dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Middenin de coronacrisis viel er een kwartje: landen met een vrouw als leider deden het veel beter dan landen met een man aan het hoofd. ‘Kijk maar naar IJsland, Noorwegen, Duitsland, Nieuw-Zeeland en Taiwan’, schreef de NRC. Er was lof voor Angela Merckels testbeleid, voor de kinderpersconferentie van de Noorse premier Erna Solberg. Jacinda Ardern, eindbaas van Nieuw-Zeeland, leverde niet alleen salaris in, ze wist het aantal coronadoden ook tot een handvol te beperken. Net als haar collega Tsai Ing-wen in Taiwan; het enige Aziatische land dat – in elk geval op het moment dat ik dit schrijf, half mei – geen fikse tweede golf aan besmettingen heeft gekend.

‘Nogal een verschil met de Britse leider Boris Johnson’, constateerde de NRC. Over de Amerikaanse president Trump kunnen we beter helemaal zwijgen. En hoewel Rutte er in Nederland niet zo’n potje van maakt als daar, gaat het ook hier niet echt fantastisch. Dit is nu de tussenstand: in verpleeghuizen sterven talloze ouderen omdat het personeel achteraan moest staan toen de tests en beschermingsmiddelen werden verdeeld, het mondkapjesbeleid lijkt dronken, het testbeleid stoned, en het contactonderzoek is even plassen.

Zou een vrouwelijke premier dat beter doen? En, misschien interessanter, waarom dan?

Het is verleidelijk om terug te grijpen op de vrouwelijke natuur. Je zou kunnen claimen dat vrouwen ‘van nature’ zorgzamer zijn, empathischer ook, dat ze kunnen beter luisteren. Het toeval wil dat ik momenteel aan mijn dochters Thea Beckmans boek Kinderen van Moeder Aarde voorlees. Daarin vertelt Beckman het verhaal van Thule, een land dat na een verwoestende atoomoorlog onder de ijskap van Groenland tevoorschijn is gekomen. In de volksverhalen die de Thulenen vertellen over die verwoesting krijgen de mannen de schuld: het was hun hebzucht, hun blinde focus op macht en geld, die ooit tot de grote vernietiging heeft geleid. Daarom mogen mannen in Thule niet besturen of leiden. Dat is voorbehouden aan vrouwen, want die hebben van nature een superieure intuïtie, een noodzakelijke zachtheid en een grotere verbondenheid met de aarde.

Maar deze kijk op de vrouwelijke natuur is kullebul. De reden van dat vrouwelijke leiders het zo goed doen tijdens de coronacrisis is veel prozaïscher. Zoals hoogleraar Janka Stoker het uitlegde in de NRC: vrouwen als Ardern en Tsai zijn waarschijnlijk gewoon beter. Om allerhande seksistische redenen kent de weg naar de top voor vrouwen zoveel hindernissen dat alleen de allerbesten slagen, terwijl er bij de mannen regelmatig een uiterst middelmatig heerschap tussendoor sijpelt. En ja, die steengoede vrouwen zijn, net als alle vrouwen in onze samenleving, natuurlijk wel gesocialiseerd om meer mee te leven, beter te luisteren, enzovoorts.

En laat me dit zeggen: ik teken ervoor. Voor leiders met meer zachtheid en meer empathie. Of, zoals in Thule, voor een land waarin al het bezit van iedereen is en bescherming van de wildernis en de natuur belangrijker is dan winst of macht. Liever vandaag dan morgen.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Het blijft me verbazen dat er feministen bestaan die niet solidair zijn met sekswerkers. Vaak mopperen ze wat over ‘menselijke waardigheid’ en ‘dat wil je ook niet voor je dochter’, om zich vervolgens af te keren van een groep (niet uitsluitend maar wel vooral) vrouwen die strijden voor hun recht om echt helemaal zelf te mogen beschikken over hun lichaam. Wat dan weer een recht is dat ik mijn dochters juist zeer gun, en dat toch ook beslist bijdraagt aan die menselijke waardigheid. Waarmee dit gebrek aan solidariteit tegenstrijdig is met zichzelf – u snapt mijn verwarring.

Ik begin hierover omdat juist nu sekswerkers wel wat feministische saamhorigheid kunnen gebruiken. Er ligt namelijk een wetsvoorstel klaar die de branche wil ‘reguleren’, wat erop neerkomt dat sekswerkers verplicht een vergunning moeten aanvragen bij een ambtenaar van de gemeente. Die moet dan in een gesprek bepalen of je wel zelfredzaam genoeg bent en of je niet stiekem gedwongen wordt. De sekswerkers die zo’n vergunning bemachtigen, komen met een nummer in een register. Dat nummer moeten ze ook gebruiken als ze adverteren. Wie niet in zo’n register wil, riskeert hoge boetes, celstraffen voor klanten, huisuitzetting, dat je boekhouder wordt aangemerkt als pooier, en verder nog wat hel en verdoemenis assorti.

Misschien komt het doordat ik in de herfstvakantie Margaret Atwoods The handmaid’s tale herlas,
maar ik dacht nou niet direct: een registratieplicht voor sekswerkers, wat een jofel plan. Dat zal natuurlijk gegarandeerd helemaal nooit leiden tot leed, privacyschendingen, chantage of de zorg dat op een dag alle sekswerkers collectief bestraft zullen worden als er een extreem-rechtse en/of ultra-conservatieve regering aan de macht komt.

Ik realiseer me dat dit laatste in onze rechtstaat wel erg dystopisch klinkt, maar laten we wel wezen: het is niet alsof registers nooit eerder tegen burgers zijn gebruikt. Bovendien blijf ik maar denken aan wat de vrouwen in The handmaid’s tale zeiden nadat de superorthodoxe republiek Gilead ze had onteigend, gearresteerd en ontdaan van elke vorm van zelfbeschikking: we dachten dat zoiets hier niet zou kunnen gebeuren, dat we beschermd waren – totdat het te laat was.

Het zijn woorden om ter harte te nemen, zeker nu de conservatieve wind aantrekt. De anti-sekswerkerswet is hier een kanarie-in-de-kolenmijn. Nog wat kanaries: de anti-abortuslobby wordt steeds invloedrijker, Thierry Baudet sprak zich eerder dit jaar uit tegen abortus, Siriz (fan van de bescherming van het ongeboren kind) behield subsidie voor ‘neutrale abortushulp’.

We bewegen niet langer richting meer vrijheid en zelfbeschikking voor vrouwen. Integendeel: er komen wetten, regels en besluiten bij die vrouwen beperken als ze met hun lichaam dingen willen doen die niet passen bij wat een vrouw volgens het patriarchaat idealiter moet zijn: eerst een maagd, dan een moeder.

Ik denk dat alle feministen het erover eens kunnen zijn dat we onmiddellijk de andere kant op moeten: niet mopperend, niet lopend, maar rennend, en met alle solidariteit die we kunnen vinden.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Een ‘beroepsdrammer’, noemde een Boze Man me in zijn mail. Ik denk niet dat hij het vriendelijk bedoelde, want vlak daarvoor had hij enkele onvleiende opmerkingen over mijn moeder gemaakt, met name over haar beslissing om mij niet te laten aborteren.

Nu is het levensvreugde-technisch onverstandig om lang stil te staan bij hatelijke berichten, maar het woord ‘beroepsdrammer’ fascineerde me. Volgens de Van Dale betekent ‘drammen’ hetzelfde als ‘doorzeuren’, maar het krijgt een extra betekenislaag doordat het een woord is dat vrijwel uitsluitend voor kinderen en vrouwen wordt gebruikt. Volwassen mannen drammen zelden of nooit. Zij agenderen, uiten hun mening of maken een punt. Misschien tot stier-fucking-vervelens toe, maar zelfs dan drammen ze niet.

Zo bekeken is ‘drammen’ zeer verwant aan ‘bazig’: ook dat woord is exclusief voorbehouden aan meisjes en vrouwen. Jongens en mannen zijn gewoon de baas.

Zowel in ‘drammen’ als ‘bazig’ ligt bovendien afkeuring besloten: een dame wordt niet geacht zich zo te gedragen. Ze hoort niet fanatiek op haar leiderschap of achter haar mening te blijven staan, ze dient aardig en bescheiden te zijn. Ze mag niet al te moeilijk te doen, maar moet wat haar gegeven wordt in dankbaarheid te ontvangen.

Zelf heb ik een grote liefde voor drammende vrouwen. Want, zoals historica Laurel Thatcher Ulrich schreef: ‘Well behaved women seldom make history.’

Neem Joke Smit. Al in haar essay Het onbehagen van de vrouw in 1967 pleitte ze voor ‘een ongenuanceerd feminisme’. Het was één van de vonken die de motor van de tweede feministische golf startte. Maar Smit bleef ontevreden. En terecht, lijkt me: de strijd van vrouwen voor een volwaardig bestaan met zinvol werk en maatschappelijke invloed, voor een leven dat niet draait om man en kinderen, was nog niet gestreden. Toch schreef de Volkskrant in een terugblik op haar leven: ‘Haar onbehagen ging over in verontwaardiging.’ En natuurlijk viel het d-woord: ‘Ze radicaliseerde, werd drammerig, op het obsessieve af.’

Of neem Susan Sontag, de inmiddels overleden schrijfster van essays en boeken die decennia later nog steeds relevant zijn, zoals Illness as metaphor. In een Aeon-essay over haar leven noemt Lauren Elkin haar moeilijk en onbuigzaam. ‘Sontag had geen tijd om de valse nederigheid te vertonen waartoe vrouwen geconditioneerd worden’, schrijft ze. Sontag was messcherp, bijzonder slim, meedogenloos, tegendraads en lastig. Het was ondenkbaar voor haar om zich niet uit te spreken, ongeacht hoe onpopulair dit haar maakte.

Dat is hoe een vrouw aan het etiket ‘drammer’ komt, overweeg ik. Wanneer ze blijft rebelleren, ook als de goegemeente het nu wel welletjes vinden. Wanneer ze die haar eigen meningen en analyses zo hoog aanslaat dat ze ze blijft verkondigen, ook als bijna niemand het meer horen wil. Wanneer ze zichzelf zo serieus neemt dat het haar niet kan schelen of ze aardig gevonden wordt.

Misschien moet ik de Boze Man terugmailen. ‘U noemde me beroepsdrammer. Bedankt voor het compliment.’

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Wanneer de mannen voetballen, kleuren alle straten hier oranje met rood-wit-blauw. Maar nu was ons huis als enige in de wijk versierd met vlaggetjes. ‘Hup Holland Hup’, stond erop, en een leeuwin in zwart profiel.

Het was een heerlijk wereldkampioenschap, met prachtige vrouwen: gespierd, sterk, spelend voor de male gaze van niemand, maar wel voor hun team, zichzelf en het genot van hun eigen snelheid en kracht. En toch waren veel mannen zuur: ‘Dit telt nauwelijks als voetbal.’ Een andere meneer twitterde: ‘Troela’s zijn te slap en traag om te voetballen’, met een verwijzing naar ‘de natuur’ en ‘evolutie’.

Zou het? Vlak na het WK las ik een Medium-artikel van wetenschapsjournalist Starre Julia Vartan, over fysieke kracht. De ‘iedereen weet toch’ is dat mannen veel sterker zijn dan vrouwen, zeker op atletisch gebied. Maar, schrijft Vartan, de cijfers laten wat anders zien.

Neem hardlopen. Mannen zijn weliswaar op kortere afstanden sneller, maar vanaf, zeg, een kilometer of 65 beginnen vrouwen het te winnen. Zo was het een vrouw die de Moab 240 won, een race van ruim 380 kilometer langs de Colorado River. En niet met een kleine marge: de nummer twee, een man, finishte tien uur later.

Waarschijnlijk komt dit doordat vrouwenspieren weliswaar kleiner zijn, maar vezels hebben die veel langer belastbaar zijn. Bovendien is hun stofwisseling efficiënter bij lange inspanning, en zorgt hun vetweefsel voor extra brandstof. Ook bezorgt pijn vrouwen minder stress. Tijdens de natte en ijskoude Boston Marathon van 2018 viel slechts 12 procent van de vrouwen uit, tegen 80 procent van de mannen, meldt Varan.

Over marathons gesproken: ook daar lopen vrouwen in. De toptijd voor een marathon is bij de mannen sinds 1976 maar een kleine 3 procent sneller geworden. Maar vrouwen verbeterden zich met ruim 14 procent, en komen dus snel dichterbij de tijd van de heren.

Wat daarbij van belang is, is dat de eerste vrouw pas in 1971 de Boston Marathon mocht lopen; mannen startten al in 1897. Dit doet ertoe, schrijft Vartan. Omdat veel sporten al veel langer door mannen worden beoefend, zijn er meer jongens die ermee beginnen, en kan er dus talent gevist worden uit een grotere vijver, waardoor het niveau aan de top hoger komt te liggen. Dit laatste is bij voetbal absoluut het geval: het eerste mannen-WK werd gespeeld in 1930, het eerste vrouwen-WK in 1991.

Het leuke is dat juist door zo’n fijn WK steeds meer meisjes gaan voetballen. In Barcelona spelen er inmiddels al zoveel jongedames dat de voetbalbond besloten heeft om de meiden van onder de 14 gewoon tegen de jongens te laten spelen. Die extra uitdaging maakte de meisjes nog beter. Om precies te zijn: ze verpletterden de jongens.

Geef ons een jaar of tien, vijftien, wil ik graag tegen de zure meneren zeggen. Dan zijn de voetbalvrouwen niet alleen heerlijk en prachtig; dan zijn ze beter dan de mannen. En wat een genot zal dat zijn.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

In mijn werkkamer hangt een citaat van fantasy-schrijver Daniel José Older: ‘Schrijven begint met vergiffenis.’ De persoon die je moet vergeven, ben je zelf. ‘Dit is wat meer mensen van schrijven weerhoudt dan wat dan ook: schaamte’, stelt Older. ‘Dat zeurende gevoel van ‘zou moeten’, ‘had gemoeten’ en ‘als ik nou maar…’. Schaamte leeft in het lichaam, het verkrampt onze spieren wanneer we achter ons toetsenbord zitten.’ Maar schrijven zou een creatieve reis moeten zijn, vindt hij, geen oefening in zelfkastijding. Dus maakt hij er speciaal tijd voor. ‘Ik vergeef mezelf dat ik niet eerder ben gaan zitten om te schrijven, dat ik gisteren vrij heb genomen, dat ik mijn leven leef. Die schaamte? Ik laat het los.’

De schrijvers die dit loslaten het meest nodig hebben, zijn volgens Older degenen die niet hetero zijn, niet cis, niet zonder beperking of ziekte, geen witte man. Voor ons, betoogt hij, is het schrijfproces doordrongen van schaamte, het idee dat we hier niet horen, dat we het niet verdienen om onze stem te laten horen. ‘Niets zal een schrijver meer hinderen dan dit.’

Ik moest hieraan denken toen ik The Gendered Brain las, een nieuw boek van neurowetenschapper Gina Rippon. Hoewel ze het woord schaamte niet gebruikt, gaat ze uitgebreid in op die onzekerheid, terughoudendheid en verkramping – die niet alleen in je spieren maar ook in je brein blijkt te zitten.

Rippon beschrijft een onderzoek waarin vrouwen in een hersenscanner een ruimtelijk inzichtstest deden. Wanneer ze vooraf te horen kregen dat dit typisch iets is waar vrouwen goed in zijn, gebruikten ze breingebieden die te maken hebben met visueel-ruimtelijke verwerking. Maar wanneer vrouwen was gezegd dat dames hier normaliter slecht in zijn, hadden ze juist veel activiteit in de hersendelen die betrokken zijn bij vooral geen fouten maken. Ze scoorden gemiddeld ook minder goed op de test.

Iets vergelijkbaars zagen wetenschappers bij vrouwen die een wiskunde-opgave maakten. Na neutrale instructies gebruikten ze hun brein zoals gebruikelijk is bij het oplossen van algebraproblemen. Maar vrouwen die aan genderstereotypen waren herinnerd, gebruikten delen die we associëren met sociale en emotionele verwerking.

Ouderwetse stereotypen zijn een extra last voor het vrouwenbrein, concludeert Rippon. Waar je je anders met volle hersenpower kunt storten op weloverwogen logica, verspilt je brein nu denkkracht aan het bezweren van angst en onzekerheid. De hersenen zetten daarmee een rem op zichzelf; ze worden een soort ‘innerlijke begrenzer’, wat zich vaak vertaalt in een neiging tot terugtrekken of zwijgen. Een ervaring die vrouwen delen met mensen die tot een etnische of seksuele minderheid behoren, stelt Rippon.

In een meer literaire interpretatie van dit fenomeen citeert Older de schrijfster Anaïs Nin: ‘Schaamte is de leugen die iemand je over jezelf heeft verteld.’ Om daaraan toe te voegen: ‘Laat een leugen niet kloten met je flow.’ Dat is geen zuiver wetenschappelijke conclusie, maar wel een zeer waardevol advies.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Een tegeltjeswijsheid die men toeschrijft aan zowel Boeddha, Aristoteles, Jalal ad-Din Rumi als Abraham Lincoln stelt dat je, voor je spreekt, over drie dingen moet nadenken: is wat ik wil zeggen waar, is het noodzakelijk en is het aardig? Is het antwoord op een van deze vragen nee, dan kun je beter zwijgen.

Daar is natuurlijk wel wat op af te dingen. Als iets bijvoorbeeld waar is, en erg nodig gezegd moet worden, is enige maling aan het aardig-criterium aanbevolen (‘Wat je daar zegt, is racistisch, oom Jan’). En er zijn situaties waarin het noodzakelijk is om iets aardigs te zeggen, ook als het strikt gezien niet klopt (‘Je ziet er vandaag prachtig uit in je trouwjurk’). Maar over het algemeen zijn er slechtere vuistregels om te overpeinzen voor je je spuigat opentrekt.

Ik denk hier vaak aan wanneer mannen op twitter met mij proberen te discussiëren. Soms zijn het trollen; zij zeggen dingen die noch waar noch aardig noch noodzakelijk zijn (‘Sterf, kankerhoer, niemand wil je’). Hiermee omgaan is pijnlijk maar niet moeilijk; met iemand die je uitscheldt, hoef je niets.

Ingewikkelder vind ik mannen die niet echt onaardig zijn, maar wel met onware of niet-noodzakelijke reacties komen. Wat deze mannen gemeen hebben, is dat ze zich gedragen alsof ze recht hebben op stukjes van mij: op mijn tijd, mijn energie, mijn uitleg. Ik noem ze zuigers en ze komen in verschillende subtypen:

De mansplainer: geeft ongevraagd uitleg over iets waar je verstand van hebt, en raakt pedant-verbolgen dat je daar niet in superblij mee bent.

De Dunning-Kruger-man: mengt zich in discussies over complexe onderwerpen met onzinnige en ongeïnformeerde tweets, maar is zich zo volkomen onbewust van zijn eigen intellectuele middelmatigheid dat hij boos wordt als je geen serieus debat aangaat.

De ratio-man: wil overal ‘logisch’ en ‘feitelijk’ over discussiëren, en verlangt steeds onderbouwing met bronnen, maar vindt elk onderzoek of artikel dat niet in zijn ideologische straatje past ‘ondeugdelijk’.

De gewoon-bezorgd-man: geeft heus geen kritiek, maar is ongerust. Bekend figuur in het leven van dikke vrouwen: ‘Ik vind het reuze knap dat je van jezelf houdt, maar van obesitas ga je dood.’

De onderwijs-me-dan-man: gelooft maar half wat je vertelt over ongelijkheid en onderdrukking, maar zegt graag te willen leren en stelt je vervolgens twintig vragen die hij ook simpel had kunnen googelen.

De niet-alle-mannen-man: herkent zichzelf niet in kritiek op mannen, want vindt zichzelf een toffe, dus roept ‘niet alle mannen!’. Wil vaak ook een koekje voor het niet-zijn van een klojo.

Al deze mannen wil ik oproepen om het tegeltje van Boeddha & co ter harte te nemen. En voor de mannen die dan verontwaardigd denken: ‘Maar zo krijg je een wereld waarin mannen helemaal niets meer mogen zeggen!’ wil ik graag de heerlijke komiek Sofie Hagen citeren: ‘Yessss! Imagine! That’s the dream!’

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.