dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Een keurslijf, noemde een collega het laatst: al die politieke correctheid, het geklooi met genderneutrale voornaamwoorden, de toenemende druk om in boeken, films en series te zorgen dat allerlei mensen gerepresenteerd zijn, en dus niet hoofdzakelijk witte mannen en soms een witte vrouw.

Een dwangbuis, vond hij het. Een verhaal waarin een schrijver met opzet zorgt dat de personages niet allemaal wit, meestal-man, hetero, cis, zonder beperking en monogaam zijn, dat kan niet anders dan een geforceerde geschiedenis worden. Een moeizame en kunstmatige vertelling zal het zijn, een knieval van de kunsten voor de morele chantage van een kleine groep gemarginaliseerde mensen, het resultaat onleesbaar of onkijkbaar voor iedereen, behalve voor de meest vastberaden social justice warrior.

Mijn collega is niet de enige die er zo over denkt. Het is hip om je te verzetten tegen de ‘censuur van de gekwetste minderheid’, om filosoof Sebastien Valkenberg te citeren. Zelfs feministisch ex-boegbeeld Fay Weldon deed in een Volkskrant-interview een duit in dat zakje. In een gesprek over trans mensen vertelde ze dat ze de aandacht voor mensen die ‘zeggen dat ze zielig zijn’ om ‘aandacht en begrip’ te krijgen, ziet als een vorm van ‘pure tirannie’. ‘Onze samenleving doet denken aan de oude Sovjet-Unie’, zei ze. ‘Voor een dwarse opinie word je misschien niet naar de goelag gestuurd, maar wel wordt je elke mogelijkheid ontnomen om nog ergens je mening te geven.’ (Als antwoord daarop schreef ze een buitengewoon transfoob boek, dat gewoon wereldwijd werd uitgegeven.)

Weldon stinkt in een valse tegenstelling: die tussen de vrijheid om te zeggen wat je wilt aan de ene kant, en politiek correctheid aan de andere kant. Maar de twee zijn niet elkaars antithese. Meer aandacht voor inclusiviteit en representatie zorgt er niet voor dat een schrijver niets meer mag zeggen, maar juist dat die meer kan vertellen.

Zo las ik afgelopen december de Broken Earth-trilogie (vertaald als De gebroken aarde) van N.K. Jemisin. De hoofdpersoon is, net als de schrijfster, een vrouw van kleur; de andere vertellers zijn dat eveneens, of zijn genderneutraal. Veel karakters blijken trans, bi, homo, lesbisch of polyamoreus te zijn, of een beperking te hebben. Vaak zijn ze dat terloops, bijna achteloos; gender, beperkingen en seksualiteit zijn geen redenen om tot het in de literatuur zo vaak aanwezige cliché van de ‘innerlijke strijd met het anders-zijn’ te vervallen; er is geen belegen identiteitsworsteling als Leitmotiv. In plaats daarvan krijgt de lezer een weergaloos, intens, gelaagd, maatschappijkritisch en tegelijkertijd bloedstollend verhaal voorgeschoteld over het einde van de wereld.

In de jaren zeventig schreven twee wetenschappers: ‘Representatie in de fictiewereld betekent dat je sociaal bestaat; afwezigheid betekent symbolische vernietiging.’ Het is geen tirannie om te willen bestaan. Het is niet geforceerd om een wereld te scheppen waarin iedereen zich kan herkennen. Inclusiviteit is geen keurslijf. Het is rijkdom.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Geen verjaardagen vergeten. Zien dat je kind alweer is gegroeid en nieuwe broeken kopen. Je zieke schoonmoeder na een week vragen hoe het nu gaat. Niet alleen de namen van alle vriendjes van je kinderen onthouden, maar ook hun hobby’s en voedselallergieën. Het huis uitmesten en dingen die kapot of overbodig zijn wegdoen. Weten waar alle spullen die door een huishouden slingeren het beste opgeborgen kunnen worden, en ze daar tijdens het opruimen ook echt neerleggen in plaats van er een iets keuriger stapel van maken op een plek waar het net wat minder in de weg ligt.

Het zijn voorbeelden van ‘emotional labour’: de tijd en energie die met name vrouwen steken in het soepel laten lopen van het huishouden en relaties, en die veel mannen zo volkomen voor lief nemen dat ze het niet eens opmerken. Het is noodzakelijk maar ook onzichtbaar, ondankbaar en uitputtend werk, en draagt zodoende flink bij aan genderongelijkheid.

Ik moest hieraan denken toen een Volkskrant-redacteur me dit voorlegde: tijdens hun Oktober Opruim Challenge waren er vijfduizend mensen lid geworden van de bijbehorende facebookgroep. Slechts tien procent was man.

Schrijver Jan Heemskerk had wel een verklaring. ‘Mannen hebben een hogere rommeltolerantie.’ Bovendien hoefden vrouwen het toch maar te vragen, als ze iets opgeruimd wilden hebben. ‘Het is erg makkelijk om meer gedaan te krijgen van een man. Subtiele hints werken alleen niet. Cabaretier Roué Verveer had in zijn show een stukje over hoe hij steeds over de vuilniszak in de gang heen stapte, totdat zijn vrouw boos werd. Zij begreep niet dat hij niet doorhad dat die zak naar buiten moest. Vráág het gewoon.’

Dat is dan weer een treffend voorbeeld van wat striptekenaar Emma in de steengoede Guardian-comic You should’ve asked de ‘mentale last’ noemt. ‘Wanneer een man van zijn vrouw verlangt dat zij hem dingen vraagt, ziet hij haar als manager van het huishouden. Dus is het aan haar om te weten wat er gedaan moet worden en wanneer.’ Dit levert twee problemen op. Ten eerste is de verantwoordelijkheid en daarmee de stress van dit moeten-weten volstrekt eenzijdig verdeeld. En ten tweede is manager zijn op zichzelf een fulltime baan, terwijl mannen van vrouwen natuurlijk ook nog verwachten dat ze niet alleen managen maar ook minstens de helft van de klusjes zelf opknappen.

Veel mannen doen graag alsof hun huiselijke niet-zien een soort natuurwetenschappelijke wetmatigheid is: ze hebben er ‘nou eenmaal’ minder mee, vrouwen zijn er ‘van nature’ beter in. Ik betwijfel het. Om een vuilniszak buiten te zetten heb je geen bovenmannelijke superkrachten nodig: oogbollen en armen zijn voldoende. En verwachten deze mannen werkelijk dat ik geloof dat hun sekse wel ‘van nature’ megageschikt is om, zeg, een bedrijf met 10.000 werknemers te runnen, maar dat in de smiezen houden wanneer je kind nieuwe gympen nodig heeft ‘nou eenmaal’ een schier onmogelijke opgave is?

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Sinds kort weet ik dat Patty Brard een maagverkleinende operatie heeft ondergaan. Dit was geen kennis waar ik per se enorm op zat te wachten; ik ben geen fan. Want hoewel ik vrienden heb die erg tevreden zijn met hun maagverkleining, kan ik me er niet overheen zetten dat het ook een vorm van verminking is.

Een chirurg haalt een gezond orgaan grotendeels weg, om het maagstompje verderop aan je darmen te fabrieken. Nu kun je alleen nog muizenbeetjes eten, zodat je lichaam vervalt tot een soort post-operatieve hongersnood. Een ernstige ingreep, die toch niet zelden wordt omgeven door een lichtvaardigheid die me de kriebels geeft. Zo meldt een patiëntenfolder van het Franciscus Gasthuis: ‘Op termijn voelt u zich herboren, zoals de meeste mensen die u zijn voorgegaan.’ Alsof het gaat om een weekendje naar zee.

Brard is er evenwel zeer gelukkig mee, las ik in de Volkskrant Magazine. ‘Ik heb de ervaring van een 63-jarige in een lichaam dat ik jonger heb getoverd.’ Gevraagd naar de reden van haar bariatrische besluit noemt ze gezondheidsissues, maar de druppel was het moment dat ze bij een diner geen mooie kleren had om aan te doen. Ook was ze uitgemaakt voor zeekoe, en had een SBS-mevrouw haar als presentatrice afgeserveerd met de woorden: ‘Je bent niet fris & fruitig meer.’ Brard: ‘Wat ze eigenlijk zei: “Je bent te dik”.’

Het deed me denken aan het verhaal van de mede-maagverkleinende Sonja Silva. Voorheen was ze dik en, aldus een stuk in Vrouw, een ‘voormalig presentatrice’. Ze walgde van zichzelf, maar na de operatie is haar zelfvertrouwen terug en is ze gelukkig met haar spiegelbeeld. ‘Hier had ik jaren van gedroomd!’ Inmiddels is ze weer presentatrice, zonder het ‘voormalig’.

Iets hieraan zit me niet lekker. Dat zou natuurlijk aan mijn weerzin tegen die operatie kunnen liggen. Of het is dat ik me niet kan herinneren wanneer ik voor het laatst een zwaarlijvige presentatrice op tv zag. Of dat ik weet dat dikke vrouwen aanzienlijk minder verdienen dan hun slanke collega’s, terwijl dikke mannen geen salaris inleveren. Of dat sociologen dit verklaren vanuit het feit dat vrouwen veel meer op hun uiterlijk worden beoordeeld dan mannen, en dat de seksistische maatschappelijke norm bovendien voorschrijft dat ze klein zijn en weinig ruimte innemen. Of wellicht is het dat er ongeveer evenveel obese mannen als vrouwen zijn, maar dat uit diverse onderzoeken blijkt dat van alle mensen die een maagverkleinende operatie ondergaan er zo’n 80 procent vrouw is.

Ik krijg hier de behoefte van om ongemakkelijke vragen te stellen. Zoals: is een maagverkleining niet, veel meer dan artsen en patiënten willen toegeven, een cosmetische ingreep, waarbij gezondheid op zijn best bijvangst is, of misschien zelfs een smoes? En wat zegt het over onze samenleving als vrouwen bereid zijn om in hun organen te laten snijden, alleen of vooral om te voldoen aan een schoonheidsideaal?

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Pokkeprinsessen, noem ik ze altijd: die wezenloze Disney-schepsels die niets doen dan lieflijk en mooi zijn, tot op een dag hun ledige bestaan wordt verstoord door een oudere vrouw die wél macht heeft en niet bang is het te gebruiken, en dus vanzelfsprekend kwaadaardig is. De pokkeprinses wordt vervloekt, heeft hier niet van terug, en slachtoffert wat aan, totdat er een prins langshuppelt om haar te verlossen. Dan kan iedereen nog lang en gelukkig leven, behalve uiteraard de machtige tovenares, die moet sterven zodat alle vrouwen in het sprookjesrijk weer netjes tam en ondergeschikt zijn.

Het is een volkomen impotent format, waar Disney desalniettemin stinkend rijk van is geworden, omdat het bedrijf op een zeker moment besloot plaatjes van die pokkeprinsessen op voorwerpen van goedkoop roze plastic te drukken. Dat leverde een miljardenomzet op, maar geen feministische kudos.

Dat laatste zal ze misschien toch dwars hebben gezeten, want sinds een paar jaar brengt Disney, in samenwerking met Pixar, ook andere films uit. Films waarin de prinsessen stoer en zelfredzaam zijn, en het plot draait om solidariteit tussen vrouwen (Brave, Frozen), of waarin de hoofdpersoon zelfs helemaal geen prinses is, maar wel een halfgod in het rond commandeert terwijl ze eigenhandig een stokje steekt voor de naderende apocalyps (Vaiana).

Deze keuzes leidden bij verschijning onvermijdelijk tot ophef; de meeste feministen waren blij, de meeste boze mannen waren zuur, en op twitter en facebook loeide het dat het een lieve lust was. Maar bij de nieuwste feministisch-verantwoorde film van Disney-Pixar, Incredibles 2, bleven digitale volksopstootjes goeddeels uit. Er was slechts in de marge wat online gepruttel van levende macho-fossielen, en een paar krantenrecensies die met kalme tevredenheid opmerkten dat het toch heel aardig was dat er nu ook een feministische animatiefilm over superhelden was. En daar bleef het bij.

En dat terwijl de film van voor tot achter draait om vrouwen. Voor niet-ingewijden: de Incredibles zijn een familie – man, vrouw, tienerdochter, zoon en baby – met superkrachten. In de eerste film was de hoofdrol voor papa Incredible, maar de nieuwe film draait om de moeder, Elastigirl. Zij kan zichzelf op allerlei manieren uitrekken, en redt zo mensen in ontsporende treinen en op hol geslagen schepen. De schurk is ook een vrouw, en bovendien zeer technisch begaafd. En als Elastigirl in de penarie zit, is het haar dochter die het voortouw neemt. Tussen de bedrijven door is er ook nog een vergadering van honderd wereldleiders, aangevoerd door, jawel, een vrouw.

En al is Elastigirl soms een beetje cliché-ongerust omdat haar man in zijn eentje voor kinderen en huishouden zorgt terwijl zij haar heldendaden verricht, alle vrouwen in de film zijn onbeschaamd machtig, moedig, taai, onafhankelijk en initiatiefrijk. De mannen zijn hun sidekicks. Dit alles wordt gebracht als volkomen normaal en vanzelfsprekend. Er is geen pokkeprinses te zien, geen vrouw wordt getemd. Ik vind het geweldig.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Ik had het vooraf niet zo gepland, maar het toeval wil dat ik op de maandagochtend die ik heb ingeruimd voor het schrijven van deze column uitgebreid zit na te denken over het schaamhaar van Anne Fleur Dekker.

Aanleiding was een interview met haar in de Volkskrant Magazine. Daarin werd een eerdere uitspraak van haar aangehaald. ‘Unpopular opinion’, had ze getwitterd, ‘als ik mezelf vrouwelijk kleed, make up gebruik, me overal scheer en graag onderdanig ben in bed maakt me dat GEEN slechte feminist.’ In het interview voegde Dekker daaraan toe: ‘Toen ik mijn haar platinablond verfde, kreeg ik ook negatieve reacties uit linkse hoek. “Waarom wil je op een barbie lijken? Je houdt het schoonheidsideaal in stand!” Ik word gewoon niet gelukkig van een kaalgeknipt hoofd. Ik houd ook van winkelen en kleding. In die kringen ben je dan oppervlakkig en ijdel. Maar als een vrouw haar oksels niet scheert, wordt er geapplaudisseerd: wat goed dat je dat durft!’

Die uitspraken vind ik interessant. Ik denk dat ze gelijk heeft dat er in sommige kringen bewondering bestaat voor vrouwen die maling hebben aan mooi zijn. Om voor mezelf te spreken: ik heb veel respect voor alle vrouwen die zich verzetten tegen patriarchale verwachtingen, waaronder die van gladgeschoren, oncomfortabele, feminiene schoonheid.

Maar zulke achting is niet algemeen. Als iemand die al haar hele leven niet wil of kan voldoen aan de heersende standaarden – ik ben te dik, te harig, te chronisch ziek, te queer – weet ik wat de prijs is van uiterlijke ongehoorzaamheid: wildvreemden die zich met je lichaam komen bemoeien, openlijke afkeuring of zelfs agressie, geliefden die wel met je willen vrijen maar niet met je gezien willen worden, misgelopen carrièrekansen, discriminatie. Natuurlijk is het ook vervelend als je geen applaus krijgt of als mensen je een oppervlakkige feminist vinden, maar vergeef me, dat is niet helemaal hetzelfde.

Laat me duidelijk zijn: dit alles schept natuurlijk geen enkele plicht voor Dekker en andere vrouwen om zich ook lijfelijk te verzetten tegen schoonheidsidealen. Elke vrouw is baas over haar eigen lichaam, en het staat haar vrij om die agency te gebruiken om lippenstift te dragen, een jurkje te kopen en haar schaamlippen & co Braziliaans te laten waxen. Niemand heeft de taak om de strijd van anderen op haar lichaam te schrijven. Het leven is al ingewikkeld genoeg. En je gelukkig voelen in je eigen vel is ontzettend belangrijk. Als overal scheren daarbij helpt, dan is dat vast fijn.

Maar het is niet per se een rebelse daad. Er is geen bijzondere moed voor nodig om een vrijheid op te eisen die je al hebt, of om genoegen te scheppen in handelingen waarmee je je conformeert aan een heersende maatschappelijke norm. Dit maakt je geen slechte feminist, lijkt me, en ook geen goede, omdat het niet zozeer een standpunt of een daad is, als wel het ontbreken daarvan.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Kaas is het probleem. Vlees eet ik niet, koken met seizoensgroente omarm ik, water komt gewoon uit de kraan en niet uit een plastic flesje. Maar een stukje Goudse, zo romig en jong dat de kaas ribbelt en scheurt bij de randjes als je een plakje schaaft – ik weet niet of ik daar zonder kan.

En dat is dus een issue, want ik vind het belangrijk om planeetvriendelijk te eten. En kaas, zo ontdekte ik in ‘De duurzame supermarkgids’ op de Volkskrant-website, is niet aardklootbestendig. ‘Voor 1 kg harde kaas is 10 liter melk nodig. Daardoor is de milieu- en klimaatbelasting van kaas ongeveer net zo hoog als van rundergehakt.’ Shit.

Het is dus niet zo vreemd dat de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur in april een rapport uitbracht waarin staat dat we in de toekomst niet alleen minder vlees maar ook minder zuivel moeten gaan eten.

Collega-kaasliefhebber Sylvain Ephimenco had het er in Trouw ook moeilijk mee. ‘Ik kan veel hebben, maar…’, schreef hij. En hij wil er dan ook niet aan. Want, zo vervolgt hij, de verwachting is dat de wereldwijde consumptie van vlees toch enorm gaat stijgen, ‘in opkomende landen zelfs met 70 procent’, terwijl de bevolking zal groeien. ‘Dit keurige, Hollandse, culinaire ascetisme, opgedrongen door de maag- en darmpolitie, zal maar een druppeltje op de demografische inferno-plaat zijn.’ De ‘enige waarheid’ is volgens hem dat het geen bal uitmaakt hoeveel kaas & co we in Nederland consumeren, omdat het werkelijke probleem voortkomt uit ‘de dodelijke bevolkingsexplosie die door een consortium van hypocrieten al zo lang wordt verzwegen.’

Op het gevaar af voor hypocriet te worden versleten: ik ruik een lulsmoes. Ik ruik iemand die het gemakkelijker vindt om zijn medeverantwoordelijkheid voor het Grote Moederschip over de schutting te flikkeren dan om afstand te doen van zijn stokbroodje brie.

Columnist George Monbiot schreef: ‘Het is geen toeval dat de meeste mensen die geobsedeerd zijn door bevolkingsgroei post-reproductieve welgestelde witte mannen zijn: het is ongeveer het enige milieuprobleem waarvan zij niet de schuld kunnen krijgen.’

Wie wel de schuld krijgen, zijn vrouwen. Westerse vrouwen, die er fijntjes op worden gewezen dat volgens Zweeds onderzoek elk kind dat ze niet baren jaarlijks 58,6 ton CO2-uitstoot scheelt, waar een jaar zonder auto slechts 2,4 ton bespaart. En vrouwen in die ‘opkomende landen’ waar Ephimenco over schrijft, die te horen krijgen dat ze minder baby’s moeten maken, niet omdat dit hun keuze is, maar omdat ze dit verschuldigd zouden zijn aan een wereld die zich verder zelden of nooit om hen bekommert. Vrouwen wier baarmoeders weer onderwerp zijn van internationale bemoeienissen; de schandalen uit de jaren zestig en zeventig rond ‘gezinsplanning’ in Azië en Afrika zijn voor het gemak even vergeten.

Laat me een radicaal voorstel doen, speciaal voor Ephimenco en de zijnen: zullen we het klimaatprobleem niet oplossen door te morsen op vrouwenrechten? Dan maar geen kaas.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.