dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Onder de beelden van plastic flessen die op het water drijven, is zachte pianomuziek gezet. Een kinderstem zegt: ‘Dit is de wereld die we zien. Waar we lachen. Waar we vallen.’ Ongetwijfeld hoopvol bedoelde cello’s zwellen aan. Een andere kinderstem: ‘Maar de wereld die we zien, is niet de wereld die we kennen. De wereld die we kennen, vindt een manier om te overwinnen.’ Er worden mensen getoond die plasticafval opruimen, gevolgd door mensen in een laboratorium. ‘De wereld die we kennen is gevuld met pioniers … Innovators die ons zullen helpen om de wereld te beschermen voor de generaties na ons.’ Er komt een waterval in beeld, een ongerepte rivier, een walvis met een jong. ‘Laat ons degenen zijn die samenkomen om de wereld te veranderen.’

Zo gaat een reclamefilmpje van de Alliance to end plastic waste, een samenwerking van multinationals in onder meer de olie en chemie. Het is ‘hun ambitie’ om ‘miljoenen tonnen plasticafval om te leiden’ en ‘bij te dragen aan een circulaire economie’, melden ze. Shell, een ‘leading member’, heeft een eigen filmpje over hoe het hun ‘wereldwijde ambitie’ is om een miljoen ton plasticafval om te zetten in nuttige chemicaliën. Gebruikt plastic is geen rotzooi, wil Shell maar zeggen: het is een grondstof vol mogelijkheden.

Dat is een populair idee. Wij, brave burgers, scheiden netjes ons afval, de gemeentes laten het plastic sorteren en iemand maakt daar weer nieuwe spullen van. De koning noemde het nog in de troonrede, ‘de circulaire economie, waarin afval weer grondstof wordt’. De notie is zo ingeburgerd dat zelfs de Donald Duck er deze week een stripje over had, waarin een nichtje van Katrien zegt: ‘Zo, dit flesje gaat in de plasticbak, dan kan er weer iets nuttigs van gemaakt worden!’

Er is alleen één probleempje met dit idee: het is grotendeels bullshit. Het gros van het plastic dat we inzamelen wordt helemaal niet gerecycled. Veel materiaal is niet puur genoeg voor hergebruik. Slechts 25 procent van het Nederlandse verpakkingsmateriaal krijgt een nieuw leven. Wereldwijd recyclen we maximaal 20 procent van het plastic; de schatting van milieuorganisaties is nog lager, 9 procent. De rest wordt gestort, verbrand of krijgt zwemles tussen schildpadden en dolfijnen. Bovendien kan men plastic maar een of twee keer recyclen. Daarna is de kwaliteit te slecht en is het alsnog vuilnis.

De hoeveelheid gerecycled plastic valt bovendien in het niet bij de nieuwe productie. Bij Shell steekt men veren in eigen derrière omdat ze een miljoen ton plastic willen recyclen, maar wat ze er niet bij zeggen is dat er jaarlijks 350 miljoen ton nieuw plastic wordt geproduceerd. Onder andere door henzelf: terwijl ze gelikte filmpjes maakten, investeerden ze ook ruim 6 miljard in een gloednieuwe plasticfabriek in Pennsylvania.

Deze tegenstrijdigheid is geen toeval, zo ontdekten NPR en PBS Frontline. Al in de jaren 70 wist de plasticindustrie dat het spul slecht recyclebaar was. Maar toen plastic in de jaren 80 een imagoprobleem kreeg – de afvalberg groeide, nare wetten dreigden – begonnen ze toch een misinformatiecampagne die nog steeds gaande is. Mensen die voorheen hoge functies bekleedden in de plasticindustrie beamen dat dit de opzet is: als het publiek denkt dat recycling werkt, maken ze zich niet zo druk over de productie van nieuw plastic. Als burgers en bestuurders geloven dat gebruikt plastic geen milieuverpestende meuk is, maar een waardevolle grondstof, dan komen ze niet op het effectieve idee om wetten en quota’s te maken die de productie aan banden leggen, en blijven de plasticmiljarden binnenrollen.

En het heeft gewerkt. Veel beleid richt zich niet op de plasticbakkers, maar op individuele burgers: die moeten zorgen voor minder en beter gescheiden afval. Afspraken met de industrie zijn vrijblijvend. Zo is er een Plastic pact, waarin partijen ‘de ambitie’ uitspreken om ‘gezamenlijk de plasticketen te vereenvoudigen en te sluiten.’ Maar ambities zijn losse flodders: het klinkt alsof je heel wat van plan bent, maar als het niet lukt, hoeft er niets te worden afgerekend.

Dus komt de plasticindustrie weg met mooie praatjes en filmpjes met babywalvissen. Maar vergis je niet: deze industrie wil de wereld niet beschermen; ze wil ons de illusie van een groene toekomst verkopen, zodat ze de aarde kan blijven vervuilen. Ze wil de wereld niet veranderen; ze wil alleen maar dat wij dat denken, zodat de wereld precies hetzelfde kan blijven.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Ik heb volkomen ongelijk. Of althans, dat vind meneer D. nadat hij mijn vorige column heeft gelezen. Daarin betwijfelde ik of de gezondheidswinst van een verblijf in de natuur meetbaar is; misschien is het niet nodig om de helende kracht van bos, zee en bergen in cijfers en procenten uit te drukken; er is magie in de natuur, en dat is genoeg.

Meneer D. denkt er anders over. Want: als we niet meten hoe waardevol de natuur is, als we daar geen geldbedragen en percentages gezondheidswinst aan hangen, hoe kunnen we dan voorkomen dat de natuur in een kapitalistische samenleving verdrongen wordt door andere dingen – industrieterreinen, snelwegen, megastallen – die wel klinkende munt opleveren in de balansboekjes van overheden en bedrijven? In een kapitalistische samenleving telt vooral geld. Al dat gelul over magie maakt de natuur alleen maar tot een gemakkelijk doelwit. Iedereen die niet door die magie beroerd wordt, kan immers zijn schouders ophalen over die mooie vogels, bossen en zonsopkomsten van mij, en de hele bups rooien om er graziger – en bovenal: winstgevender – weides van te maken.

Misschien heeft meneer D. een punt. Ik moet denken aan een interview met bioloog Gretchen Daily dat ik onlangs las in de New Scientist. Daily pionierde het rekenen aan de waarde van de natuur. Ze hoopt dat deze manier denken tot een cultuuromslag gaat leiden. In de vorige eeuw hebben we grootschalige verwoesting van de natuur gezien, zegt ze. ‘Als we van deze prachtige blauwe planeet aan het eind van deze eeuw een plek gaan maken die ook maar bij benadering leefbaar is voor onze nakomelingen, dan moeten we natuur naar het hart van de besluitvorming brengen en naar het strijdperk van kosten-batenanalyses – en dat strijdperk veranderen.’

Dus is zij een gepassioneerd voorstander van natuur niet alleen mooi en magisch vinden, maar ook een vorm van ‘groen kapitaal’, vol met nuttige ‘ecosysteemdiensten’: bestuivende bijen, CO2-slurpende bomen. Ze staat daarin beslist niet alleen. Afgelopen juni becijferden De Nederlandsche Bank en het Planbureau voor de Leefomgeving nog dat ‘510 miljard euro van de leningen, aandelen en obligaties van de Nederlandse financiële sector in hoge mate afhankelijk is van biodiversiteit’. Al geef je geen bal om vogelzang, natuurbehoud is gewoon economisch verstandig.

Maar wetenschapsjournalist Emma Maris zet in een essay toch vraagtekens bij deze denkwijze. Het mag misschien objectief klinken, schrijft ze, maar de meeste mensen die pleiten voor meer natuur doen dat helemaal niet omdat toevallig uit hun spreadsheet is gebleken dat dit financieel voordelig is, maar omdat ze van groen en wildernis houden. Ze ‘praten over ecosysteemdiensten, zelfs wanneer er eigenlijk liefde in hun hart is’, schrijft ze. En dat vindt ze onverstandig. Mensen houden misschien wel meer van de natuur dan ooit tevoren; een pleidooi voor meer natuur op basis van liefde en het idee dat natuur intrinsiek waardevol is, vindt ze intellectueel eerlijker en mogelijk effectiever.

Ook schrijver George Monbiot formuleert in een lezing bezwaren tegen praat over groen kapitaal en ecosysteemdiensten. Door de waarde van natuur te berekenen, door het deel te maken van kosten-batenanalyses, duw je de natuurlijke wereld nog verder het kapitalistische systeem in, stelt hij, terwijl dat systeem juist verantwoordelijk is voor een groot deel van de verwoesting van de natuur.

En dat is niet slim. Want wat nou als uit je kosten-batenanalyse blijkt dat een snelweg per huishouden per jaar meer opbrengt dan een natuurgebied? Of als er technologische oplossingen zijn die dezelfde ecosysteemdiensten kunnen bieden als een bij of een boom, maar dan goedkoper? Dan sta je als natuurliefhebber mooi in je hemd met je rekensommen.

Bovendien ondermijn je zo je eigen morele positie, denkt Monbiot. Door je eigen normen en waarden, je liefde, je gevoel, de magie te vervangen door de taal van het kapitalisme, van de vrije markt, van mensen die de intrinsieke waarde van de natuur niet zien, ga je mee in het idee dat die waarde er niet is of in ieder geval niet centraal hoort te staan in het debat. Maar wie overtuig je daarmee?

Als iemand natuur beschouwt als goedkoop, als iets dat je gewoon kunt opgebruiken, zou zo iemand dan echt van mening veranderen als we natuur op papier duurder maken? Verandert natuur voor iemand die de magie niet ziet, die geen bomen ziet maar hout, geen aarde maar kavels, geen dieren maar vlees, dan ineens van waardeloos in kostbaar?

Ik denk het niet.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Op het moment dat ik dit schrijf, is het 23 maart. Normaal gesproken val ik u daar niet mee lastig, maar nu de wereld in de greep is van het nieuwe coronavirus is de toekomst zo ongewis dat ik mezelf heb beloofd niet meer dan drie dagen vooruit te kijken. En toch zit ik hier, in de ochtendzon aan mijn bureau, om een column te schrijven die pas over vijf weken gelezen zal worden. Mijn nu is onvermijdelijk uw ‘een tijdje geleden’.

Toch blijf ik in dit stukje in mijn nu. Wat kan ik anders? Ik heb collega’s zich zien wagen aan voorspellingen. Rosanne Hertzberger deelde in de NRC een toekomstvisie waarin de lijkwagens door de straat rijden. Robbert Dijkgraaf schetste het beeld van ‘de man die van een wolkenkrabber valt en ter hoogte van de derde verdieping zegt: ‘Tot nu toe gaat alles goed.’’ Ik vind dat niet behulpzaam.

In mijn nu probeer ik zoveel mogelijk in het moment te leven. Dat is beter voor de ziel, las ik in The Atlantic. In plaats van te piekeren over een mogelijk catastrofale toekomst, kun je beter jezelf geruststellen met gedachten over het heden: ‘Ik ben veilig en schrijf een column’. Het is advies dat me doet denken aan een liedje van Jason Mraz, waarin hij zingt over hoe hij zijn leven niet langer wil vullen met zorgen over allerlei dingen die hem waarschijnlijk toch niet gaan overkomen. ‘So I just let go of what I know I don’t know’, zingt hij. Dat heb ik altijd een prachtige zin gevonden.

Toch staat het liedje me ook tegen. Mraz bezingt alle innerlijke vrede en lol die hij heeft nu hij in het moment leeft. Maar ik denk steeds: nou, knakker, dat moet je je wel kunnen veroorloven. Als je niet zeker weet of je morgen geld hebt om je kinderen eten te geven, wordt het verdraaid lastig om onbekommerd te zijn over de toekomst. Het heden is niet lollig als je iets vreselijks aan het meemaken bent. En je verleden achter je laten is niet gemakkelijk als je getraumatiseerd bent. In het moment leven is een knoeperd van een privilege.

In andere tijden zou deze dualiteit me fascineren: hoe leven in het moment zowel een psychologische overlevingsstrategie kan zijn als een luxe voor de bevoorrechten. Misschien schrijf ik er nog eens meer over. Maar niet vandaag. Vandaag is de toekomst onzeker en eng, en is mijn nu alles wat ik heb. Mijn nu, en mijn hoop: de hoop dat uw nu ondanks alles een goed moment zal zijn om in te leven.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Ons Hof van Eden. Zo omschrijft Trisha Kehaulani Watson-Sproat de berg Maunakea in een artikel op Vox.com. Hier vond volgens de Hawaiiaanse mythologie de schepping van de wereld plaats toen de Aardmoeder, Papahānaumoku, en de Luchtvader, Wākea, elkaar ontmoetten. Dat maakt de berg een heilige plek. Een heilige plek met twaalf telescopen erop, en plannen voor nog een nieuwe. Een monstertelescoop moet er komen, met een koepel zo hoog als een gebouw van achttien verdiepingen.

Veel oorspronkelijke bewoners van Hawaii reageren daarop zoals ik me voorstel dat christenen zouden reageren als iemand een telescoop in het Paradijs zou willen neerzetten: ze zijn niet zo in hun nopjes. Dus protesteren ze, vreedzaam: met blokkades, tentenkampen en rechtszaken.

Het beeld bestaat dat hier gaat om een conflict tussen wetenschap en cultuur, schrijft Watson-Sproat, die net als haar voorouders is geboren en getogen op O’ahu. Maar dat is niet juist. De actievoerders hebben geen probleem met telescopen. Ze willen ze alleen niet op hun berg.

Het is meer een conflict tussen twee manieren van kijken naar de wereld. Er is de neokoloniale, kapitalistische, westerse blik, die Maunakea ziet als uitgelezen plek om naar het heelal te turen, want er is weinig licht- en luchtvervuiling, puik weer, en er is Amerikaans geld voor. Bovendien staan er geen historisch belangrijke gebouwen op de berg, dus wat is het probleem?

En dan is er de blik van de oorspronkelijke bewoners, die niet alleen nog steeds gerechtvaardigd boos zijn over landonteigening en culturele onderdrukking door de Amerikaanse koloniale macht, maar voor wie ook, aldus Watson-Sproat, ‘de spirituele en culturele betekenis van Maunakea intrinsiek verbonden is met het majestueuze landschap.’ Diep verstrengeld met de Hawaiiaanse cultuur is een liefde voor het land, aloha ’āina. Zorg en verbondenheid met het land en de natuur is deel van de identiteit. (Zaken die, zo merken de actievoerders op, niet in bijzonder goede handen zijn bij het telescoopgebeuren op Maunakea. Als sinds 1998 verschijnen er rapporten over hoe het natuurbeheer van de academici op de bergtop te wensen overlaat.)

Maunakea is niet de enige plek waar deze wereldbeelden botsen. In de Groene Amsterdammer stond een interview met Norka Pareja Ortiz en Celia Umenza; inheemse activisten uit Colombia die met gevaar voor eigen leven opkomen voor mensenrechten en de natuur. Bedrijven – mijnen, plantages – nemen grond in, verwoesten het, en gaan op zoek naar nieuw land. Hun oog valt dan al snel op het land waar nu inheemse mensen wonen. ‘Wij gaan goed met onze territoria om, waardoor ze rijk en vruchtbaar zijn’, zegt Ortiz. Dat komt omdat ze zich innig verbonden voelen met alles om hen heen, en er dus voor zorgen: de natuur, het water, de lucht, de grond. Maar, zegt Umenza, ‘volgens de overheid dragen wij niets bij aan de economie van het land. We hebben geen bedrijven, dus mogen we wel dood als we moeilijk doen.’

Bij nader inzien is ‘botsen’ hiervoor niet het goede woord. Accurater is: het kapitalistische wereldbeeld walst met geweld over de levens van inheemse volken heen. En ook dat is niet exclusief voor Colombia en Maunakea. In hun boek A history of the world in seven cheap things schrijven hoogleraren Jason Moore en Raj Patel hoe onder het kapitalisme zowel natuur als veel mensenlevens goedkoop zijn. Kapitalisme is niet alleen een economisch systeem, stellen zij, maar ook een manier waarop de relatie tussen mensen en de rest van de natuur is georganiseerd. En wel als volgt: in het kapitalisme is alleen dat van waarde dat je kunt tellen in geld. Natuur is daarom iets om te gebruiken; om zo weinig mogelijk in te investeren en zo veel mogelijk winst uit te trekken. En dat geldt ook voor veel mensen; zeker voor oorspronkelijke bewoners of mensen die wonen in (voormalige) koloniën.

We zien kapitalisme als noodzakelijk en onvermijdelijk, schrijven de hoogleraren, maar in feite is het in crisis omdat het goedkoop maken van natuur en levens altijd een strijd is. Het leven vecht namelijk terug: grond raakt uitgeput, dieren sterven uit, mensen staan op voor hun rechten en hun land.

Umenza zegt: mensen van buiten denken dat ze alles kunnen kopen. ‘Maar wat als het water op is? Wat als het land kapotgemaakt wordt? Wat als de zon door brandlucht niet meer te zien is?’

Dan zouden we vast willen dat we, in ons kapitalistische westen, meer aloha ’āina hadden gehad. Meer liefde voor het land. Voordat het te laat was.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Wat als ik mijn beste tijd gehad heb?

Het is een enge vraag. Maar ik moet haar stellen; ik krijg haar niet uit mijn hoofd. Dat komt omdat ik een paar weken geleden heb moeten stoppen met de medicijnen die me de afgelopen twee jaar vrij goed op de been hielden. Eén klein, wit, smerig pilletje bij het ontbijt en de pijn was minder verblindend, de vermoeidheid minder verlammend. Totdat bijwerkingen de kop op staken: een hoge piep in mijn oren, slecht zien, hallucinaties.

Vooral dat laatste was niet acceptabel. Ik kan geen middel slikken dat knoeit met mijn hersenen. Want mijn brein, dat is waar ik als schrijver mijn geld mee verdien. En, belangrijker nog: mijn hoofd is mijn voornaamste bron van plezier. Al mijn hele leven word ik voortgestuwd door een onverzadigbare nieuwsgierigheid. De wereld is voor mij een plek die aanvoelt alsof je met honger een onbekende bakkerij binnenloopt; het water loopt me in de mond bij het heerlijke vooruitzicht dat er zoveel wonderlijks te ontdekken valt. ‘The pleasure of finding things out’, noemde natuurkundige Richard Feynman het. ‘Alles is interessant als je er diep genoeg in duikt.’

Maar wat nu? Er zijn wel andere medicijnen, maar of die zullen helpen? Wat als het vanaf nu steeds slechter zal gaan? Wie ben ik dan? Meer klotevragen dringen zich op. Wat als ik mijn beste werk al gemaakt heb? Als ik nooit meer zo goed zal schrijven als ik ooit deed?

Ik haat deze vragen. Ze verlangen een antwoord. Zonder antwoord dreigen ze me te verlammen.

Elizabeth Gilbert peinst over deze kwestie in haar boek Big magic: creative living beyond fear. Eerder schreef ze de mega-bestseller Eat, pray, love. En mensen vroegen haar: hoe ga je ooit nog iets schrijven dat beter of populairder is dan dat boek? Hoe ga je deze topprestatie nog overtreffen?

Gilbert maakt bezwaar tegen die vragen. Zo veronderstellen ze dat er een ‘top’ is, en dat ‘het beste’ presteren de belangrijkste reden is om te willen schrijven of creëren. Ze herbergen de aanname dat je voortdurend moet winnen: niet alleen van je collega’s, maar ook van je vroegere zelf. En dat als je niet kunt winnen, je dan maar beter niet kunt spelen.

Een gevaarlijke gedachte, noemt ze dit. Want eigenlijk doet winnen er niet toe. Zelfhulpboeken stellen vaak de vraag: wat zou je doen als je zeker zou weten dat je niet kunt falen? Maar volgens Gilbert is er een veel betere vraag: wat zou je doen, zelfs als je weet dat je misschien wél zult falen? Wat geeft je zoveel plezier dat de woorden ‘succes’ en ‘falen’ betekenisloos worden?

Dat is een veel betere vraag om in je hoofd te hebben.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Er is een Aziatische fabel, of mogelijk een Turkse uitdrukking, of misschien een uitspraak die is gebaseerd op werk van de Griek Aesop, die luidt: ‘Het bos werd steeds kleiner, maar de bomen bleven op de bijl stemmen. Want de bijl was slim en had de bomen ervan overtuigd dat hij een van hen was, omdat hij een steel van hout had.’

Ik zag een aantal Britten deze fabel aanhalen nadat de verkiezingen in hun land vorige maand zo diep ongelukkig uitpakten voor de linkse Labour-partij. Hun bijl is premier Boris Johnson, die zichzelf presenteert als man van het volk, terwijl het beleid dat hij voorstaat vooral rijken en grote bedrijven helpt. En dat in een land waar, om een akkefietje te noemen, ruwweg vier miljoen kinderen in armoede leven.

Er is iets veranderd, schreef Guardian-columnist George Monbiot. Niet alleen in Groot-Brittannië, maar eerder ook in de Verenigde Staten, India, Brazilië, Australië, Hongarije, Polen, Turkije. De bijlen van deze wereld hebben de formule geperfectioneerd die armen ervan overtuigt om te stemmen voor de belangen van de zeer rijken.

Het zette me aan het denken over de situatie in ons land. Ik zou graag de VVD nomineren als opperbijl: een partij waar men lovend spreekt over de gewone hardwerkende Nederlander, maar waar vooral de welgestelden der aarde altijd met een gerust hart op kunnen rekenen. Het is ook de partij die, op twee kabinetten na, mijn hele leven in de regering heeft gezeten. Dat verklaart misschien de staat van ons bos: dat steunt, piept en kraakt.

Er zijn vier onderwerpen die burgers tamelijk eensgezind belangrijk vinden: zorg, onderwijs, huisvesting, klimaat. Na bijna vier decennia toch-wel-meestal-VVD-aan-den-knopkes hangen deze dingen op zijn best met plakband en secondelijm aan elkaar. Op zijn slechtst is er enkel nog een rokend hoopje as te vinden – zie: sociale woningbouw, zie ook: jeugdzorg – zonder feniks in zicht. Er zijn te weinig juffen, meesters, verpleegkundigen, agenten. Het aantal daklozen is sinds 2009 meer dan verdubbeld. Er is geen echt plan voor een CO2-neutrale toekomst. Rechtse politici zijn er in geslaagd om veel te slopen van waar wij het meest om gaven, terwijl ondertussen de rijksten profiteerden. En toch is de VVD in de peilingen nog steeds met enige afstand de grootste partij. Forum voor Democratie, een kleiner maar nog scherper bijltje, is de grootste groeier.

Hoe kan dat toch? Misschien heeft dit ermee te maken, overwoog ik: dat links en rechts niet alleen andere standpunten hebben, maar ook een ander mensbeeld. Op rechts huldigt men het neoliberale ideaal: wie hard werkt, kan alles bereiken. Succes is maakbaar, falen eigen schuld, vecht je maar in. De staat moet vooral zorgen dat die maakbaarheid niet gefrustreerd wordt door lieden die rechts als profiteurs ziet, zoals vluchtelingen of uitkeringsgerechtigden. Op links, daarentegen, gaat men ervan uit dat armoede en achterstelling ontstaan buiten de schuld van het individu en dat de staat vooral ongelijkheid moet bestrijden en moet zorgen voor goede collectieve voorzieningen.

Dit zorgt ook voor een andere kijk op controle. Volgens het rechtse ideaal heeft het individu controle over zijn eigen leven, ellende en welvaren; of dat is in elk geval de belofte. En dus kan de staat zich terugtrekken. Dat is precies wat kabinetten de afgelopen decennia hebben gedaan, met de VVD als luidste cheerleader: ze lieten onder meer zorg en woningbouw aan de markt over. Inmiddels is duidelijk wat een soepzooi dat opleverde.

Het linkse ideaal legt de controle niet voornamelijk bij het individu, maar meer bij de overheid. En daarmee vraagt links altijd meer vertrouwen dan rechts. Zij vragen de burger om hun lot voor een belangrijk deel in de handen van de regering te leggen. Maar, vraag ik me af, durven burgers na zoveel jaren van sloop de controle over hun leven wel te schenken aan de staat die eerder zoveel stuk maakte? Waarom zou je de belofte van maakbaar succes inruilen voor vertrouwen in een regering, zelfs een linkse, wanneer je door de vorige kabinetten steeds weer gepiepeld werd? En zou het daardoor, hoe paradoxaal ook, niet zo zijn: hoe langer en beroerder rechts aan de macht is, hoe moeilijker het voor links wordt om te winnen?

Als er zoveel bomen zijn omgehakt in je bos, zie je dan het verschil tussen de bijl en de boswachter nog wel?

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.