. Ze lag bij de Kwantum: honderden kleine Kahlo-gezichtjes op een rol roze gordijnstof. En beneden was ze weer, maar nu als vloerkleed. Ik zag een trui met haar hoofd erop en de woorden: ‘Not fragile like a flower, fragile like a bomb’. Een shirt met haar gezicht boven de tekst ‘Fierce like Frida’.

De eerste keer dat me dit opviel, was ik ‘Frida Kahlo poster’ aan het googelen voor mijn jongste dochter, die kunstenares wil worden en haar zelfportretten bewondert. Ik verwachtte websites vol reproducties van haar werk te vinden, maar in plaats daarvan stuitte ik op een heleboel posters van Kahlo zelf; niet haar kunst, maar haar gezicht, veelal bewerkingen van een foto die ooit van haar is gemaakt. De site werkaandemuur.nl was veelzeggend: de enige Kahlo-posters die ze verkochten, stonden in de categorie ‘Sterren en bekende mensen’.

Natuurlijk is Kahlo ook beroemd om wie ze was. Ze had een bewogen leven. Als meisje kreeg ze polio; ze hield er een dunner en korter rechterbeen aan over. Op haar achttiende werd de bus waarin ze reisde aangereden door een tram. Een staling leuning spietste haar en ze brak haar ribben, voet, been, bekken en rug op meerdere plekken. Maandenlang lag ze in het ziekenhuis. Ze zou altijd pijn en beperkingen houden.

En die schilderde ze dan ook. Er is een zelfportret waar ze opengereten op staat; door haar huid en vlees heen zien we op de plek van haar ruggengraat een gebroken pilaar. In haar huid steken spijkers. Eerder schilderde ze zichzelf naakt, liggend op een ziekenhuisbed, met bloed tussen haar benen en een foetus aan een rood lint in haar hand. Het is een hartverscheurend werk, haar verlies rauw op het doek. Het was, zo las ik, de eerste keer dat in de westerse schilderkunst een miskraam werd afgebeeld.

Sommigen noemden Kahlo’s stijl surrealistisch, maar daar nam ze aanstoot aan. Ik heb nooit mijn dromen geschilderd, zei ze, ‘ik schilder mijn realiteit’. En juist dat maakt haar werk zo belangrijk. Zoals schrijfster Mona Eltahawy zei: ‘Het meest subversieve dat een vrouw kan doen is praten over haar leven alsof het er echt toe doet. Dat doet het.’ Kahlo’s leven was echter niet alleen gevuld met pijn, maar ook met levenslust. Ze dronk, ze zong, was vurig over politiek en had minnaars en minnaressen. Ze had maling aan gendernormen en schoonheidsidealen en schilderde zichzelf met een snorretje en aan elkaar groeiende wenkbrauwen. Toen ze niet meer kon lopen, zei ze: ‘Voeten, waar heb ik jullie voor nodig wanneer ik vleugels heb om te vliegen’.

Dit alles ontbreekt in die plaatjes van Kahlo’s hoofd die nu op shirts en kleedjes staan. De revolutionaire echtheid en complexiteit van haar werk is ingeruild voor een gemakkelijker te slikken beeld van een conventioneel mooie vrouw. Ze is acceptabel gemaakt: rimpels weggepoetst, snorretje verdwenen, wenkbrauwen bijgewerkt. En vaak is haar huidskleur lichter gemaakt, zodat ze wit lijkt.

Ze is tegenwoordig een ‘style muse’, las ik in The Guardian. ‘Erg van nu’ in dit ‘tijdperk van #bodypositivity’. Zelf zie ik weinig positiefs in een witgewassen, gladgestreken versie van een kunstenares die in haar werk en haar leven voor zichzelf altijd de ruimte heeft opgeëist om een compleet en complex mens te zijn. Ik vind het verschrikkelijk om te zien hoe deze radicale, getalenteerde, gehandicapte queer vrouw van kleur wordt platgeslagen tot een lichter verteerbaar ‘feministisch icoon’ zodat er spullen verkocht kunnen worden. Het lijkt misschien op feminisme, het ruikt misschien naar bevrijding, maar het is kapitalisme op zijn schraalst.

En ik ben niet bereid om Frida Kahlo zonder slag of stoot over te leveren aan de commercie. Als tegenzet zou ik haar kunst aan elke muur willen hangen. Voor alle vrouwen, maar vooral voor mijn dochter. Kijk, zou ik zeggen, hier zie je een vrouw zoals je die zelden ziet op tv. Zie je hoe ze pijn heeft, kwetsbaar is, verdriet heeft, maar ook sterk is, meesterlijk, vol verbeeldingskracht, verbonden, vastberaden? Ze leeft niet om mooi te zijn, maar om haar hele leven te leiden, alle gevoelens te voelen, om compleet te zijn en alleen op die manier te bestaan, voor niemand anders dan haarzelf. Wij, vrouwen, hebben geen voorgekauwde inspirerende t-shirts nodig. Wij hebben vleugels om te vliegen.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Herzensbildung, noemen de Duitsers het. Het betekent zoveel als ‘de vorming van een nobel, vriendelijk hart’ of, zoals historicus Charles King schrijft in Gods of the upper air, ‘het hart trainen om de menselijkheid in anderen te zien’. Het is een begrip uit de tijd van de Romantiek, bedoeld om te benadrukken dat niet alleen het verstand, de ratio, de rede ontwikkeling behoeft, maar ook het gevoel, het gemoed, het hart.

Een vriendelijk hart, dat miste ik in de recente pleidooien voor een ander coronabeleid dat jonge en gezonde mensen weer onbelemmerd hun gang laat gaan. Maar opvallend genoeg was er wel steeds een beroep op rede en ratio. Zo vond oud-VVD-senator Heleen Dupuis in Het Parool dat ouderen moeten thuisblijven, zodat jongeren maatschappelijke processen op gang kunnen houden. ‘Ik vind dat logisch en goed verdedigbaar.’

Sander Schimmelpenninck framede de kwestie als een generatieconflict: de kwetsbare ouderen die jongeren, die nauwelijks ziek worden van corona, in een keurslijf dwingen. Deze ouderen noemt hij ‘egoïstisch’, hun argumenten ‘emotionele betogen’. De belangentegenstellingen moeten ‘rationeel besproken worden’, en beleid waarbij we ouderen afzonderen terwijl jongeren alles weer mogen, vindt hij een kwestie van ‘gezond verstand’.

Dit klinkt allemaal heel weloverwogen, al is het natuurlijk de vraag of het echt zo redelijk is om het belang van jonge en gezonde mensen te laten prevaleren boven solidariteit; dat iemand dit heel vaak herhaalt, maakt het nog niet waar. Bovendien kun je ook door puur rationeel te handelen jezelf en de samenleving stevig in de aap logeren.

Een fraai voorbeeld daarvan komt uit de speltheorie: het gevangendilemma. Twee overvallers, Ada en Bea, zijn opgepakt en worden apart verhoord. De politie meldt dat ze genoeg bewijs hebben om hen te pakken op wapenbezit, een lichter vergrijp. Als ze niets zeggen gaan ze elk een jaar de cel in. Maar als Ada besluit om de zwijgende Bea de schuld van de hele overval te geven, gaat ze zelf vrijuit, en krijgt Bea een straf van drie jaar. Idem als Bea besluit om Ada te verraden, terwijl Ada haar mond houdt. Lappen ze elkaar erbij, dan gaan ze elk twee jaar de bak in.

Voor Ada en Bea samen is het optimaal om niets te zeggen: ze moeten dan elk een jaar brommen. Maar voor Ada en Bea als individuen is dat juist niet de gunstigste keuze. Immers: als Ada niets zegt, gaat ze een jaar de cel in als Bea ook zwijgt, en drie jaar als Bea praat. Als Ada echter zelf haar mond open doet, zijn haar opties beter: geen gevangenisstraf als Bea zwijgt, twee jaar als Bea haar ook beschuldigt. Aangezien ze niet kan weten wat Bea doet, is het voor haar altijd beter om te zeggen dat Bea het heeft gedaan. Maar voor Bea werkt het net zo. Dus praten ze allebei, en nu moeten ze elk twee jaar de nor in. De boodschap: het is heel goed mogelijk om volstrekt rationeel de meest optimale beslissing te nemen, en aan het eind van de rit als individu én als collectief toch slechter af te zijn.

Ik heb me de afgelopen maanden weleens afgevraagd of zich in onze samenleving een variant van dit dilemma uitspeelt. Voor het collectief zou het, qua indammen van het virus, het beste zijn als we allemaal zoveel mogelijk thuis bleven; de één-jaar-cel-optie uit het gevangenendilemma. Maar de beste uitkomst voor een individu is: anderen blijven thuis, maar jij niet (nul jaar voor jou, maar minder indamming dus drie jaar voor de rest). Je slechtste optie is het tegenovergestelde: jij blijft huis, maar anderen gaan de deur uit (drie jaar voor jou, nul voor de anderen). Net als in het gevangenendilemma komen we dan hier op uit: iedereen die zichzelf jong en gezond genoeg acht, gaat lekker op stap.

Nou is het leven natuurlijk geen spel, en de werkelijkheid is minder aangeharkt dan een dilemma. Maar het geeft te denken: kan het hoofd zonder hart? Wat als de meest rationele keuze, met de optimale uitkomst voor veel individuen, toch niet de beste weg is, of de juiste? Wat als een beleid waarbij je jonge en gezonde mensen alle vrijheid geeft inderdaad heel logisch en verstandig kan zijn, maar ook verkeerd, omdat het diep onrechtvaardig is om tegelijkertijd zieke, gehandicapte of oude mensen voor onbepaalde tijd op te sluiten in hun eigen huis? Wat als je verstand je in alle redelijkheid op een dwaalspoor zet, wanneer je vergeet om met je hart de menselijkheid in anderen te zien?

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Er zitten gaten in het weefsel van de alledaagse wereld’, schrijft Katherine May in haar mooie boek Wintering. En soms val je daar doorheen, niet door schuld maar door omstandigheden, en kom je ergens anders terecht. In een seizoen van kou, ‘een braakliggende periode in je leven waarin je afgesneden bent van de wereld, je afgewezen voelt, buitenspel gezet, weerhouden van vooruitgang of in de rol van buitenstaander bent gedwongen.’ Een periode van bedroefd zijn, van ongelukkig zijn, van je terugtrekken. May noemt het ‘winteren’.

Ik las Mays boek omdat ik door de gaten van het weefsel van de wereld aan het vallen ben. Het begon met de lockdown – een soort kunstmatige winter – en sindsdien is het bij me: dat gevoel van halfbestemd verdriet, van niets lukt, van dit gaat zo niet langer en ik weet niet waar ik het zoeken moet.

Toen de scholen dichtgingen, was ik net ziek geweest – hoesten, zweten, trillen, slapen, mezelf wakker hoesten, herhaal – en dus niet op mijn best. Mijn huis raakte ineens gevuld met virusangst, kindertranen, normaalheimwee en de voortdurende luidheid van mensen die net iets te dicht op elkaar moeten leven en werken. En net toen we hier onze weg in vonden, ging mijn opa dood. Nu is er ook nog rouw: de tranen komen snel, de woorden langzaam, een paniek dringt steeds aan, hoog in mijn keel, bij elk klein probleem; een ziek kind, beestjes op de kamerplanten. Ondertussen begint het normale leven weer, maar zonder mij. Net als andere mensen uit de coronarisicogroepen kan ik enkel toekijken: ook verlangend naar vrijheid en afleiding en dagen in de buitenlucht, maar nog opgesloten, halfvergeten, achtergebleven.

Ik treur en ik struikel, maar ik schroom om dat toe te geven, aan mezelf en al helemaal aan anderen, al ben ik vast niet de enige die zich na de lockdown zo voelt. ‘De momenten waarop we uit het dagelijks leven vallen blijven taboe’, schrijft May. We zien het als een vernedering, als iets gênants dat we moeten verbergen. ‘Dit betekent dat we een geheim hebben gemaakt van een volkomen normaal proces, en zo de mensen die het ondergaan een paria-status hebben gegeven, die hen dwingt zich uit het dagelijks leven terug te trekken om zo hun falen te verbergen.’

Maar winteren is onvermijdelijk. We hebben de neiging om ons leven voor te stellen als een lijn: we beginnen met een lente, gevolgd door een zomer waarin we steeds mooier bloeien, en dan komen herfst en winter en is het gedaan. May noemt dit ‘een brute onwaarheid’. Het leven is cyclisch, schrijft ze. ‘We hebben seizoenen waarin we bloeien, en seizoenen waarin de bladeren van ons af vallen en onze kale botten blootleggen.’

Waarom vrezen we de winter? Planten en dieren zijn er niet bang voor, vechten er niet tegen, schamen zich er niet voor, proberen niet krampachtig dezelfde levens te leiden als ze in de zomer deden. Ik moet denken aan de vaste planten in mijn tuin. Als de stress van de kou hen teveel dreigt te worden, laten ze hun bloei en bladeren los en trekken ze zichzelf terug in de aarde. Ze werpen zich terug op hun wortels; tot dat deel van hen dat hun anker is, en de basis van al hun groei.

Zouden mensen kunnen leren om zoiets te doen? In plaats van je te verzetten tegen je verdriet, steeds maar weer een vrolijk masker op te zetten, kun je je ook terugtrekken en de winter toelaten. ‘De actieve acceptatie van droefenis’, noemt May het; een periode waarin we onszelf toestaan om onze ware behoeftes te voelen, om pijnlijk eerlijk te zijn tegen onszelf. Ongelukkig zijn is leerzaam; het vertelt je dat er iets verkeerd gaat, en als we het verdriet daarover kunnen toestaan, ontdekken we misschien belangrijke aanwijzingen over hoe we kunnen veranderen.

‘Dit is een kruispunt dat we allemaal kennen’, schrijft ze, ‘een moment waarin je je huid moet afwerpen. Als je dat doet, dan zul je al die pijnlijke zenuwuiteinden blootleggen, en je zo rauw voelen dat je een tijdje voor jezelf moet zorgen. Maar als je het niet doet, zal je oude huid om je heen verharden.’

Ik wil niet verharden. En ik wil me niet langer schamen voor mijn winter. Mijn verdriet voelt minder zwaar als ik het omarm dan wanneer ik het, dapper neplachend, tegen de klippen op achter me aan sleep. Bovendien is er wijsheid te vinden in de winter, en genezing. Laat mij maar even alleen mijn wortels zijn, dan kom ik later wel weer bloeien.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

We moeten eten tegen de dood. Dat lijkt een open deur – het is bekend dat een mens zonder voedsel vrij vlot eindigt met een tuintje op zijn buik – dus laat ik preciezer zijn: volgens een aanzwellend orkest van experts en meningmensen moeten we gezonder eten om zo beter bestand te zijn tegen het coronavirus. Bij gebrek aan een geneesmiddel of vaccin moet onze leefstijl ons redden.

‘Overleven begint bij gezonder leven en eten’, kopte Het Parool boven een stuk van hoogleraar Jaap Seidell en Jutka Halberstadt. De NOS, over een uitzending met arts Liesbeth van Rossum: ‘Leef gezond, voorkom ernstige corona.’ Ene Jeroen Jansen opinieerde in deze krant dat ‘elk virus goed gedijt’ op het ‘ongezonde leven van velen’. Overgewicht verzwakt volgens deze journalist de longen en het immuunsysteem, waardoor mensen extra vatbaar zijn voor infecties. ‘Een (corona)virus is dan al snel het laatste duwtje in de richting van de intensive care.’

Dikke mensen, zo metafoort Jansen, zijn een ‘lek in de boot’ dat gedicht moet worden; anderhalve meter afstand houden is slechts ‘al hozend verder varen’. Hij pleit voor een ‘gezondheidsrevolutie’. Het is, naast schaamteloos stigmatiserend, meer dan een tikje Bijbels: tijdens een Plaag wijzen naar de zondaars die zich schuldig maakten aan vadsigheid en vraatzucht. Benadrukken hoe zonde leidt tot de dood en hoe de puurheid van een gezonde leefstijl zal leiden tot verlossing.

Het deed me denken aan een essay van Michelle Allison, een paar jaar geleden in The Atlantic. Ze schrijft daarin over mensen die claimen dat dikheid en ziekte te vermijden en genezen zijn door gezond te leven en eten. ‘De helden van de hedendaagse dieetcultuur’, noemt zij hen; helden die hun status verwerven doordat ze ons voorhouden hoe we de dood kunnen verslaan. ‘Mensen zijn de enige dieren die zich bewust zijn van hun sterfelijkheid, en we willen allemaal de persoon zijn wiens dood als een verrassing komt, in plaats van als een pathetische onvermijdelijkheid. We willen degene zijn waar mensen over zeggen: ‘Maar ze deed alles goed.’ Als we niet aan de dood kunnen ontsnappen, kunnen we misschien een manier vinden om er onschuldig aan te worden verklaard.’

‘Door te eten zonder je in te houden, aan de andere kant, riskeer je dat je onrein wordt bevonden’, schrijft Allison. ‘Het is toegeven aan je sterfelijkheid, aan je beperkingen en rommeligheid als een biologisch schepsel, terwijl je de vrijheid en het genoegen van eten omarmt.’

Genoegen: daar hoor je mensen die pleiten voor een gezonde leefstijl zelden over. Hun mensbeeld komt me altijd zo mechanisch voor: alsof eten slechts brandstof is, alsof het je primaire taak als mens is om te zorgen dat je lijf een efficiënte, goedlopende motor is – nooit verzopen, nooit gulzig in verbruik – zodat je aan het eind van de rit zoveel mogelijk kilometers hebt gemaakt met zo weinig mogelijk pech en tegen zo laag mogelijke onderhoudskosten. Het is ongetwijfeld medisch gezien reuze verstandig, het verkleint vast de risico’s op coronacomplicaties, misschien houdt het zelfs de dood een tijdje af. Maar het is ook zo, nou ja, vreugdeloos.

En dat terwijl eten zo goed kan zijn voor de ziel. Zoals psycholoog Paul Rozin zei: ‘Eten is niet slechts voedingswaarde die je mond in gaat of zelfs maar de plezierige sensaties die daarmee gepaard gaan. Het verbindt je met je hele leven.’ We eten om samen te zijn, om verdriet te delen, om malende gedachten te doorbreken met gezelligheid, omdat er zelfs in bange tijden soms toch iets te vieren valt.

Tijdens de lockdown aten we in huize Ten Broeke patat met mayonaise omdat de smaak ons deed denken aan betere tijden, aan lange dagen bij het buitenzwembad, aan de halfvergeten geur van chloor, gras en zonnebrandcrème. We aten pannenkoeken om onze kinderen te troosten, die maandenlang dapper teleurstelling na teleurstelling het hoofd boden; kinderen die we zoveel moesten afnemen: vrienden, school, sport, opa’s en oma’s. We aten pizza omdat het bevrijdend was om in een tijd waarin er honderd regeltjes en verboden waren even de controle los te laten, om even niet meer verantwoordelijk en deugdzaam en broccoli en volkoren te zijn.

Zelfs als een gezonde leefstijl ons kan redden, blijf ik een rommelig schepsel – een zondaar, geen held – met een hart dat vrijheid, vreugde en verlichting nodig heeft. Mijn lichaam moet misschien eten tegen de dood, maar mijn ziel moet eten voor het leven.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

En zo begint het weer: het gewone leven, of iets wat daar in ieder geval een beetje op lijkt. Ik zie vrouwen met vers kapperhaar. Kinderen die in hun sportkleren naar veld, baan of zwembad fietsen. Kennissen gaan met Pinksteren lekker met de caravan op pad. Buren houden barbecues met vrienden, gezellig in een kring, een bordje op schoot met vlees dat zwart is van buiten en rauw van binnen. Een kameraad vertrouwt me toe dat ze haar vriendinnen weer gewoon een knuffel geeft. En ook buiten de deur lijdt de anderhalvemetersamenleving aan een hevig geval van klad erin, want, ach: het is toch niet te doen, het valt allemaal wel mee, het is bijna voorbij.

Op televisie hebben onvermijdelijke beroepspraathoofden als Jort Kelder, Bram Bakker en Angela de Jong inmiddels geen voorspelbare faux-dwarse meningen meer over pandemiebeleid en de lockdown-economie, maar over hoe het leven zal zijn na corona. En het virus mag dan nog steeds een riant onbenut potentieel aan onbesmette mensen hebben om zich lustig doorheen te vermeerderen, toch stijgt de verkoop van zonnebrillen en espadrilles, las ik in de krant, want het zomerse buitenleven lonkt. Een expert in consumentengedrag: ‘De opluchting en vrolijkheid spreekt eruit.’

Het gewone leven komt weer ontspannen en opgewekt op gang, maar niet voor iedereen. Het RIVM adviseert oude, zieke en gehandicapte mensen nog steeds om thuis te blijven en geen bezoek te ontvangen. Dat de anderhalvemetersamenleving veelal tot een logistieke illusie is gereduceerd, betekent dat zelfs een ommetje er vaak niet meer inzit. Terwijl vrienden hun teenslippers en strandtassen afstoffen, is het leven van mensen zoals ik veranderd in een droevige versie van de film Frozen: ‘Laat niemand toe, spreek niemand aan; wees gehoorzaam en ga hier niet vandaan.’

Dit is een politieke keuze, benadrukt journalist Tamar Doorduin in een artikel voor OneWorld. De regering had ook kunnen wachten met het versoepelen van de lockdown tot er een echt goed test- en indambeleid was. Dan was deze tweedeling niet nodig geweest; die ‘bescherming van de kwetsbaren’ die in de praktijk neerkomt op ‘opsluiting en uitsluiting’. ‘Het ‘muurtje om de kwetsbaren’ blijkt letterlijk op de muren van hun huis te slaan. Op die manier marginaliseer je deze groep alleen nog maar verder’, stelt Doorduin.

Het gewone leven komt weer op gang, maar niet voor Marieke, de geestelijk gehandicapte zus van Janneke Arbeider. Janneke plaatste een noodkreet op Facebook: terwijl de nagelsalons en terrasjes opengaan, mag haar zus nog bijna niets. Niet dat ze extra risico loopt; ze is jong en gezond. Maar omdat ze in een instelling woont, mag ze nauwelijks bezoek ontvangen, en dat bezoek mag haar niet even een knuffel geven. ‘Ondertussen weet Marieke al bijna niet meer hoe op ons, haar familie, te reageren. Ze wordt onrustig, verdrietig, durft ons soms niet eens aan te kijken.. want stel dat ze het verkeerd doet? … Ik zie mijn zus achteruit gaan, lijden.’ Ze hoopt op beter beleid.

Het gewone leven komt weer op gang, maar niet voor sekswerkers. Andere contactberoepen mogen weer aan de slag, maar zij niet. Een reden gaf de regering niet, maar het is moeilijk om je voor te stellen dat iemand pijpen coronatechnisch riskanter is dan bij iemand een pony knippen. Sekswerker en activist Yvette Luhrs vermoedt dat de overheid haar beroepsgroep gewoon wil tegenwerken; dat is niets nieuws. In een OneWorld-artikel legt ze uit hoe sekswerkers, op aandringen van diezelfde overheid, vaak niet als werknemer of zzp’er werken, maar in een fictief dienstverband. Dan werk je legaal, betaal je gewoon belasting en heb je eigenlijk precies nooit ergens recht op, dus nu ook niet op financiële steun. De gevolgen zijn schrijnend. Een vriendin van Luhrs kan haar collegegeld straks niet meer betalen. Een collega met een kind komt in de problemen met de huur. Er moest een particulier noodfonds komen voor sekswerkers die geen eten meer kunnen kopen.

Toen de coronacrisis begon, waren er mensen die hardop droomden over hoe we hier beter uit zouden komen: sterker, eendrachtiger. We zouden het met zijn allen doen; een virus kopieert zichzelf immers ook zonder aanziens des persoons. ‘Alleen samen krijgen we corona onder controle’, was de boodschap van onze regering. Samen bleek te duren totdat de eerste maatregelen versoepeld werden – daarna begonnen beleidsmakers alweer mensen in de steek te laten.

Het is logisch dat we allemaal verlangen naar zon en zorgeloosheid. Dat we snakken naar een terugkeer naar het gewone leven. Maar, alsjeblieft: wel met iedereen aan boord.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Ik ben naar onze tuin ontsnapt, en nu zit ik, mijn dikke groene werkhandschoenen nog aan, naast de uitbundig bloeiende sering na te denken over William Wordsworth. Hij was naast dichter ook tuinier en zag de tuin als een toevluchtsoord; een plek waar je de helende effecten van de natuur kunt ondergaan terwijl je afgescheiden bent van de wereld, maar tegelijkertijd toch ‘te midden van de werkelijkheid der dingen’ bent.

Ik las over Wordsworth in het boek Tuinieren voor de geest van psychiater Sue Stuart-Smith. ‘Deze ‘werkelijkheid der dingen’ omvat niet alleen alle natuurlijke schoonheid’, schrijft zij, ‘maar ook het verstrijken van de seizoenen en de gehele levenscyclus. Met andere woorden, tuinen vormen weliswaar een toevluchtsoord waar we ons korte tijd van de wereld kunnen afzonderen, maar ze brengen ons ook in contact met de fundamentele aspecten van het leven.’

In een tuin komen dingen tot leven en bloei, ze kwijnen en sterven af. Veel echter wordt het niet, maar tegelijkertijd hangt er weinig vanaf. Je kunt erbij zijn, zonder dat het teveel pijn doet. Dat is kostbaar, denk ik, want er zijn momenteel weinig plekken waar je de werkelijkheid ongefilterd kunt toelaten zonder overspoeld te worden door gemis.

Misschien is dat wel waarom tuinieren tijdens deze coronacrisis zo’n grote aantrekkingskracht op ons heeft. Vanaf het moment dat Nederlanders begin mei weer voorzichtig de deur uitgingen, was het druk in onze tuincentra. Ik las dat in de Verenigde Staten gewapende conservatieven de straat opgingen voor, onder andere, het recht om weer te tuinieren. ‘Tuinieren is essentieel!’ riep iemand vanuit een pick-up truck. Ik ben het zelden met zulke lieden eens, maar daar hebben ze misschien een punt.

Stuart-Smith betoogt in haar boek dat tuinieren een psychologische activiteit is: we wroeten, zaaien en snoeien niet alleen met onze handen, maar ook in ons hoofd. Een tuin is niet alleen een toevluchtsoord, ‘maar schenkt je ook de rust en stilte om je eigen gedachten te kunnen horen. Hoe meer je opgaat in het met je handen werken, hoe meer innerlijke vrijheid je krijgt om je gevoelens te ordenen en te verwerken.’

Dat is precies waarom ik de tuin in ben gevlucht. Sinds mijn vorige column is mijn opa overleden aan corona en ik ben zo druk met het regelen van de uitvaart dat mijn hoofd is gevuld met chaotische gedachtesmurrie over wat er nog gedaan moet worden. Een uurtje in de tuin en ik voel me kalm; nu merk ik pas hoe moe ik ben, en hoe verdrietig. Hoe rouw een soort heimwee is, alleen niet naar je huis, maar naar iemand bij wie je je ooit thuis hebt gevoeld.

Gelukkig geven planten er niet om als je een beetje op ze huilt. Zeker de dode niet, want heel passend bleek in mijn tuin ook van alles gestorven te zijn, zoals de margrieten die ik pasgeleden liefdevol had verplaatst, maar die inmiddels zijn kaalgevreten door klootslakken. Of het appelboompje dat de geest gaf na ruim een jaar door een buurkat als pispaaltje te zijn gebruikt.

Ik zet de zaag erin, maar de dode takken doen me ongewild denken aan die verschrikkelijke metafoor van Marianne Zwagerman in de Telegraaf, over de natuur die ‘dingen zelf regelt en af en toe een virus over de aarde jaagt om het dorre hout te kappen’. Dat gaat ook over mijn opa, denk ik steeds maar: een demente man met diabetes en een hartkwaal in een verpleeghuis. ‘Dor hout.’

Hoe ga je om met een wereld waarin er mispunten bestaan die het niet zo erg vinden dat mensen als mijn opa doodgaan? Een wereld, ook, waarin het personeel in verpleeghuizen wekenlang bewust genegeerd werd bij de verdeling van mondkapjes, waarin ze lange tijd met opzet niet werden getest en waarin ze dus ongewild hun eigen bewoners hebben besmet. Waarin beleidsmakers de levens van mensen in verpleeghuizen goedkoop hebben gemaakt.

Ik weet het even niet. En dus heb ik me afgezonderd. Ik poot jonge plantjes tegen de rouw en maak stekjes tegen het verdriet; nieuw leven tegen de dood. ‘Als er geen verlies bestond, zou het ons ontbreken aan scheppingsdrang’, schrijft Stuart-Smith. Op de plek waar de gerooide appelboom en margrieten stonden, blijken een paar stukjes vochtige, zwarte aarde over te blijven, ideaal om kaardenbollen en korenbloemen te zaaien.

Dat is geen metafoor voor de samenleving, wil ik benadrukken. Het is gewoon een simpele troost in verdrietige tijden.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.