dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Gestereotypeerd en gestigmatiseerd worden is nooit dolletjes, maar de onzekerheid die het oproept, die raakt me het diepst. Het zeurende twijfelen aan jezelf, dat onder je huid kruipt, zich via gepieker over je daden en beslissingen naar je zelfbeeld wurmt, en daar aan je eigenwaarde begint te knagen.

Ik las in NRC Handelsblad een artikel over een paar kinderen van autistische ouders. Ze hadden een moeilijke jeugd gehad met vreselijke ervaringen. Deze handvol voorbeelden leidde in het stuk tot een algemene conclusie: dat autistische ouders zich niet in hun kinderen kunnen verplaatsen, wat zorgt voor een laag zelfbeeld en andere problemen. En omdat deze kinderen steeds rekening moeten houden met hun ouder in plaats van andersom, ontwikkelt hun identiteit niet goed. ‘Autisme veroorzaakt schade’, oordeelde een psycholoog. ‘Het kind komt tekort.’

Nou weet ik dat het idee dat mensen met autisme zich niet in anderen kunnen verplaatsen achterhaald is. Psychologiehoogleraar en autisme-expert Morton Ann Gernsbacher noemde het stigmatiserend, schadelijk zelfs; een ‘empirische mislukking’. Ik weet wat voor moeder ik ben. Ik vind het moeilijk om de emoties van anderen te ‘lezen’, maar ik kan prima meevoelen als iemand me over die gevoelens vertelt. Dus vraag ik mijn dochters vaak hoe het met ze gaat, of ze iets dwars zit, en zeg ik ze dat ik er altijd voor ze ben. Ik weet dat onzekerheid een emotie is die we wellicht te snel voelen: in een samenleving waarin vrijemarktkapitalisme de dominante ideologie is, zijn we geconditioneerd om aan onszelf te twijfelen. Een onzekere consument is immers een goede consument, want wie zichzelf niet goed genoeg vindt, is bereid om van alles te kopen om beter, fitter, productiever of gelukkiger te worden.

Ik weet dit allemaal en toch twijfel ik zo. Tijdens de lockdown was ik vaak overprikkeld en heb ik mijn luidruchtige dochters regelmatig gevraagd om even buiten te gaan spelen zodat ik wat rust aan mijn hoofd had. Heb ik ze daarmee beschadigd? Had ik gevoeliger moeten zijn toen ze steeds aan het bekvechten waren? Gaat het eigenlijk niet goed met hun ontwikkeling, maar zie ik dat niet? Ben ik een slechte moeder?

Ik kom er niet uit. Maar terwijl ik op zoek ben naar een oplader vind ik een oranje briefje op mijn bureau. ‘Mamie is de liefste in de heeeeeeele wereld’ staat erop. Acht kusjes eronder, twintig hartjes eromheen.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Op het moment dat ik dit schrijf, is het 23 maart. Normaal gesproken val ik u daar niet mee lastig, maar nu de wereld in de greep is van het nieuwe coronavirus is de toekomst zo ongewis dat ik mezelf heb beloofd niet meer dan drie dagen vooruit te kijken. En toch zit ik hier, in de ochtendzon aan mijn bureau, om een column te schrijven die pas over vijf weken gelezen zal worden. Mijn nu is onvermijdelijk uw ‘een tijdje geleden’.

Toch blijf ik in dit stukje in mijn nu. Wat kan ik anders? Ik heb collega’s zich zien wagen aan voorspellingen. Rosanne Hertzberger deelde in de NRC een toekomstvisie waarin de lijkwagens door de straat rijden. Robbert Dijkgraaf schetste het beeld van ‘de man die van een wolkenkrabber valt en ter hoogte van de derde verdieping zegt: ‘Tot nu toe gaat alles goed.’’ Ik vind dat niet behulpzaam.

In mijn nu probeer ik zoveel mogelijk in het moment te leven. Dat is beter voor de ziel, las ik in The Atlantic. In plaats van te piekeren over een mogelijk catastrofale toekomst, kun je beter jezelf geruststellen met gedachten over het heden: ‘Ik ben veilig en schrijf een column’. Het is advies dat me doet denken aan een liedje van Jason Mraz, waarin hij zingt over hoe hij zijn leven niet langer wil vullen met zorgen over allerlei dingen die hem waarschijnlijk toch niet gaan overkomen. ‘So I just let go of what I know I don’t know’, zingt hij. Dat heb ik altijd een prachtige zin gevonden.

Toch staat het liedje me ook tegen. Mraz bezingt alle innerlijke vrede en lol die hij heeft nu hij in het moment leeft. Maar ik denk steeds: nou, knakker, dat moet je je wel kunnen veroorloven. Als je niet zeker weet of je morgen geld hebt om je kinderen eten te geven, wordt het verdraaid lastig om onbekommerd te zijn over de toekomst. Het heden is niet lollig als je iets vreselijks aan het meemaken bent. En je verleden achter je laten is niet gemakkelijk als je getraumatiseerd bent. In het moment leven is een knoeperd van een privilege.

In andere tijden zou deze dualiteit me fascineren: hoe leven in het moment zowel een psychologische overlevingsstrategie kan zijn als een luxe voor de bevoorrechten. Misschien schrijf ik er nog eens meer over. Maar niet vandaag. Vandaag is de toekomst onzeker en eng, en is mijn nu alles wat ik heb. Mijn nu, en mijn hoop: de hoop dat uw nu ondanks alles een goed moment zal zijn om in te leven.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Het leek mij geen onredelijk verzoek: Yolanda Bonnell, een Inheemse toneelschrijver uit Ontario, wilde dat alleen recensenten van kleur over haar laatste stuk zouden schrijven. Het stuk gaat over kolonialisme, trauma en de verhalen van Inheemse vrouwen. ‘In Toronto zijn de meeste recensenten wit en man. Ze kijken naar Inheemse kunst door een andere lens – een lens die meestal neerkomt op ‘Als ik het niet begrijp, betekent dat dat het niet goed is, of geen valide vorm van theater’’, zei Bonnell tegen The Guardian. ‘Ik vind het niet erg om bekritiseerd te worden. Maar laat die kritiek dan tenminste voortkomen uit kennis, uit begrip van waar je het over hebt.’

Diverse witte mannen vonden het verzoek wel onredelijk. Zoals Ewald Engelen, een columnist en wetenschapper die achter elke boom een bloedlink voorbeeld van verderfelijke identiteitspolitiek ziet. ‘Het einde van de conversatie; wat een waanzin’, twitterde hij. Ik ga even voorbij aan Engelens keuze voor het woord ‘waanzin’ en dat het stigmatiserend is tegenover mensen met psychische problemen om dat woord te gebruiken als je eigenlijk ‘afkeurenswaardig’ bedoelt. Want dat ‘einde van de conversatie’ fascineert me. Welke conversatie dan? En tussen wie?

Als Bonnell ergens om vraagt, is het om een betere conversatie: namelijk die tussen mensen die het weliswaar niet per se met elkaar eens zijn, maar die wel de kennis hebben om elkaars woorden op waarde te schatten. Het soort kennis dat je alleen krijgt door levenservaring.

Ik moest denken aan de discussie rondom de nakende ban op plastic rietjes. Dat leek voor mensen zonder ervaringskennis een puik plan, want: plastic soep en zielige zeepaardjes. Maar ervaringsdeskundigen – mensen die door hun aandoening plastic rietjes echt nodig hebben – zien dit anders. In een OneWorld-stuk leggen ze uit dat ze zonder deze rietjes straks afhankelijk zijn van anderen of sondevoeding, want met alle alternatieven zijn onoverkomelijke problemen.

Veel mensen zonder zo’n aandoening grossieren in ‘ja, maars’. Ja, maar dan doen we plastic rietjes alleen op doktersvoorschrift. Ja, maar bamboerietjes dan? Het is, om Bonnell aan te halen, kritiek zonder begrip; een blik door een lens zonder kennis. Daar is gelukkig wél een alternatief voor: gewoon luisteren. Geloof de mensen die ergens elke dag mee leven. Hoor hen aan. Leef mee. Dat is niet het einde van de conversatie. Dat is het begin.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Eindelijk weer een gezond BMI!’, juicht een oude studievriendin op Facebook. Ze had een goed voornemen, vertelt ze: de tien kilo kwijtraken die er na drie zwangerschappen waren bijgeslopen. ‘Het gaat me niet om mijn uiterlijk, maar om mijn gezondheid’, schrijft ze erbij. Dat zal zijn waarom ze een foto heeft bijgevoegd van haar ‘nieuwe zelf’ in een legging en sportbeha.

De drie woordjes zetten me aan het denken: een gezond BMI. Wat is dat nou precies? De body mass index reken je uit door je lichaamsgewicht te delen door je lengte in het kwadraat. De maat voor ‘een gezond BMI’ bestaat dus uit kilo’s per vierkante meter. Dat fascineert me mateloos, want welk deel van het menselijk lichaam laat zich nou betekenisvol uitdrukken in vierkante meters? Een lijf is toch geen rol behang?

Toch heeft deze curieuze maat in onze samenleving een aanzienlijke status. Het vertegenwoordigt tegelijkertijd een geneeskundige en een morele waarde: een BMI tussen de 18 en 25 is gezond en goed, maar van boven de 30 is echt ongezond en fout. Het is vooral de morele dimensie die zekerheid biedt. Wie te zwaar is, ontvangt afkeuring, wie een paar kilo afvalt en onder de 25 zakt, krijgt geheid applaus. Zoals de studievriendin: ‘Heel knap, klasse, gefeliciteerd!’

De medische kant is aanzienlijk minder zeker of exact. Om een dwarsstraatje te noemen: tot 1995 gold een BMI van 27,5 nog als gezond. De WHO paste die grens aan na een rapport van een commissie die zich niet zozeer baseerde op voortschrijdend wetenschappelijk inzicht alswel op innige banden met de farmaceutische industrie, die op dat moment dacht dat ze op het punt stond om een afvalmedicijn uit te vinden.

Nog een akkefietje: de body mass index is ooit bedacht als maat voor – het zal ook eens niet – de lichamen van witte jongemannen van gemiddelde bouw. Liggen je genetische wortels in Azië, Afrika of Oceanië, of ben je heel klein, of vrouw, of oud, of Arnold Schwarzenegger, dan zegt BMI minder. Voor zover het überhaupt iets zegt over het individu, natuurlijk, want naast een rekensom van je lengte en je gewicht ben je ook nog een mens, die fit is (of niet), ziek (of niet), en onlangs is aangereden door een Honda Goldwing (of niet).

Wat ‘een gezond BMI’ is? Meer fictie dan werkelijkheid. Een geruststellend verhaaltje voor het slapengaan voor de mensen die er door mazzel aan kunnen voldoen. En een hard moreel oordeel voor de rest.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Wat als ik mijn beste tijd gehad heb?

Het is een enge vraag. Maar ik moet haar stellen; ik krijg haar niet uit mijn hoofd. Dat komt omdat ik een paar weken geleden heb moeten stoppen met de medicijnen die me de afgelopen twee jaar vrij goed op de been hielden. Eén klein, wit, smerig pilletje bij het ontbijt en de pijn was minder verblindend, de vermoeidheid minder verlammend. Totdat bijwerkingen de kop op staken: een hoge piep in mijn oren, slecht zien, hallucinaties.

Vooral dat laatste was niet acceptabel. Ik kan geen middel slikken dat knoeit met mijn hersenen. Want mijn brein, dat is waar ik als schrijver mijn geld mee verdien. En, belangrijker nog: mijn hoofd is mijn voornaamste bron van plezier. Al mijn hele leven word ik voortgestuwd door een onverzadigbare nieuwsgierigheid. De wereld is voor mij een plek die aanvoelt alsof je met honger een onbekende bakkerij binnenloopt; het water loopt me in de mond bij het heerlijke vooruitzicht dat er zoveel wonderlijks te ontdekken valt. ‘The pleasure of finding things out’, noemde natuurkundige Richard Feynman het. ‘Alles is interessant als je er diep genoeg in duikt.’

Maar wat nu? Er zijn wel andere medicijnen, maar of die zullen helpen? Wat als het vanaf nu steeds slechter zal gaan? Wie ben ik dan? Meer klotevragen dringen zich op. Wat als ik mijn beste werk al gemaakt heb? Als ik nooit meer zo goed zal schrijven als ik ooit deed?

Ik haat deze vragen. Ze verlangen een antwoord. Zonder antwoord dreigen ze me te verlammen.

Elizabeth Gilbert peinst over deze kwestie in haar boek Big magic: creative living beyond fear. Eerder schreef ze de mega-bestseller Eat, pray, love. En mensen vroegen haar: hoe ga je ooit nog iets schrijven dat beter of populairder is dan dat boek? Hoe ga je deze topprestatie nog overtreffen?

Gilbert maakt bezwaar tegen die vragen. Zo veronderstellen ze dat er een ‘top’ is, en dat ‘het beste’ presteren de belangrijkste reden is om te willen schrijven of creëren. Ze herbergen de aanname dat je voortdurend moet winnen: niet alleen van je collega’s, maar ook van je vroegere zelf. En dat als je niet kunt winnen, je dan maar beter niet kunt spelen.

Een gevaarlijke gedachte, noemt ze dit. Want eigenlijk doet winnen er niet toe. Zelfhulpboeken stellen vaak de vraag: wat zou je doen als je zeker zou weten dat je niet kunt falen? Maar volgens Gilbert is er een veel betere vraag: wat zou je doen, zelfs als je weet dat je misschien wél zult falen? Wat geeft je zoveel plezier dat de woorden ‘succes’ en ‘falen’ betekenisloos worden?

Dat is een veel betere vraag om in je hoofd te hebben.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Gekke Greta.’ Zo beschreef Thierry Baudet de jonge en autistische klimaatactiviste Greta Thunberg. Telegraaf-columnist Leon de Winter, ook al zo’n empathisch fuifnummer, noemde haar ‘een meisje dat nu onder het mom van klimaatpassie publiekelijk haar ziektes uitleeft’.

In de Volkskrant was Mohammed Benzakour vleiender, maar daarmee niet minder bevooroordeeld. Hij ziet puurheid in Thunberg; ze is een ‘klein, maagdelijk wezen’, haar autisme maakt haar ‘authentiek’. ‘Het sublieme van Greta’s kracht – en daarmee het sublieme van alle autisten van deze wereld: ze spelen het sociale spelletje niet mee. Politiek en sociaal correcte praatjes komen niet voor in het vocabulaire van een autist. Ze lachen niet mee, ze praten niet mee, zetten geen masker op.’

Ik word hier chagrijnig van, maar aangezien introspectie niet mijn sterkste kant is, heb ik een tijdje moeten nadenken over wat me hier precies aan stoort. Na enig gepeins ben ik eruit: ik vind het intens onbeleefd. Thunberg is een meisje met een belangrijke politieke boodschap, die ze baseert op wetenschap. Het is vreselijk onfatsoenlijk om iemand die je zelfs nog nooit hebt ontmoet ongevraagd te psychoanalyseren, en vervolgens haar woorden te verklaren vanuit en daarmee te reduceren tot haar autisme. Zo behandelen we neurotypische* mensen die zich uitspreken over politiek ook niet: hen hemelen we op of kammen we af, niet om hun mentale toestand, maar om de inhoud van hun uitspraken.

Ik zie dit zelfs bij snoeiharde kritiek als een vorm van hoffelijkheid, want je zegt als het ware: ‘Ik ben het faliekant met je oneens, maar ik neem je serieus genoeg om te reageren op wat je zegt, niet op wie je bent.’ En zo hoort het ook. Het is niet voor niets dat het alternatief, de diskwalificatie van de persoon in plaats van de bewering, als denkfout telt: een argumentum ad hominem. Maar wat bij neurotypische mensen een ad hominem heet, wordt bij autistische mensen vaak gezien als een ‘verklaring’. Alsof voor hen andere spelregels gelden. Alsof juist uit hun mond nooit iets kan komen dat niet het onherroepelijke gevolg is van de manier waarop hun ‘gekke’ of ‘authentieke’ hersenen werken.

De grap is natuurlijk dat dit óók geldt voor neurotypische mensen. Al onze gedachtes, meningen en analyses komen immers voort uit onze unieke brein. Ze zijn de som van onze ervaringen, onze kwetsbaarheden, onze kennis, onze neurologie. In zekere zin leven we allemaal publiekelijk onze ziektes uit. En dat is nou net het mooie.

*neurotypisch: als je hersenen werken zoals die van de meeste andere mensen, en je dus doet en denkt op een manier die we gebruikelijk vinden (dus bijvoorbeeld niet autistisch).

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.