dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Is het echt zo erg om een racist genoemd te worden? Die vraag speelt door mijn hoofd sinds ik het opiniestuk van Piet Emmer las. Daarin zegt hij echt geen racist te zijn en hekelt hij ‘de dreiging voor racist te worden uitgemaakt’ die volgens hem nu ‘boven de beoefening van de slavernijgeschiedenis blijft hangen.’

Ter opfrissing: Emmer is historicus en tevens de pretletter die uitspraken deed als: ‘De slavernij is zo lang geleden. Het verbaast me altijd opnieuw dat mensen daar eindeloos in blijven rondzeuren.’ Hij benadrukt graag hoe het met de verschrikkingen van de slavernij wel meeviel. Zo schreef hij in Trouw dat tot slaaf gemaakte vrouwen weliswaar werden verkracht, maar dat plantagedirecteuren dat wel ‘terughoudend‘ deden omdat ze geen conflict wilden riskeren. ‘Om winst te maken was een goede verhouding tussen het management en de slaven essentieel’, aldus Emmer. Het was een kwestie van ‘geven en nemen’. In een Volkskrant-interview vond hij als slaaf weggevoerd worden op veel vlakken vergelijkbaar met vrijwillig verhuizen, al gaf hij toe dat het ‘geen prettige manier was om weg te gaan’. NOS-verslaggever Gerri Eickhof noemde hem een ‘racistische professor’. Dat leek mij fair.

Emmer zag dat anders. ‘Het woord ‘racist’ is een ernstige aantijging, die de beschuldigde monddood maakt en uit onze maatschappij verbant.’ En dat is precies wat Eickhof hem heeft aangedaan, vindt hij.

De historicus staat in dit monddooddenken niet alleen. Zo schreef hoofdredacteur Pieter Klok, nadat een twitteraar een column van Max Pam racistisch had genoemd, dat ‘het gebruik van het woord ‘racisme’ of ‘racist’ ook een risico kent. Door een column als racistisch te kwalificeren, zeg je in wezen dat die nooit geschreven of gepubliceerd had mogen worden. Wie nog verder gaat en iemand een racist noemt, ontneemt hem definitief het spreekrecht.’

Ik vraag het me af. Max Pam schrijft nog steeds zijn stukjes, en Emmer was precies zo erg uit de maatschappij verbannen dat een landelijk dagblad een halve pagina voor hem inruimde.

Ik zie wel iets anders gebeuren: de wens om vooral niemand van racisme te betichten, leidt tot eigenaardige gedachtekronkels. Zo berichtte de NRC over wijdverbreid institutioneel racisme in Nederland. Het is bar en boos, maar toch benadrukken de auteurs dat ze niemand een racist willen noemen. Want: racisme slaat op een overtuiging, een motief, en zulks is lastig te achterhalen, ‘behalve misschien bij rechts-extremisten’. Zelfs militairen die een collega van kleur aanmoedigden om ‘terug te gaan naar je apenrots’ kregen het predikaat niet. Zo ontstaat een zeer wonderlijk beeld van de wereld, waarin racisme overal voorkomt, maar niemand een racist is.

Het klopt natuurlijk dat je niet in andermens hoofd kunt kijken. Maar laten we niet doen alsof de woorden die mensen kiezen geen verband houden met de vooroordelen die ze hebben. Neem Emmer. Hij kiest ervoor om sommige feiten te benadrukken en andere niet. Hij kiest ervoor om de slavernijgeschiedenis door de ogen van witte Europeanen te bekijken en niet door de ogen van tot slaaf gemaakten. Die keuzes kleuren zijn betoog. Ik vind zijn betoog racistisch.

En ik vind het belangrijk om dat dan ook te zeggen. Dit is een morele afweging. Je kunt ervoor kiezen om mensen in principe niet van racisme te betichten, omdat je de beschuldiging te zwaar vindt. Of om je pas uit te spreken als het echt alle spuigaten uitloopt, met gepraat over omvolking en dergelijke. Maar als we dat allemaal zouden doen, wat voor maatschappij creëren we dan?

Er is ook een andere afweging mogelijk: dat je besluit om racisme altijd te benoemen als je het meent te zien. Oprecht, niet lichtzinnig, maar ook zonder een bijna strafrechtsbestendige bewijslast te verlangen. Bijvoorbeeld omdat onze samenleving beter wordt als we ook het sluipende, schielijke, halfbewuste, zogenaamd-genuanceerde, verborgen-achter-het-quasi-redelijke racisme aanwijzen en de openheid insleuren.

Of omdat Clarice Gargard gelijk had toen ze in haar NRC-column schreef dat de lasten van het vechten tegen onrechtvaardigheid niet bij enkelen moeten liggen, maar bij ons allemaal. Of omdat racisme voor mensen van kleur geen zaak is van een gekneusd ego of een gedeukt imago, maar een bedreiging vormt voor hun veiligheid, hun gezondheid, de kansen van hun kinderen en soms hun levens. Of omdat één ding sowieso erger is dan een racist genoemd worden: racisme.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Ik hoorde het mezelf zeggen: ‘Het is gênant en oneervol dat we Zwarte Piet niet allang hebben afgeschaft.’ En vervolgens verbaasde ik me over mijn eigen woordkeuze. Oneervol? Is dat niet een superantiek begrip? Wat is ‘eer’ eigenlijk? Wie heeft het, wie komt het toe? Hebben we er iets aan?

Dit is wat ik zou willen dat eer is: een drijfveer om het goede te doen, niet voor jezelf, zonder er iets voor terug te verwachten, zelfs als het je iets kost, omdat je je eraan gehouden voelt om een goed mens te zijn. Ik zou willen dat eer een deugd is die het beste in ons naar boven haalt: moed, toewijding, solidariteit, compassie, onbaatzuchtigheid.

Eigenschappen die ik bij veel witte mensen, zeker die uit het gematigde midden, mis in wat ‘het racismedebat’ is gaan heten.

Ik realiseer me dat ik hiermee een rooskleurige invulling geef aan het begrip ‘eer’. Misschien maak ik er zelfs iets van dat het nooit is geweest. Eer is van oudsher bijvoorbeeld hopeloos verknoopt met klasse; dat ‘eervol’ als bijna-synoniemen ‘nobel’ en ‘ridderlijk’ heeft, zegt veel. Eer was historisch gezien iets voor rijke, witte mannen, niet voor armen of mensen van kleur. Voor vrouwen draait eer traditioneel vooral om de vraag of je je knieën netjes bij elkaar houdt; eer gaat over je vagina, niet over morele verheffing. Eer bestaat bovendien vanouds bij gratie van de eerloosheid van anderen: mannen hebben eer ten koste van vrouwen, rijken ten koste van armen, witte mensen ten korte van mensen van kleur.

Eer is gedoopt in bloed en pijn.

In 1621 liet Jan Pieterszoon Coen bijna 15.000 Bandanezen afslachten. Toen hij na deze volkerenmoord thuiskwam, werd hem eer bewezen: hij kreeg een koekje van de stadhouder, en later een standbeeld in Hoorn, een filegevoelige tunnel en een kek nisje op de hoek van de Beurs van Berlage. ‘Dispereert niet’, staat er op die laatste gebeiteld. Maar als we nog steeds genocideplegers eren, en niet vanzelfsprekend van hun voetstuk halen, is enige wanhoop niet misplaatst.

Ik ben op zoek naar een vorm van eer die beter is dan de eer die stinkt naar bloed en uitsluiting en dood. Ik zoek hiernaar, omdat ik vrees dat empathie niet genoeg is.

De afgelopen weken deelden mensen van kleur uitgebreid hun pijn en onderdrukking. Ze vertelden hoe ze als kind ‘kankerzwart’ waren genoemd. Hoe hun gezin bedreigd wordt door schoften die ze voor ‘vieze zwarte aap’ uitmaken.

‘Het stille midden bereik je niet met woorden. Ze willen je zien lijden voordat ze jou geloven’, schreef Jerry Afriyie in OneWorld. Maar hoeveel lijden moet worden getoond voor gematigde witte mensen veranderen? ‘Ik snap de pijn’, zei onze premier over Zwarte Piet, maar hij wilde het geen racisme noemen. Een koor van witte middenmensen zong na de Black Lives Matter-protesten het vertrouwde deuntje: we moeten niet zo hard tegenover elkaar staan, dat is niet vruchtbaar, moet het nou zo, met loopgravenstrijd en slachtofferschap, laten we verbinding zoeken, ‘denk niet wit, denk niet zwart, denk niet zwart-wit’, en sowieso is alle nadruk op kleur wel erg Amerikaans, overgewaaid giftig identiteitsdenken is het, wij zijn anders, een tolerant land, land van duizend meningen en nuchterheid, op dit hele kleine stukje aarde.

Ik zou willen dat eer dit is: dat je als gematigde witte, na de pijn van zwarte mensen te hebben aangehoord, de verantwoordelijkheid voor verbetering en rechtvaardigheid bij jezelf legt en niet bij hen. Dat eer een gesprek met jezelf is: ‘Oké, voor mij persoonlijk hoeft de strijd tegen racisme misschien niet zo, maar ik doe het toch, want als ik racisme verkeerd vind, dan is antiracisme juist, en dit gaat verder niet over mij.’ Eer als onbaatzuchtige solidariteit.

En dat deze eer zorgt voor empathie die verder gaat dan ‘ik snap de pijn, maar…’. Leslie Jamison schreef in een mooi essay in The Believer dat we empathie vaak zien als iets dat we spontaan voelen, of niet, en dat is dan dat. Maar empathie kan ook bestaan uit inspanning, uit werk, uit keuzes. ‘Soms geven we om een ander omdat we weten dat het zou moeten, of omdat het van ons gevraagd wordt, maar dit maakt onze bekommernis niet leeg.’ Ik geloof in werk, zegt Jamison. ‘Ik geloof in midden in de nacht wakker worden, je tas pakken, en je slechtste zelf verlaten voor je betere zelf.’

Ik kan me weinig eervollers voorstellen.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Er is een land waar ik zou willen wonen. Waar je niet moedig hoeft te zijn om van je democratische grondrechten gebruik te maken. Waar iedereen in vrijheid kan demonstreren, zonder geweld te vrezen.

Waar er geen tweederangsburgers zijn. Waar we nog weten dat democratie juist geen dictatuur van de meerderheid is, maar een manier om te zorgen dat we alle stemmen horen. Waar we onze dissidenten koesteren, omdat we de onschatbare waarde van het inhoudelijke meningsverschil erkennen. Waar we beseffen dat juist een samenleving waarin minderheden in alle veiligheid kritisch kunnen zijn een samenleving is die bloeit en vooruitgang kent.

Nederland is niet dat land. Nederland is het land de anti-racistische activisten van Kick Out Zwarte Piet (KOZP) tijdens een conferentie werden aangevallen door een knokploeg met zwaar vuurwerk en honkbalknuppels. Waar ruiten en auto’s sneuvelden, en we van geluk mogen spreken dat er geen doden en gewonden vielen. En waar mensen op twitter dan zo reageerden: ‘Dikke hulde voor deze bestormers.’ ‘Mooi zo. Schop onder de kont en het land uit.’ ‘Ze hadden ze dood moeten slaan die smerige werkschuwe parasieten.’

‘Het is een regelrechte aanval op wie wij als land zijn’, twitterde Jesse Klaver. Hanneke van der Werf, de Haagse fractievoorzitter van D66, vond het geweld ‘on-Nederlands’.

Maar is dat werkelijk zo? Nederland is ook het land waarin onderzoekers waarschuwen dat we het geweld tegen KOZP bloedserieus moeten nemen, omdat ze vrezen dat rechtse bewegingen inmiddels zo geradicaliseerd zijn dat ze ‘opzettelijk en gepland geweld gaan plegen’. Een gegronde vrees, lijkt het, want op sociale media zijn de bedreigingen niet van de lucht. Wil jij zaterdag tijdens de intocht in Den Haag vreedzaam demonstreren tegen Zwarte Piet? ‘Blijf weg uit onze stad, anders slaan we je kankerkop kapot.’

Desalniettemin liet het Haagse VVD-raadslid Judith Oudshoorn aan het AD weten te schrikken van het activisme van beide kanten. Burgemeester Remkes: ‘Ik zou gaarne een oproep doen: dat iedereen er in de aanloop naar aanstaande zaterdag goed van bewust is dat Sinterklaas een feest is, eigenlijk’ (mijn cursiefjes). Alsof je een groep antiracisten die rustig gebruik wil maken van een grondrecht evenzeer moet vrezen als een groep extreem-rechtse racisten die bereid is geweld te gebruiken.

Toch hoeft deze dwaallichterij misschien niet te verbazen. Want, zoals OneWorld-hoofdredacteur Seada Nourhussen twitterde, is Nederland ook het land waarin de autoriteiten de antiracisten keer op keer hebben tegengewerkt. Laten we niet vergeten dat het geweld tegen KOZP de eerste keren niet van extreem-rechts kwam, maar van de staat: in Dordrecht (2011), Gouda (2014) en Rotterdam (2016). Jarenlang bevestigden politie en bestuurders zo het beeld dat anti-Zwarte Piet-demonstranten ontzettend gevaarlijk waren. Nourhussen: ‘Waarom zouden racisten (…) zich niet gesterkt voelen om te doen waar ze zin in hebben? De machthebbers geven het voorbeeld.’

En zo werd Nederland het land waar mensen van kleur vaak alleen nog in angst gebruik kunnen maken van hun democratische grondrechten. BIJ1-bestuurslid Sandra Salome schreef op joop.nl dat ze zelfs overwoog om niet meer tegen Zwarte Piet te demonstreren. Toch zal ze bij de intocht zijn, ‘met trillende benen, een steen in mijn maag, net als heel veel anderen die daar naast mij staan. Het alternatief is namelijk nog beangstigender – extreem-rechts laten winnen, buigen voor geweld en accepteren dat je altijd een tweederangsburger zult blijven.’

Salome wil ‘iedereen, maar met name witte mensen, oproepen om tijdens de protesten aankomend weekend voor, naast en achter de vreedzame activisten te gaan staan. Hoe meer mensen er zijn, hoe veiliger het wordt.’ Ik zal aan haar oproep gehoor geven. En ik hoop dat velen dat zullen doen.

Want er is een land waar ik wil wonen. Waar niemand zwijgt uit angst. Waar mensen van kleur niet hoeven te vrezen als ze hun stem verheffen. Waar de stille witte mensen met een goed maar bang hart zich eindelijk uitspreken. Waar politici en bestuurders niet alleen garanderen dat activisten die opkomen voor mensenrechten de bescherming krijgen die ze nodig hebben, maar ook de steun die ze verdienen. Waar we samen opstaan tegen dreiging en geweld. En waar extreem-rechtse racisten nooit winnen, omdat hun bittere haat het altijd verliest van onze ontembare drang naar vrijheid, gelijkheid en solidariteit.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Het is woensdagavond, koud en donker, en op het plein voor het stadhuis in Deventer staan zo’n dertig Zwarte Pieten. Veel te vroeg, natuurlijk: Sinterklaas is nog niet eens in het land. Maar blijkbaar is de traditie dat er geen Sint en Pieten mogen rondlopen in een stad voordat de intocht is geweest er eentje waar wél aan gemorreld mag worden.

Het is voor de goede zaak, vinden de Zwarte Pieten. Zij, en nog een kleine honderd andere demonstranten, zijn van de actiegroep ‘Zonder Zwarte Piet geen Sinterklaas in Deventer’. Die werd twee weken geleden opgericht nadat de burgemeester en een wethouder aankondigden dat Zwarte Piet diende te verdwijnen. Gefaseerd moesten er roetveegpieten komen, anders zou de commissie die de intocht organiseert haar subsidie verliezen. Die commissie voelde zich overvallen, het landelijke Sint- en Pietengilde stond op haar achterste benen – ‘gemeentes drijven hun zin door met gemeenschapsgeld als chantagemiddel’ – , op facebook protesteerde een luid groepje Deventenaren met veel hoofdletters: ‘ZWARTE PIET BLIJFT ZWART’.

Dat leidde tot een zekere verslapping in de knieregio bij burgemeester en wethouder: die roetveegpieten hoefden toch maar niet. In plaats daarvan komt er een compromispiet, waarvan niet bekend wordt gemaakt hoe die eruit zal zien. Nu is in Deventer – mijn stad – iedereen ontevreden. De voorstanders van Zwarte Piet omdat ze vrezen dat hun geliefde racistische karikatuur gaat verdwijnen, de tegenstanders omdat je over racisme geen compromissen sluit, kom nou; dat de burgemeester het wilde ‘uitfaseren’ was al gênant genoeg.

En zo heeft de strijd voor het einde van Zwarte Piet de provincie bereikt. In het jaar dat het Sinterklaasjournaal, de landelijke intocht en de meeste grote steden eindelijk vrij zullen zijn van blackface, rommelt het in plaatsen als Deventer, Zoetermeer, Hengelo, Veenendaal.

Deventer is een verdeelde stad. In de rijkere buitenwijken stemt men bij verkiezingen hoofdzakelijk VVD, in de binnenstad GroenLinks. Daartussenin liggen de armere buurten, zoals de mijne, waar in 2017 de PVV en in 2019 het Forum voor Democratie de grootste werden. Even verdeeld zijn we over de pietenkwestie. De Stentor Deventer peilde ruim 12.000 stadsgenoten: van hen wil 55 procent dat Zwarte Piet zwart blijft, en 34 procent wil dat juist niet.

Aangezien niets Nederlands ons vreemd is, leidt deze verdeeldheid tot agressie bij sommige fans van Zwarte Piet. Wanneer ik me, als bezorgde burger, online en bij de raadsvergadering uitspreek tegen Zwarte Piet, krijg ik te horen dat ik moet oprotten. ‘Ga terug van waar je vandaan komt en ga geen onrust stoken hier in het traditionele deventer’ (sic). ‘Zei moet heel snel in een puinzak op de boot worden gezet naar de kannibalen dan hebben ze een heerlijke maaltijd’ (ook sic). ‘Die ten Broeke moeten ze ook met pek en veren de stad uit jagen.’

Deze gezelligheid komt van leden van dezelfde actiegroep die demonstreerde voor het stadhuis. Op hun facebookpagina heet het college van B&W ‘de D66-Groenlinkskongsi die Zwarte Piet wil liquideren’. Er is zelfs enige bereidheid om, kinderen-be-damned, het hele Sinterklaasfeest in gijzeling te nemen; het bericht dat de Veenendaalse Sint weigert mee te doen aan een intocht met roetveegpieten wordt enthousiast onthaald. ‘Top dat moet elke Sinterklaas doen.’ ‘Juist! Poot stijf houden!’ Elders: ‘Maak je geen zorgen in Deventer blijft het zwart of helemaal niet.’

Ik hoor dat zelfs op een basisschool de gemoederen hoog oplopen. In groep acht ondervragen de kinderen van fanatieke Zwarte Piet-aanhangers hun klasgenoten: ‘Ben je voor of tegen? Zeg op! Want als je tegen Zwarte Piet bent, kan ik je niet vertrouwen.’

Het is pijnlijk ironisch dat ze juist op deze school alweer een paar jaar Sinterklaas vieren zonder Zwarte Piet – tot ieders tevredenheid. Zelfs een vader die kort daarvoor nog had geroepen dat ‘die buitenlanders met hun gore poten van ons kinderfeest moeten afblijven’, stond lachend te zingen en klappen toen de regenboog- en roetveegpieten de school binnenliepen.

Zo kan het altijd zijn, denk ik. Niets maakt een racistische traditie zo snel betekenisloos als de aanblik van opgetogen kinderen die buiten met rode wangetjes van de kou en de pret naar roetveegpieten zwaaien. Er zullen weer gewoon liedjes zijn, en pepernoten, en cadeautjes in de schoen. Er zal geen blackface zijn, maar een vrolijk feest voor alle kinderen. En ook de provincie zal zien dat het goed is.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Ik moet bekennen dat ik de laatste paar jaar erg teleurgesteld ben in de gematigde witte’, schreef Martin Luther King meer dan vijftig jaar geleden in een brief vanuit de gevangenis in Birmingham.

‘Ik ben bijna tot de betreurenswaardige conclusie gekomen dat het grote struikelblok voor de Negro op zijn weg naar vrijheid niet de (…) Ku Klux Klanner is, maar de gematigde witte, die meer verknocht is aan ‘orde’ dan aan rechtvaardigheid; die liever een negatieve vrede heeft die door de afwezigheid van spanning gevormd wordt dan een positieve vrede die in rechtvaardigheid bestaat’.

Vrijheid, orde, spanning, rechtvaardigheid: ik moest denken aan dit citaat terwijl ik door de nasleep bladerde van Mona Eltahawy’s weigering om te komen spreken in De Balie. Reden van de weigering was een debat in 2017, waarin niet alleen door iemand uit het publiek maar ook door genodigde Paul Cliteur en de discussieleider rustig en serieus was gesproken over de deportatie van moslims.

‘Een ontmenselijking van moslims’, verklaarde Eltahawy op twitter. Ze bracht in herinnering hoe een aanhanger van zulk gedachtegoed de moskee van haar broer in brand had gestoken. ‘Voor mij is dit geen theoretisch debat. Dit gaat over mij, mijn familie en mijn mede-moslims’. Bij de onvolprezen podcast Dipsaus vertelde ze hoe ze is gearresteerd, seksueel misbruikt en bedreigd; en dan verwachten witte mannen die zelf niets te verliezen hebben dat ze met hen over haar menselijkheid komt debatteren? ‘Fuck you.’

Diverse gematigde meningmensen riepen haar tot de orde. ‘Zo gaat dat nou eenmaal in een democratie’, schreef Max Pam in het Parool over die deportatiediscussie. Paul Brill verweet haar in hetzelfde stuk het veroorzaken van spanning: ‘.. ongedwongen meningsvorming verdwijnt in een wolk van identiteitspolitiek.’ Thijs Broer, in Vrij Nederland: ‘Niet alleen schreeuwen, ook zwijgen belemmert het vrije debat.’

Het is een wonderlijk gematigd reflex: je drukker maken over dat alles gezegd mag worden dan over wat er precies wordt gezegd. Het vrije woord moet ten koste van alles en iedereen worden verdedigd, ook als het geen moment in gevaar is. Volgens Balie-baas Yoeri Albrecht houd je zo zelfs de samenleving bij elkaar. ‘Wat ik belangrijk vind, is het helende licht van de rede en fysieke nabijheid. Daarom vind ik dat we vooral bij elkaar moeten komen om met elkaar te praten en elkaar te begrijpen’, zei hij in de Volkskrant.

Dat klinkt prachtig, maar is het redelijk om van moslims te verwachten dat ze naar je debatcentrum komen om met mensen te praten die hen willen deporteren? Is het helend om van mensen van kleur te vragen of ze racisten proberen te begrijpen? Is het fair om Eltahawy te verwijten dat ze geen lezing wil geven op een plek waar haar menselijkheid in twijfel is getrokken? Is het aan degenen die geen racisme of moslimhaat hoeven vrezen om vanuit die veilige positie voor nabijheid te pleiten? Hoe ver wil je gaan in je toewijding aan een negatieve vrede?

In zijn Birmingham-brief, die iedereen trouwens helemaal zou moeten lezen, schrijft King: ‘Ik had gehoopt dat de gematigde witte zou begrijpen dat de hedendaagse spanning in het Zuiden een noodzakelijke fase is in de overgang van een schadelijke negatieve vrede, waarin de Negro passief zijn onrechtvaardige situatie aanvaardde, naar een wezenlijke positieve vrede, waarin alle mensen de waardigheid en waarde van de menselijke persoonlijkheid zullen eerbiedigen. Eigenlijk zijn wij (..) niet degenen die de spanning creëren. We brengen alleen maar de al bestaande, verborgen spanning aan de oppervlakte. We leggen haar bloot, waar ze gezien kan worden en waar er wat mee gedaan kan worden.’

Volgens King zal deze geweldloze spanning ‘een samenleving creëren die de mens zal helpen zich te verheffen uit de donkere diepten van vooroordeel en racisme naar de majestueuze hoogten van begrip en broederschap.’ Het was en is een prachtige droom, maar nog geen realiteit.

En laat me daarom nog dit schrijven. Het vrije woord is een groot goed. Mocht het ooit bedreigd worden, dan zal ik het te pen en te zwaard verdedigen. Maar broederschap is zeker even waardevol, en ik vrees dat die waarde momenteel meer gevaar loopt. Niet alleen door fascisten, racisten en ander gespuis, maar ook door het gematigde midden, waar men liever de orde bewaakt en de spanning sust dan dat men streeft naar solidariteit en rechtvaardigheid.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Een keurslijf, noemde een collega het laatst: al die politieke correctheid, het geklooi met genderneutrale voornaamwoorden, de toenemende druk om in boeken, films en series te zorgen dat allerlei mensen gerepresenteerd zijn, en dus niet hoofdzakelijk witte mannen en soms een witte vrouw.

Een dwangbuis, vond hij het. Een verhaal waarin een schrijver met opzet zorgt dat de personages niet allemaal wit, meestal-man, hetero, cis, zonder beperking en monogaam zijn, dat kan niet anders dan een geforceerde geschiedenis worden. Een moeizame en kunstmatige vertelling zal het zijn, een knieval van de kunsten voor de morele chantage van een kleine groep gemarginaliseerde mensen, het resultaat onleesbaar of onkijkbaar voor iedereen, behalve voor de meest vastberaden social justice warrior.

Mijn collega is niet de enige die er zo over denkt. Het is hip om je te verzetten tegen de ‘censuur van de gekwetste minderheid’, om filosoof Sebastien Valkenberg te citeren. Zelfs feministisch ex-boegbeeld Fay Weldon deed in een Volkskrant-interview een duit in dat zakje. In een gesprek over trans mensen vertelde ze dat ze de aandacht voor mensen die ‘zeggen dat ze zielig zijn’ om ‘aandacht en begrip’ te krijgen, ziet als een vorm van ‘pure tirannie’. ‘Onze samenleving doet denken aan de oude Sovjet-Unie’, zei ze. ‘Voor een dwarse opinie word je misschien niet naar de goelag gestuurd, maar wel wordt je elke mogelijkheid ontnomen om nog ergens je mening te geven.’ (Als antwoord daarop schreef ze een buitengewoon transfoob boek, dat gewoon wereldwijd werd uitgegeven.)

Weldon stinkt in een valse tegenstelling: die tussen de vrijheid om te zeggen wat je wilt aan de ene kant, en politiek correctheid aan de andere kant. Maar de twee zijn niet elkaars antithese. Meer aandacht voor inclusiviteit en representatie zorgt er niet voor dat een schrijver niets meer mag zeggen, maar juist dat die meer kan vertellen.

Zo las ik afgelopen december de Broken Earth-trilogie (vertaald als De gebroken aarde) van N.K. Jemisin. De hoofdpersoon is, net als de schrijfster, een vrouw van kleur; de andere vertellers zijn dat eveneens, of zijn genderneutraal. Veel karakters blijken trans, bi, homo, lesbisch of polyamoreus te zijn, of een beperking te hebben. Vaak zijn ze dat terloops, bijna achteloos; gender, beperkingen en seksualiteit zijn geen redenen om tot het in de literatuur zo vaak aanwezige cliché van de ‘innerlijke strijd met het anders-zijn’ te vervallen; er is geen belegen identiteitsworsteling als Leitmotiv. In plaats daarvan krijgt de lezer een weergaloos, intens, gelaagd, maatschappijkritisch en tegelijkertijd bloedstollend verhaal voorgeschoteld over het einde van de wereld.

In de jaren zeventig schreven twee wetenschappers: ‘Representatie in de fictiewereld betekent dat je sociaal bestaat; afwezigheid betekent symbolische vernietiging.’ Het is geen tirannie om te willen bestaan. Het is niet geforceerd om een wereld te scheppen waarin iedereen zich kan herkennen. Inclusiviteit is geen keurslijf. Het is rijkdom.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.