dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

De laatste tijd heb ik het nogal moeilijk met de rechterlijke macht in Nederland. Het begon vorige week, met de derde aflevering van de EO-documentaireserie ‘Jojanneke in de prostitutie’. Daarin pleitte rechter Peter Lemaire voor een herinvoering van het pooierverbod. Het idee daarachter is, in Lemaires woorden, dat ‘je je als man niet met een prostituee mag bemoeien.’ Hij gaf ook wat voorbeelden van dingen die zijns inziens strafbaar moeten worden: dingen regelen voor een sekswerker, tickets kopen, geld ophalen of ‘protectie bieden, tussen aanhalingstekens’.

‘Zolang je je eigen kinderen niet in die branche wilt hebben…’, zei de rechter, wat duidelijk maakte dat het hem hier niet ging om een wetstechnisch puntje op de i dat door mindere goden over het hoofd gezien was, maar om zijn hoogstpersoonlijke morele oordeel over de seksindustrie. Dat ChristenUnie-Kamerlid Gert-Jan Segers de dag na de uitzending in een aanval van perfecte tweestemmigheid aanhaakte bij Lemaires uitspraak door een pooierverbiedende initiatiefwet aan te kondigen, maakte het zo mogelijk nog politieker. En dat vind ik dus lastig. Noem me een scherpslijper, maar ik ben best gehecht aan de scheiding der machten en de onpartijdigheid van rechters.

Ook het Openbaar Ministerie lag wat zwaar op de maag. Het had een onverkwikkelijke loverboy-zaak te pakken, waarin een 16-jarig meisje tegen betaling en volgens het OM onder dwang seks had met volwassen mannen. Er zijn tachtig gebruikte condooms gevonden, vol DNA-rijke kwakjes, die wellicht kunnen aantonen welke mannen aldaar clandestien zijn klaargekomen. Het OM wil deze mannen oppakken als verdachte.

Dat zal niet zachtzinnig gaan. Officier van justitie Van Kuppenveld kondigde aan dat mannen mogelijk ten overstaan van vrouw en kinderen gearresteerd zullen worden. ‘Dat een arrestatie gevolgen kan hebben voor huwelijk of relatie, daar zit ik niet mee. Deze mannen hadden tegen betaling seks met een minderjarige. Ik ga ze niet helpen om dat geheim te houden.’ Hoofdofficier Rasker voegde er in de Volkskrant nog aan toe dat ze juist vanwege de klanten de schijnwerpers vol op deze zaak zetten. ‘Met deze zaak willen we een vuist maken.’

En daar heb ik dus moeite mee, want sinds wanneer is het oké dat het OM een opsporingsonderzoek gebruikt om verdachten alvast wat te vernederen en te straffen? Sinds wanneer gaat het niet meer om waarheidsvinding, maar om vuisten maken? Noem me een punaisepoetser, maar ik ben tamelijk gesteld op het principe van ‘onschuldig tot het tegendeel bewezen is’. En ik kan me niet herinneren dat hier bij stond: ‘PS Behalve als iemand verdacht wordt van iets goors.’

Maar het ingewikkeldst was nog wel de rol van het meisje en de van mensenhandel verdachte loverboy Armin A. in deze zaak. Volgens A.’s advocaat heeft het meisje in eerste instantie verklaard dat het haar idee was en dat A. slechts met frisse tegenzin meeging voor de veiligheid. Pas na ‘indringende gesprekken’ met haar ouders verklaarde ze dat het A.’s idee was. Volgens Rasker komt dit doordat slachtoffers van loverboys nou eenmaal gehersenspoeld worden.

Hier zijn ruwweg twee scenario’s mogelijk. Of Rasker heeft gelijk, en dankzij de inzet van de ouders is het ware verhaal boven water gekomen. Of het meisje heeft na die indringende gesprekken precies gezegd wat iedereen wilde horen, zodat ze liefde en hulp zou krijgen, in plaats van misschien wel mede de schuld.

De stellige keuze van Rasker voor scenario één deed me denken aan een observatie van rechtspsychologen Henry Otgaar en Marko Jelicic, vorige week op hun blog: het lijkt zelden tot nooit bij het OM op te komen dat mensenhandelslachtoffers kunnen liegen. Sterker nog: het idee leeft dat inconsistente verklaringen juist een teken van betrouwbaarheid zijn, omdat het erop wijst dat in eerste instantie de herinneringen aan traumatische gebeurtenissen zijn verdrongen, en dat later het besef van de werkelijkheid is ingedaald. Dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat verdringing eigenlijk nooit plaatsvindt, heeft blijkbaar weinig indruk gemaakt. Dat studies aantonen de mate van consistentie weinig zegt over de betrouwbaarheid van een verklaring evenmin.

Het lijkt me dat die kennis ertoe zou moeten doen. Of kan het echt bestaan dat een vuistmakende hoofdofficier van justitie gewoon op grond van zijn overtuigingen kiest wat de waarheid is? Noem me een idealist, maar ik ben erg verknocht aan het idee van een onbevooroordeelde, apolitieke rechterlijke macht. Politici zijn er immers al genoeg. En er zijn goede redenen waarom we hen deze macht niet geven.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Wetenschappers zijn steeds beter in staat om met behulp van een hersenscanner vast te stellen of iemand pedofiel is of niet. Maar hoe betrouwbaar is die informatie? En wat moeten we ermee?

 

“Een veelbelovende, objectieve manier om de klinische diagnose pedofilie te stellen.” Dat was vorige maand de conclusie van een groep Duitse en Deense wetenschappers onder leiding van Jorge Ponseti. In hun onderzoek lieten ze 56 mannen in een fMRI-hersenscanner kijken naar foto’s van blote kinderen en volwassenen. Onder hen zowel gewone mensen als veroordeelde pedoseksuelen. Vervolgens probeerde het team van Ponseti op basis van de hersenactiviteit bij het zien van de verschillende foto’s vast te stellen welke proefpersonen zich aangetrokken voelden tot kinderen, en welke tot volwassenen. Ze slaagden erin om met 95 procent betrouwbaarheid vast te stellen wie er een pedobrein hadden, en wie niet: een percentage dat ook in andere onderzoeken is behaald.

 

Maar hoe veelbelovend is veelbelovend? En wat betekent 95 procent betrouwbaarheid in de praktijk? Kan justitie in de toekomst een fMRI-scanner gebruiken om te bekijken of tot tbs veroordeelde pedoseksuelen al klaar zijn om op vrije voeten te komen? Kunnen werkgevers mensen die solliciteren naar een baan waarin ze veel in aanraking komen met kinderen preventief gaan scannen, zodat ze degenen met een pedobrein kunnen uitsluiten?

 

Volgens Victor Lamme zijn al deze dingen mogelijk. Lamme is hoogleraar cognitieve neurowetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en schrijver van het boek ‘De vrije wil bestaat niet’. Hoewel hij het onderzoek naar pedofilie in het brein zeer toejuicht, is hij niet blind voor de problemen.“Stel dat je zo’n hersenscan wil gebruiken om, ik zeg maar wat, alle zwemleraren of alle crèchemedewerkers te scannen. Dan zit je al snel met die betrouwbaarheid. Pedofilie komt namelijk erg weinig voor, hooguit bij een paar procent van de bevolking. Dat betekent dat je zelfs bij een hoge betrouwbaarheid van 95 procent nog erg veel vals positieven krijgt.”

 

Vals positieven zijn mensen die na een bezoek aan de scanner onterecht het label ‘pedofiel’ krijgen. Dat kan gebeuren doordat pedofielen en gewone mensen qua hersenactiviteit een beetje overlappen. Ergens tussen een voorkeur voor kinderen en een voorkeur voor volwassenen zit een grijs gebied waarin de hersenscanner een pedofiel brein niet van een gewoon brein kan onderscheiden. Delen we deze ‘grijze breinen’ in bij de pedofielen, dan accepteren we daarmee het risico op vals positieven. Delen we ze in bij de gewone mensen, dan zullen er vals negatieven bij zitten: pedofielen die onterecht het label ‘valt op volwassenen’ krijgen.

 

Lamme: “Uiteindelijk is dat een maatschappelijke keuze. Welk risico wil je nemen: dat je mensen op basis van een hersenscan onterecht het etiket pedofiel geeft, of dat je sommige pedofielen erdoorheen laat glippen? De wetenschap kan beide leveren. Maar ik kan als wetenschapper niet zeggen welke keuze de juiste is.”

 

Het risico dat veel mensen onterecht als pedofiel worden aangewezen, met alle stigma’s van dien, is voor Harald Merckelbach een van de redenen om maar helemaal niet aan het scannen van tbs’ers of crèchemedewerkers te beginnen. Als hoogleraar psychologie aan de Universiteit Maastricht schreef hij veel over de rol die hersenscans zouden moeten spelen binnen het recht. “Preventief scannen vind ik een grotesk idee. Echt bizar. Want een scan zegt hoogstens dat een bepaalde prikkel je brein activeert. Maar waarom dat is, dat vertelt die scanner je niet. Het feit dat een bepaald hersengebied oplicht bij een bepaald plaatje zegt nog heel weinig.”

 

“Mij lijkt het buitengewoon voorbarig als justitie nu al aan de slag zou gaan met fMRI-scanners. Het is niet vrijblijvend, je grijpt in in het leven van mensen: je baseert er bijvoorbeeld verstrekkende beslissingen over proefverlof of juist langdurige opsluiting voor een tbs’er, terwijl je niet weet hoe accuraat je technologie is.”

 

Merckelbach legt hier de vinger op een andere zere plek van de huidige hersenscantechnologie: wat zegt zo’n fMRI nou over het uiteindelijke gedrag? “Je kan wel allerlei dubieuze voorkeuren en interesses hebben, maar dat wil niet zeggen dat je er ook naar handelt”, vertelt hij. “Met name in de sfeer van de pedofilie is dat belangrijk, omdat uit onderzoek blijkt dat er mensen zijn met een seksuele voorkeur voor kinderen die dat desalniettemin toch onder controle houden. Ze hebben dus een dubieuze voorkeur, maar vertonen niet het gedrag. Aan de andere kant: niet iedereen die een pedoseksueel delict pleegt, heeft ook die seksuele voorkeur. Het kan ook zijn dat iemand zoiets doet onder invloed van bijvoorbeeld drugs of alcohol. Het is goed om gedrag en voorkeur uit elkaar te houden. Ik denk niet dat we op dit moment of in de nabije toekomst met een scan waarbij je mensen plaatjes van kinderen laat zien zuiver dat onderscheid kunnen maken.”

 

Lamme is zich bewust van dit probleem. “Dat je hersenen kunt classificeren wil natuurlijk nog niet zeggen dat iemand met een pedofiel brein ook echt de fout in gaat. Dat ligt onder andere ook aan impulscontrole.” Hij vergelijkt het met borstkankeronderzoek. “Je scant heel veel vrouwen, waarvan er maar een enkeling borstkanker krijgt. Die gevallen zul je er ook wel uithalen. Maar er zijn ook veel vrouwen bij wie een vaag vlekje wordt aangezien voor een gezwel.” Zij gaan onterecht de medische molen in. Lamme: “Net als bij borstkanker, bestaat er een risico op overdiagnose van pedofilie.”

 

“Ik kan alleen zeggen dat ik zelf ervoor zou kiezen om alle pedofielen correct aan te wijzen”, zegt Lamme. “Kijk, er zullen ook veel mensen onterecht zo’n label krijgen. Maar de pedofielen haal je er wel uit. Wat je daar mee moet? De gelegenheid maakt de dief, zeggen mensen wel eens. Ik zou iemand die zich volgens een hersenscan aangetrokken voelt tot kinderen niet op een kinderdagverblijf laten werken. Je moet de kat niet op het spek binden.” En dan: “Je moet toch voorzichtig zijn. Het gaat tenslotte om kinderen.”

 

Merckelbach kijkt er aanzienlijk anders tegenaan. “Een hersenscan verplicht stellen bij een sollicitatie bij bijvoorbeeld een crèche? Het lijkt me goed als de rechter een werkgever die dat wil zou afstraffen. Dat is tenslotte net zoiets als iemand weigeren op basis van huidskleur. Je kunt iemand niet weigeren om wie hij is, terwijl hij nog niets heeft gedaan. Zeker niet alleen op basis van een scan.”

 

“We mogen allerlei vreemde gedachtes en gekke voorkeuren hebben. Er is niemand die ons dat mag verbieden. De neurowetenschappers hebben dat niet altijd helemaal helder voor de geest. Juristen willen en kunnen je niet veroordelen omdat je een voorkeur of afkeer hebt. Merckelbach citeert Cicero: “Onze gedachten zijn vrij.”

 

 

 

Kader:

 

Jorge Ponseti en collega’s ontdekten in hun onderzoek een manier om met 95 procent betrouwbaarheid aan iemands hersenactiviteit te zien of hij valt op kinderen of op volwassenen. Dat voelt als een wetenschappelijke doorbraak. Maar is dat wel terecht? Onderzoekers proberen al jaren in ons brein of in onze hormonen biologische sporen te vinden die ons uiteindelijke gedrag voorspellen. Zulke sporen noemen we biomarkers. In de psychiatrie ging men bijvoorbeeld op zoek naar biomarkers voor aandoeningen als depressie en schizofrenie. Die werden ook gevonden en vaak met veel bombarie gepresenteerd. Helaas draaide deze ontdekkingen keer op keer op een teleurstelling uit wanneer het onderzoek werd herhaald onder een hele grote groep proefpersonen. Allerlei mensen met depressie bleken de biomarker toch niet te hebben, allerlei mensen die de biomarker wel hadden bleken niet depressief te zijn. Goede biomarkers voor een psychiatrische stoornis of voor bepaald gedrag zijn er daarom ook niet. Een groter onderzoek moet uitwijzen of de pedoscan van Ponseti & co als eerste wel stand houdt.

 

Dit artikel verscheen eerder in Trouw.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

In 1973 werd Sybil dankzij het gelijknamige boek wereldberoemd als patiënt met een meervoudige persoonlijkheid. Tienduizenden mensen meldden zich met de boodschap: ‘Dat heb ik ook’. Maar ‘Sybil’ had haar stoornis helemaal verzonnen. Wat zegt dat over al die patiënten die zich naar aanleiding van het boek ook lieten behandelen voor dezelfde ziekte?

 

 

‘Hattie spreidde haar dochters benen met een lange houten lepel, bond haar met haar voeten aan die lepel vast en hing haar dan ondersteboven aan het uiteinde van een lichtsnoer aan het plafond. Terwijl het kind daar bungelde, haalde de moeder ijskoud water om de blaas van haar dochter mee te spoelen.’ Dit fragment komt uit Sybil, een boek uit 1973 over een patiënt die in het echt Shirley Mason heet. Shirley groeide op in de jaren twintig en dertig in een klein stadje in het Midwesten van de Verenigde Staten. Een periode waarin ze, volgens het boek, door haar moeder gruwelijk werd misbruikt. Door die vreselijke gebeurtenissen is haar persoonlijkheid gesplitst. Soms is ze zichzelf, soms een van haar zestien alter ego’s. Haar ‘gewone Shirley-ego’ heeft geen bewuste herinneringen aan het misbruik. Maar wanneer ze in de jaren vijftig bij toentertijd internationaal vermaard psychiater Cornelia Wilbur in therapie gaat voor haar aanhoudende emotionele problemen, leert ze haar andere persoonlijkheden en haar ware verleden kennen. Het verhaal heeft een happy end: na jarenlange behandeling door Wilbur verwerkt Shirley haar trauma. Haar persoonlijkheden smelten samen tot een: die van haarzelf. Wilbur neemt daarop het initiatief om Shirleys levensverhaal te laten optekenen, en vraagt in de jaren zestig aan de journalist Flora Schreiber of zij dat wil doen. De drie vrouwen werken samen aan Sybil. Met succes: nadat het boek verschijnt wordt het een internationale bestseller, met wereldwijd meer dan tien miljoen verkochte exemplaren. De televisieverfilming is een klassieker. Op de avond dat hij voor het eerst werd uitgezonden, keek bijna een kwart van de Amerikaanse bevolking.

 

De enorme populariteit van Sybil had gevolgen. Want in het kielzog van de hype meldden zich in Europa en Noord-Amerika tienduizenden mensen met meervoudige persoonlijkheden. Bij de psychiaters kregen ze een warm onthaal. Terwijl Schreiber aan het boek Sybil schrijft, lobbyt Wilbur bij collega-psychiaters voor internationale erkenning voor meervoudige persoonlijkheidsstoornis (MPS) als psychiatrische aandoening. Die erkenning komt in 1980, zeven jaar na het verschijnen van Sybil. Waar pre-Sybil slechts een handjevol gevallen van MPS bekend waren, kwamen er in in de jaren tachtig zoveel nieuwe patiënten met de stoornis bij dat sommigen spraken van een epidemie. Waar kwamen al die patiënten vandaan? Een mogelijke verklaring is dat er altijd al veel mensen met MPS waren, maar dat ze dankzij ‘voorbeeldpatiënt’ Sybil dachten: ‘He, dat heb ik ook. Laat ik naar een dokter gaan.’ Maar met die uitleg is een probleem. In het boek ‘Sybil exposed’ dat in najaar 2011 verscheen, onthult schrijfster Debbie Nathan dat Shirley Masons verhaal van A tot Z was gelogen.

 

We gaan terug naar mei 1958. Shirley, dan 35 jaar oud, was nu al vier jaar bij psychiater Wilbur in therapie om aan haar meerdere persoonlijkheden te werken. Wilburs carriere neemt dankzij de complexe problemen van haar patient een grote vlucht. Dankzij Shirley staat ze nu bekend als internationaal meervoudig persoonlijkheidsexpert. Shirley heeft minder geluk: ze voelt zich na jaren behandeling eerder slechter dan beter. Dus besluitt ze dat er iets moest veranderen. Ze schrijft Wilbur een brief, waarin ze zegt: ‘Ik zal niet zeggen dat er niets mis met me is. Maar het is niet wat ik je wilde laten geloven. Ik heb geen meerdere persoonlijkheden. Eigenlijk heb ik zitten liegen.’ Wilbur weigert deze bekentenis te accepteren. Haar internationale faam als psychiater hangt immers voor een flink deel af van haar behandeling van Shirley en haar bijzondere stoornis. Dus vertelt ze Shirleys dat haar bekentenis een onbewuste poging was om haar genezing te saboteren. Ze laat bovendien duidelijk doorschemeren dat Shirley zonder haar alter ego’s niet meer bij haar in behandeling mag blijven. Die gedachte kan Shirley niet aan. Ze us half verliefd op Wilbur. ‘Ik hou van je en ik zou alles voor je doen’, schreef ze eens aan haar psychiater. Bovendien is Shirley na jaren bijna fulltime in therapie te zijn geweest zowel emotioneel als financieel afhankelijk van Wilbur. Dus voegt Shirley zich wederom in de leugen van de meervoudige persoonlijkheden. Sterker nog: ze gooit er een schepje bovenop. Tot tevredenheid van Wilbur begint ze steeds ernstiger misbruikherinneringen ‘naar boven te halen’. Haar moeder zou lesbische orgieën met jonge tienermeisjes hebben gehouden in het bos en Shirley als klein meisje bijna hebben laten verdrinken in de graansilo van haar vaders schuur. Toen de journalist Flora Schreiber besloot om in samenwerking met Shirley en Wilbur het boek Sybil te schrijven, ontdekte ze vrij snel dat deze zaken nooit werkelijk gebeurd waren. Zo was er in het geboortedorp van Sybil helemaal geen bos. Bovendien was vaders schuur in werkelijkheid meer een kolenhok, dus beslist te klein voor een graansilo. Toch schreef Schreiber het boek, omdat het ‘emotioneel waar’ was. En dat was voor haar goed genoeg.

 

Mensen die in de jaren zeventig in de psychiatrie werkten, herinneren zich nog goed hoe de Sybilstorm losbarstte. ‘De Nederlandse vertaling van het boek kwam uit, en daarna begonnen ze binnen te komen, de mensen met meerdere persoonlijkheden. En niet enkele, maar echt met tientallen tegelijk’, vertelt een voormalig verpleegkundige. Nou is zo’n plotselinge opkomst van een aandoening die op dat moment veel in de media is geen onbekend verschijnsel. In 1967 bijvoorbeeld, waarschuwden kranten in Singapore dat er een uitbraak was van koro nadat verscheidene mensen varkensvlees hadden gegeten van een big die was ingeënt tegen varkenspest. Koro is een psychologische aandoening waarbij de patiënt denkt dat zijn penis zich zal terugtrekken in het lichaam, met bijbehorende paniek en angst om dood te gaan. Na de alarmerende krantenberichten kregen honderden Singaporezen koro. De epidemie werd pas een halt toegeroepen toen diezelfde kranten uitgebreid artsen begonnen te citeren die zeiden dat koro het gevolg was van angst, niet van besmet varkensvlees.

 

De koro-uitbraak in Singapore staat in de studieboeken als een klassiek geval van massahysterie. Zou er met de ‘uitbraak’ van meervoudige persoonlijkheden hetzelfde aan de hand kunnen zijn? Sommige wetenschappers denken van wel. Zij gaan ervan uit dat MPS geen echte psychiatrische aandoening is, maar een modeziekte. Hersenonderzoek steunt die lezing. Het brein van iemand met MPS is abnormaal op dezelfde plekken als waar het brein van een Londense taxichauffeur of geoefende muzikant verschilt van een gewoon brein, schrijft Debbie Nathan. Bij die laatste twee groepen neemt men aan dat hun ‘afwijking’ komt doordat ze supergetraind zijn in het onthouden van grote hoeveelheden ingewikkelde informatie, zoals het stratenplan van Londen of complexe muziekstukken. Dat de hersenen van iemand met MPS er net zo uit zien, is een aanwijzing dat deze patiënten bewust of onbewust experts zijn geworden in het onthouden van het wel en wee van al hun alter ego’s. Iets wat natuurlijk niet zou hoeven als er echt meerdere personen in iemands hersenpan zouden huizen.

 

Dat meervoudige persoonlijkheidsstoornis een modeziekte is, wil niet zeggen dat de mensen die eraan lijden kwaadwillende leugenaars of fantasten zijn. In haar bekentenisbrief aan dr. Wilbur maakt ook Shirley duidelijk dat ze wel degelijk ernstige psychische problemen heeft: ‘Ik probeerde je te laten zien dat ik voelde dat ik hulp nodig had.’ Dat mensen een modeziekte hebben, en zelfs mensen als Shirley die een stoornis bij elkaar verzinnen, lijden echt. Verschillende wetenschappers kwamen tot de conclusie dat mensen die psychisch in de moeilijkheden zitten, volledig onbewust de neiging hebben om hun nood in een vorm te gieten die hen verzekerd van hulp. Journalist Ethan Watters schrijft hier in zijn boek Crazy like us over. Elke cultuur heeft wat hij noemt een symptom pool; een collectie stoornissen die als echt en ernstig te boek staan, en die dus garanderen dat degene die eraan lijdt aandacht en indien mogelijk genezing krijgt. Deze theorie verklaart hoe stoornissen kunnen komen en gaan. Vandaag de dag lijdt er bijvoorbeeld niemand meer aan hysterie, terwijl het aan het eind van de negentiende eeuw heel gebruikelijk was dat psychische nood die vorm aannam, inclusief spontane verlamming en kronkelen met het lichaam. Watters geeft ook een moderner voorbeeld van een ziekte die plotseling opkwam en afnam. Aan het begin van de jaren negentig ging in de media het hardnekkige gerucht dat prinses Diana leed aan boulimia, een stoornis met enorme eetbuien van voedsel dat daarna weer uitgebraakt of weggelaxeerd wordt. In dezelfde periode, zo schrijft Watters, zie je dat het aantal mensen met boulimia enorm stijgt. Na 1997, het jaar dat de prinses overleed, nam het boulimiapatiënten even hard af.

 

Er zijn ondertussen bijna dertig jaar voorbij sinds Sybil verscheen. Hoewel karakters met meervoudige persoonlijkheden nog steeds nu en dan voorbij komen in films en televisieseries is de echte hype overgewaaid. Zoals verwacht is daarmee het aantal mensen met alter ego’s ook flink afgenomen.Wat rest is het verhaal van hoe een gewetenloze psychiater met behulp van een mediahype een nieuwe psychiatrische stoornis creëerde op basis van leugens en bedrog. Het heeft maar weinig mensen goed gedaan, en zeker haar patiënt Shirley niet. Na haar ‘genezing’ in 1965 ging toen 42-jarige Shirley aan de slag als kunstdocent aan het kleine Rio Grande College in Ohio. Ze had het naar haar zin en voelde zich gelukkig. Helaas voor haar lekte kort na het verschijnen van het boek Sybil haar werkelijke identiteit uit. Ze zag zich gedwongen haar baan en vriendschappen op te geven, en begon een soort semi-kluizenaarsbestaan waarin ze vrijwel elke dag doorbracht in het huis van haar ‘levensgezel’ Wilbur. Ze verzorgde Wilbur nadat die in 1992 een beroerte kreeg. Zes jaar nadat haar psychiater en vriendin gestorven was, kreeg Shirley te horen dat ze zelf uitgezaaide borstkanker had. Ze besloot zich niet te laten behandelen en stierf in 1998, in armoede en zonder vrienden of familie om zich heen.

 

Meer lezen:

 

Ethan Watters. Crazy Like Us: over de innige verhouding tussen cultuur en psychiatrie. Free Press, New York, 2010.

 

Debbie Nathan. Sybil Exposed: hoe het echt zat met ’s werelds meest beroemde patient met meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Free Press, New York, 2011.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Het alternatieve psychotherapiecircuit heeft een onschuldig imago. En dat is niet altijd terecht. Sommige technieken die ‘helers’ gebruiken om in de jeugd van hun cliënten te graven, kunnen valse herinneringen laten ontstaan. En dat leidt tot niets dan ellende.

Het begon met een droom over incest. Zo’n nachtmerrie hoeft natuurlijk niets te betekenen, maar voor Marieke is het de start van een lange zoektocht naar de waarheid. Ze twijfelt, vertelt ze aan haar broer. Ze kan het eigenlijk niet geloven, weet niet wat werkelijkheid is en wat fantasie. Is er in mijn jeugd iets gebeurd dat zo erg is dat ik de herinnering eraan volledig heb verdrongen? Ben ik misbruikt?

Marieke (37) zoekt hulp in de alternatieve hoek. Een osteopaat, een hypnotherapeut, een holistisch heler. Daar komt ze vaker. Ze heeft drie moeizame zwangerschappen achter de rug. Als tiener was ze depressief en had ze een vriendje dat seksueel gewelddadig was. ‘Daar heeft ze eigenlijk nooit over willen praten’, vertellen haar ouders, Rik en Anja. En hoewel ze het lastig vinden, geven ze toe dat de relatie met hun dochter stroef was. Ze moeten toekijken terwijl Marieke afstand neemt van haar familie, en steeds meer toenadering zoekt tot haar alternatieve therapeuten.

Een van die therapeuten is Rob Derksen, coach en oprichter van de holistische stichtingen Het Elfenlicht en De Zuil Vitalisering. Vrijwel alle psychische problemen hebben hun oorzaak in de jeugd, denkt hij. Pas als je de emoties van toen weer doorleeft, kan je ziel genezen. Ook stoornissen die door de wetenschap als ongeneeslijk worden gezien, zoals schizofrenie en autisme, zijn op die manier te helen, meent Derksen. In de holistische wereld kijken veel mensen er zo tegenaan. De arrogante wetenschap gaat ervan uit dat alternatieve therapeuten niet weten waar ze mee bezig zijn, zegt hij. ‘Wetenschappers denken dat hun manier de enige juiste manier is. En dat vind ik juist weer erg gevaarlijk en te beperkend.’

‘Ik heb een vermogen meegekregen dat ik intuïtief aanvoel wat ik moet doen’, zegt Derksen over zijn werk als heler. ‘Ik krijg dan beelden of gevoelens binnen. Net alsof ik weet vanuit mijn hart, hé, er is hier een thema met misbruik of zoiets.’ Dat gevoel deelt hij met de cliënt. Vervolgens gebruikt hij een keur aan methodes om die moeilijke jeugdherinneringen aan het licht te brengen. Zelf noemt hij regressietherapie als voorbeeld: ‘Je brengt iemand in wat sommigen een trance of hypnosetoestand noemen. En dan neem je iemand mee in wat er naar boven komt.’ In zijn sessies haalt Derksen zelfs gebeurtenissen naar boven waar iemand voordat die in therapie ging helemaal geen herinnering aan had. Zo had hij een cliënte die geen relaties aan durfde te gaan met mannen. Door ‘te werken op dat gedragspatroon’ kwamen ze erachter dat de vrouw was misbruikt door haar broer, zegt hij. ‘Dus dat kan zo ver gaan dat je het helemaal verdringt en dat je het gewoon vergeet.’

Terwijl Derksen in al zijn welwillendheid denkt dat hij op deze manier zijn cliënten helpt genezen, doet zijn aanpak bij geheugendeskundige Elke Geraerts alle alarmbellen afgaan. Geraerts, verbonden aan de Erasmus Universiteit, doet al jaren onderzoek naar het gemak waarmee ons geheugen gefopt kan worden, zodat we iets gaan geloven dat nooit is gebeurd. Ze ziet in haar werk regelmatig mensen die valse herinneringen hebben opgedaan onder invloed van een foute therapeut. Van Derksens aanpak krijgt ze het benauwd; geconfronteerd met het feit dat hij in de afgelopen tien jaar al meer dan vierduizend mensen heeft behandeld, snakt ze hoorbaar naar adem. ‘Het is vrij onwaarschijnlijk dat wanneer je in therapie lang gaat sleutelen en trekken, die herinneringen accuraat zijn’, zegt Geraerts. ‘Op een bepaald moment kun je niet meer onderscheiden wat de therapeut je heeft doen inbeelden versus wat er echt is gebeurd in je kindertijd.’ Van hypnose is aangetoond dat het vaak tot valse herinneringen leidt. Droominterpretatie idem dito. De aanpak van Derksen noemt ze ‘uit den boze’.

Herinneringen liggen niet vast in je brein, zoals gegevens op een harde schijf. Integendeel: je geheugen is veranderlijk en schrikbarend gemakkelijk te manipuleren. Sinds de jaren negentig is vele malen aangetoond dat met suggestie relatief eenvoudig valse herinneringen te creëren zijn. Geraerts liet in haar experimenten mensen geloven dat ze ziek waren geworden na het eten van eiersalade of dat ze waren ontvoerd door ruimtewezens. Zo’n valse herinnering is hardnekkig. In de vakbladpublicatie van Geraerts’ eiersalade-onderzoek staat te lezen dat de herinnering leidde tot ‘significant gereduceerde consumptie van sandwiches met eiersalade, zowel direct als vier maanden na de valse suggestie.’

Psychologen creëren zo’n valse herinnering door iemand aan het handje door de nepherinnering te leiden: ‘Je bent in het ruimteschip. Stel je dat eens voor. Wat zie je?’ Die methode komt bijna precies overeen met de manier waarop alternatieve therapeuten tijdens een regressiesessie hun cliënt door hun jeugd leiden. In de experimenten werkt de techniek bij ongeveer een op de drie deelnemers; bij hen ontstaat er daadwerkelijk een valse herinnering. Dit zijn meestal mensen die van zichzelf al fantasierijk en suggestibel zijn, aldus Geraerts. Rik en Anja herkennen hun dochter in die omschrijving. Marieke was altijd al gemakkelijk te beïnvloeden, vertellen ze.

Rik en Anja denken dat hun dochter vooral beïnvloed werd tijdens intensieve meerdaagse cursussen in het alternatieve circuit die Marieke veelvuldig volgde. Daar is ze, onder begeleiding van onder andere Rob Derksen, dieper gaan graven in haar jeugd, haar dromen, haar herinneringen, vermoeden haar ouders. Ze deelde wat ze daar meemaakte met haar moeder. Die vertelt met zichtbare afkeer over de groepsdruk: ‘Een aantal keren vertelde Marieke trots hoe er bij cursisten ‘doorbraken’ werden geforceerd. Na urenlange druk van de therapeut vertelde de cursist dan uiteindelijk over haar trauma. Zo was er een incestslachtoffer dat per se moest praten over haar verleden. Toen ze dat te moeilijk vond, ging de groep aan haar trekken en tegen haar schreeuwen, net zo lang tot ze haar verhaal deed. Dat vind ik eng.’

Hoewel Derksen in alle toonaarden ontkent suggestief te werken, geeft hij toe dat hij groepsdruk inzet om bij mensen een doorbraak te forceren. ‘Dat kan heftig zijn’, zegt hij. Hij maakt ook met regelmaat mee dat er meerdere incestslachtoffers in een cursusgroep blijken te zitten: ‘Dat mensen voor het eerst zeggen: ik heb ook zoiets meegemaakt maar ik had het ver verdrongen.’ Zelf ziet Derksen dat als een gunstige uitkomst van de cursus. Maar uit psychologische experimenten blijkt dat valse herinneringen niet alleen kunnen ontstaan onder invloed van een suggestieve therapeut, maar ook onder invloed van mede-groepsleden, zegt Elke Geraerts. Ze vertaalt die bevindingen naar groepssessies waar onder druk aan misbruikherinneringen wordt getrokken: ‘Sommige mensen die al wat gemakkelijker meegaand zijn of die neiging tot fantasie hebben, kunnen dan inderdaad gaan geloven dat zij ook misbruikslachtoffer zijn.’

Marieke raakt er ondertussen steeds meer van overtuigd dat zij zo’n slachtoffer is. Ze besluit haar oudste dochter mee te nemen naar Derksen, om erachter te komen of opa ook iets met het meisje heeft gedaan. ‘Onze kleindochter heeft niets gezegd’, vertelt Anja, ‘maar Rob had met zijn helderziendheid wel van alles geconcludeerd. Dat opa wel opgewonden was geraakt, maar niet aan haar had gezeten.’

‘Ik vind het schrijnend’, zegt Elke Geraerts. ‘Ik vind dat dit soort therapeuten hun beroep niet mogen uitoefenen. Een dokter die op een hele rare manier mensen zieker maakt, mag immers ook niet blijven werken. Hetzelfde zou het geval moeten zijn voor die alternatieve therapeuten.’ Tegelijkertijd wil ze benadrukken dat foute therapiemethodes niet zijn voorbehouden aan het alternatieve circuit. ‘Zelfs mensen die een reguliere opleiding tot psycholoog hebben gevolgd gaan zich soms ook te buiten aan dit soort wanpraktijken. Maar ik denk wel, ook al zijn er geen cijfers van, dat het met name die alternatieve therapeuten zijn. Die denken dat ze als het ware voor god kunnen spelen en vinden zichzelf heel speciaal, en dat leidt tot de meeste ellende, ja.’

Voor Anja en Rik begint de ellende pas echt als de bom barst. Na jaren aan alternatieve therapie beschuldigt Marieke haar vader en haar broer van seksueel misbruik. Terwijl moeder familie bezocht in het buitenland, zou papa zich aan zijn beide kinderen hebben vergrepen. In eerste instantie zegt Marieke dat het maar een enkele keer was gebeurd, toen ze zes was. Nog wat later begint ze te vertellen dat haar broer haar later bijna dagelijks misbruikte. ‘We willen niet herhalen wat ze allemaal precies zei, waar ze haar vader en broer allemaal precies van beschuldigde’, vertelt Anja. ‘Het was zo walgelijk, zo vulgair…’ Ze valt stil, Rik vervolgt: ‘Ik dingen met haar hebben gedaan, zou mijn zoon misbruikt hebben en dat zij dan moest kijken…’ Anja valt hem in de rede: ‘Rik, stop alsjeblieft. Genoeg.’

Anja zag zich in een onmogelijke positie geplaatst. ‘Toen ik het hoorde was ik zo geschokt, dat ik dacht: ik leef met een beest. En dán moet je je partner ondervragen. Want je moet duidelijkheid hebben. En ik had Marieke beloofd dat ik alles tot op de bodem zou uitzoeken. Je móét wel twijfelen aan je man en zoon, als je dochter zoiets zegt.’ Maar de feiten in Mariekes verhaal bleken niet te kloppen. Anja was niet in het buitenland geweest in het jaar dat haar dochter zes was. Het is bijna onvoorstelbaar dat de forse mishandelingen die Marieke zich herinnerde toentertijd door niemand gezien zijn. Na een loodzware periode concludeert Anja dat de dingen die Marieke zich is gaan herinneren niet echt gebeurd kunnen zijn.

Dat maakt de pijn er niet minder om. Anja twijfelt er niet aan dat haar dochter echt lijdt. ‘Voor Marieke waren de herinneringen levensecht. Ik denk dat ze zwaar getraumatiseerd was toen ze het ons allemaal vertelde.’ De suggestieve methodes die zo gebruikelijk zijn in het alternatieve circuit hebben in deze familie alleen maar slachtoffers gemaakt. Anja vervolgt: ‘Soms vraagt een buurvrouw waarom Marieke nooit meer komt. Wat zeg je dan? Je leeft met een geheim dat het jouwe niet is. Nu zeggen we maar dat ze bij een sekte zit en heeft gekozen om zonder ons verder te gaan met haar leven. Onze familie is uit elkaar gescheurd.’

(Om privacyredenen zijn de namen Marieke, Anja en Rik gefingeerd)

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

De ellende begon met een therapeut die maar bleef aandringen. Is je in je kindertijd iets ergs overkomen? Ben je misschien misbruikt? Probeer je dat eens voor te stellen. Langzaam maar zeker doemden bij de patiënt de herinneringen op. Aan Iets Vreselijks. Maar zijn die herinneringen wel echt?

‘Wat ik echt wil weten, is hoe je dat in godsnaam van me kon denken’, zegt de vader van Meredith Maran. Bijna twintig jaar geleden beschuldigde ze hem van seksueel misbruik. Ondertussen weet ze dat dit nooit echt is gebeurd. Maar toen geloofde ze oprecht dat hij het had gedaan. Geheel in lijn met de tijdsgeest overtuigde ik mezelf van een incestverleden, schrijft Maran in het pasverschenen boek My Lie. In de jaren tachtig begonnen psychologen te vermoeden dat er in gezinnen veel meer misbruik voorkwam dan ze tot die tijd dachten. Alleen wisten de slachtoffers dat zelf niet meer. Die hadden de herinneringen ergens diep van binnen weggestopt. Uit zelfbescherming, dachten de psychologen. Maar juist verdrongen herinneringen leverden psychische klachten op. Om te genezen, zo was het advies, moest je op zoek naar je eigen verdrongen herinneringen. Ook Meredith Maran, ongelukkig na haar stukgelopen huwelijk en onzeker over haar leven, ging in therapie. En net als tienduizenden andere vrouwen in Amerika en Europa hervond ze daar herinneringen aan haar eigen gruwelijke misbruikverleden. Maran beschuldigde haar vader. Dat deden de vrouwen bijna allemaal, want alleen dan kon je volgens de therapeuten je misbruikverleden verwerken. Families vielen uit elkaar. In de Verenigde Staten kwam het tot duizenden rechtzaken. Honderden vaders werden door de rechter veroordeeld op niets anders dan de hervonden herinneringen van hun dochters. Ook in Nederland werden aangiftes gedaan, al waren het bij lange na niet zoveel als in de VS. De psychologen zagen ondertussen hun vermoedens bevestigd. Zie je wel, seksueel misbruik is geen zeldzaamheid. Het gebeurt overal. Veel slachtoffers hadden zich gewoon nog niet gerealiseerd wat hen was overkomen.

Brein onthoudt gevaar
Aan het begin van de jaren negentig beginnen de eerste wetenschappers hardop te twijfelen aan de theorie dat je brein uit zelfbescherming traumatische herinneringen onderdrukt. Ze spreken hun zorgen uit over de misbruikhype. Geheugenexpert Harald Merckelbach was een van die bezorgde wetenschappers. Tegenwoordig is hij hoogleraar forensische psychologie aan de Universiteit Maastricht. Hij vertelt hoe ons brein juist is ingesteld om indringende gebeurtenissen extra goed te onthouden. ‘Dat blijkt ook uit studies waarbij mensen akelige plaatjes en neutrale plaatjes te zien kregen. De uitkomst van al die studies is telkens dat mensen dingen beter onthouden naarmate ze emotioneel meer lading hebben’, zegt Merckelbach. ‘Was dat niet zo geweest dan had homo sapiens het niet zo goed gedaan in de evolutie.’ Wie een goed geheugen heeft voor dingen die gevaarlijk zijn en pijn doen, heeft betere overlevingskansen. Herinneringen aan echt gebeurd seksueel misbruik zijn dan ook vaak haarscherp. Ze hoeven niet tijdens intensieve therapie uit een donker hoekje van het geheugen te worden opgediept. Ze zijn er altijd.

Suggestie doet geloven
Zo moeilijk als je een vreselijke gebeurtenis vergeet, zo gemakkelijk doe je een valse herinnering op aan een voorval dat nooit heeft plaatsgevonden. Elke Geraerts, onderzoeker aan de Erasmus Universiteit, weet er alles van. Ze voorzag honderden nietsvermoedende proefpersonen van valse herinneringen. Zo probeerde ze een groep mensen wijs te maken dat ze ooit ziek waren geworden na het eten van eiersalade, terwijl dit nooit was gebeurd. Dat lukte bij ongeveer 35 procent van de deelnemers aan haar onderzoek. ‘Wanneer je iets maar voldoende en goed suggereert gaan mensen dat ook geloven. Het moet wel iemand zijn die gemakkelijk iets aanneemt, iemand die bijvoorbeeld al best veel fantasie heeft van zichzelf, die zich gemakkelijk iets kan voorstellen.’ Jammergenoeg voor de fantasierijke proefpersonen werd door Geraerts experiment ook hun plezier in eiersalade grondig verpest. De valse herinnering leidde, aldus de onderzoekers, tot een ‘significant gereduceerde consumptie van sandwiches met eiersalade, zowel direct als vier maanden na de valse suggestie.’

Therapie is niet onschuldig
Wat gebeurt er nou wanneer iemand met zo’n rijke fantasie de verkeerde therapeut treft? Geraerts: ‘Wanneer zo’n persoon in therapie gaat vanwege een depressie of een eetstoornis of wat dan ook, dan gaan sommige therapeuten veronderstellen van, goh, dat moet iets in de kindertijd geweest zijn. Ze gaan dan suggeren, kijk, misschien ben je als kind misbruikt. Probeer je dat eens voor te stellen. En dat is natuurlijk heel kwalijk want als je je dat gaat inbeelden, gaat er een moment komen waarop je niet meer kunt onderscheiden of het echt gebeurd is of dat je het je hebt voorgesteld.’ Ondanks de inzichten uit de jaren negentig zijn er nu nog steeds veel therapeuten die zo te werk gaan en zo hun patiënten laten lijden onder een misbruikverleden dat ze niet hebben gehad. Merckelbach denkt dat het vooral om alternatieve therapeuten gaat. De meeste psychologen die netjes zijn geregistreerd bij de beroepsvereniging, zegt hij, weten ondertussen dat bij ‘stel-je-eens-voor-dat’ oefeningen het risico op een valse herinnering groot is. Toch komt onderzoeker Geraerts het in haar werk nog vaak tegen dat patiënten herinneringen aangepraat krijgen. Ook buiten het alternatieve circuit: ‘Ik heb zelfs geregeld patiënten hier die op de Riagg foutieve dingen zijn gesuggereerd’, vertelt ze. En dat is geen onschuldige praktijk. Want ook al zijn de herinneringen vals, het leed is echt, blijkt uit een studie die Geraerts net heeft afgerond. Mensen die in therapie herinneringen hervinden, hebben achteraf evenveel psychische klachten als mensen die echt zijn misbruikt. Voor Geraerts is er maar een conclusie mogelijk: dit soort therapie moet echt verboden worden.

Dochters zoeken vergiffenis
Halverwege de jaren negentig keert het tij ook in de rechtszaal. De meeste mannen die alleen op basis van een hervonden herinnering in de gevangenis waren beland, worden vrijgelaten. Nu zijn het niet de vaders die tot hun verbijstering voor het gerecht worden gedaagd, maar de therapeuten die met hun foute methodes de dochters een misbruikverleden hebben aangepraat. Deze nieuwe tijdsgeest maakt Meredith Maran aan het twijfelen. Kan het zijn dat al die herinneringen vals waren? Kunnen mijn eigen herinneringen vals zijn? Ze bezoekt de rechtszaak van Gary Ramona, die de therapeut van zijn dochter Holly voor het gerecht heeft gesleept. Voor de Beschuldiging waren de Ramona’s een gelukkig gezin. Vijf jaar geleden stuurde Holly haar vader nog een kaart, die ze ondertekende met ‘Je grote liefde, Holly’. En terwijl Maran kijkt hoe Holly in snikken uitbarst in de rechtszaal, kan ze alleen maar denken: ‘Ik wil weer mijn vaders grote liefde zijn.’ En dan: hoe kan ik dat denken, als hij me vroeger heeft misbruikt? Ze zoekt een andere therapeut, eentje die niet op haar verleden hamert, maar haar aanmoedigt om uit te zoeken wat ze wil. Wanneer Marans broer belt weet ze wat dat is. ‘Papa heeft een hartaanval gehad’, zegt haar broer. ‘Niet zo’n erge. Hij komt er wel weer bovenop.’ Maran is niet welkom in het ziekenhuis. En dan neemt ze een besluit. ‘Dit moet stoppen. Ik moet hiermee stoppen, nu er nog tijd is.’

Brein weet het beter
In Nederland leidt een hervonden herinnering ongeveer vijf keer per jaar tot een aangifte wegens misbruik. Acht jaar geleden dachten wetenschappers dat in zulke gevallen een hersenscanner misschien veel leed kon besparen. Echte en valse herinneringen geven namelijk andere patronen in het brein. De wetenschappers waren optimistisch. Ze spraken erover hoe hun ontdekking in de toekomst in de rechtszaal kon worden gebruikt. En toen kwam de nuchterheid. ‘Er is overlap tussen die patronen’, vertelt professor Merckelbach. ‘De verschillen tussen een echte en een valse herinnering zijn niet zo groot dat je een scan als leugendetector kunt gebruiken.’ In Nederland zijn er daarom experts van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken die beoordelen of een herinnering vals is of echt. Ze kijken of het slachtoffer veel fantasie heeft. Of de herinnering in therapie is hervonden. Dat soort dingen maken een getuigenis verdacht. Vaak komt er dan geen zaak van. Wat rest is het lijmen van de brokken. Voordat het te laat is. Het gaat niet goed met Meredith Marans vader. Hij wordt langzaam dement, en ze brengt veel tijd met hem door. Op de dag dat Maran op de achterbank van zijn auto zit, is hij even helder. Haar vader kijkt haar aan via de achteruitkijkspiegel. Er is niets vergeetachtigs in zijn blik. En dan vertelt hij haar, gewichtig en zonder bitterheid, dat hij kan begrijpen waarom ze hem heeft beschuldigd. En dat hij, als hij in therapie zulke herinneringen had hervonden, hetzelfde had gedaan. Zijn ogen zijn melkachtig door de staar, maar staan vol liefde. Meredith is vergeven.

Meer lezen:
The Myth of Repressed Memory: False Memories and Allegations of Sexual Abuse, Elizabeth Loftus, en Katherine Ketcham, St. Martin’s Griffin (1994)

My Lie: A True story of False Memory, Meredith Maran, Jossey-Bass (2010)

De leugenmachine: over fantasten, patiënten en echte boeven, Harald Merckelbach, Uitgeverij Contact (2011).

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Het menselijk geheugen is per definitie feilbaar. Dat is meestal geen probleem, maar als het op een strafzaak aankomt zijn de herinneringen van daders, getuigen en slachtoffers vaak juist waar het om draait. Rechters zouden dan ook meer rekening moeten houden met kennis uit de psychologie, om zo dwalingen en dubieuze veroordelingen te voorkomen.

Het zou het werk van een rechercheur een stuk gemakkelijker maken als elk misdrijf van begin tot eind gefilmd zou worden. Inclusief close-up van de dader uiteraard. Helaas is dit maar zeer zelden het geval, waardoor de rechercheurs en later de rechter afhankelijk zijn van getuigenverklaringen over wat er precies is gebeurd en wie het heeft gedaan. En de verdachten kunnen maar beter met een gedetailleerd alibi op de proppen komen, anders wordt aan hun geloofwaardigheid getwijfeld.

Politie en justitie rekenen er daarbij op dat die getuigen en verdachten in hun hoofd een soort gedetailleerd filmpje van het misdrijf hebben, dat ze moeiteloos en foutloos kunnen afdraaien en beschrijven. Een mens is echter geen videorecorder. Zelfs bij een gezond, jong en intelligent persoon is het geheugen bijzonder feilbaar. Dat is niet meer dan menselijk: we maken aan de lopende band geheugenfouten. In het dagelijks leven hebben we daar nauwelijks last van, maar in de rechtspraak kan de gebrekkigheid van ons geheugen grote gevolgen hebben.

 

De Schiedammer parkmoord
Een zaak als de Schiedammer parkmoord maakt dat pijnlijk duidelijk. In eerste instantie werd Cees Borsboom veroordeeld voor de moord op een meisje en poging tot moord op een jongen in de bosjes van het park, omdat hij na langdurig en – zo zullen we zien – onverantwoord verhoor had bekend de dader te zijn. Hij trok die bekentenis later weer in, maar het mocht niet baten: met als enige andere bewijs een aantal dubieuze getuigenverklaringen over zijn fiets en herkenning van zijn postuur door twee mensen, wordt hij toch veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf plus tbs.

Terecht, zou je misschien denken. Hij heeft immers bekend. Dat hij later bedacht dat dit niet zo handig was en zijn bekentenis introk, is logisch maar doet niets af aan zijn schuld. Toch klopt dit beeld niet, vindt hoogleraar rechtspsychologie Van Koppen. Hij bestudeerde het dossier van Borsboom uitvoerig en kwam tot de conclusie dat de rechercheurs die Borsboom verhoorden juist die verhoortechnieken gebruikten waarvan we uit psychologisch onderzoek weten dat die ons geheugen zodanig verwarren dat ze regelmatig een valse bekentenis uitlokken.

Zo hebben de rechercheurs Borsboom zwaar onder druk gezet. De rechercheurs schreeuwden tegen hem, en stopten niet toen hij duidelijk te overstuur was om verder te gaan. Borsboom vertelt later dat de rechercheurs meldden hard getuigenbewijs te hebben dat hij de dader was, en dat hij het dus wel gedaan moest hebben. Ze zeiden hem ook dat als hij maar zou bekennen, zijn straf veel minder zwaar zou zijn. Op tafel lagen foto’s van de slachtoffers en de broertjes van het omgebrachte meisje. Deze manier van verhoren lijkt sprekend op de – toen al gedeeltelijk verboden – Zaanse verhoormethode.

 

Onterecht geloven in je eigen schuld
Zulke zware psychologische druk werkt valselijk bekennen in de hand. Dat blijkt ook uit een experiment dat Merckelbach en Jelicic omschrijven in hun boek over het geheugen in en buiten de rechtzaal. Zij vroegen studenten achter een computer plaats te nemen en letters in te tikken die de proefleider voorlas. Daarbij mochten ze absoluut de alt-toets niet raken: de computer zou dan crashen en dat zou voor honderden euro’s aan schade opleveren.

Na een minuut crashte – als deel van het experiment – de computer. Hoewel de studenten natuurlijk de alt-toets niet hadden ingedrukt, beweerde de proefleider dat ze dit toch hadden gedaan. 82% van de studenten tekenden vervolgens een schuldbekentenis waarop ze de verantwoordelijkheid voor het crashen op zich namen. En de helft van hen geloofde naderhand nog steeds echt dat zij schuldig waren. Door de studenten te laten twijfelen aan hun eigen geheugen en ‘bewijs’ op te voeren door de proefleider te laten getuigen, geloofde dus in totaal meer dan 40% dat ze echt de fout waren ingegaan. De overeenkomsten met het verhoor Borsboom – toen hem werd gezegd dat er bewijs tegen hem was en dat hij dus wel de dader moest zijn – zijn verontrustend.

 

Fantasie wordt herinnering
En dat is nog niet alles. Voordat Borsboom bekende, was met hem namelijk een zogenaamd imaginatieverhoor gedaan. In zo’n verhoor moet de verdachte zich helemaal verplaatsen in de dader en tot in detail fantaseren hoe het misdrijf gepleegd zou zijn. De enige reden om zo’n verhoor te houden, lijkt te zijn dat het de verdachte in de stemming brengt om te bekennen. Dat is des te kwalijker als je weet dat imaginatie kan leiden tot zulke sterke nepherinneringen dat ze niet meer van echt te onderscheiden zijn.

Dat bleek onder andere uit een onderzoek van Hyman en Billings. Zij nodigden studenten uit om te komen praten over herinneringen uit hun jeugd. Aan de hand van een aantal steekwoorden – opgesteld met behulp van de ouders – lieten de onderzoekers de studenten vertellen. Tussen de ‘echte’ steekwoorden zaten echter expres ook een aantal die refereerden aan een nepherinnering over een bruiloft waarop ze limonade hadden geknoeid op de vader van de bruid. Dit was nooit gebeurd, maar toch probeerden de studenten – geheel in de overtuiging dat hun ouders deze steekwoorden hadden aangeleverd – het ‘limonade-incident’ te visualiseren. In een tweede sessie bleek dat dit imagineren bij 27% van de studenten had geleid tot een gedetailleerde herinnering waarvan de studenten ervan overtuigd waren dat die echt was.

Een grondige visualisatie van een misdrijf – zoals bij een imaginatieverhoor – gecombineerd met grote druk om te twijfelen aan je eigen geheugen – zoals bij de ‘Zaansachtige’ verhoormethode – zijn een psychologisch ramprecept. Met deze experimenten in je achterhoofd is het dan ook geen wonder dat Borsboom zei schuldig te zijn aan het misdrijf in het Schiedamse park. Hij was overigens onschuldig: op 6 augustus 2004 bekende Wik H. spontaan de moord en poging daartoe gepleegd te hebben. DNA-onderzoek wees uit dat hij het inderdaad had gedaan, en Borsboom werd vrijgelaten.

 

Het geheugen van Lucia de B.
Ook als je niet ten onrechte bekent kan je gebrekkige geheugen je als verdachte behoorlijk in de problemen brengen. Dat gebeurde bijvoorbeeld Lucia de B. Zij werd veroordeeld voor de moord op zeven patiënten van verschillende ziekenhuizen. Een belangrijk deel van het bewijs tegen haar was haar eigen ‘leugenachtige’ karakter. Deze onbetrouwbaarheid was voor de rechter aanleiding om Lucia de B.’s verklaringen terzijde te schuiven als onwaar. Maar was ze wel echt leugenachtig, of had ze gewoon – net als wij allemaal – last van een feilbaar geheugen?

Een voorbeeld: Lucia de B. weet zich niet meer te herinneringen of ze op de avond dat een van haar vermeende slachtoffers sterft een bepaald alarm heeft onderdrukt of niet. Ze denkt van wel, want het is een gebruikelijke handeling: het alarm gaat af, dus ga je bij de patiënt kijken wat er aan de hand is. Als je de kamer binnenloopt druk je even op een knopje waardoor het alarm een paar minuten ophoudt met piepen, omdat dat lawaai anders afleidt. Lucia de B. verklaart hierop dat ze dan wel het alarm onderdrukt zal hebben. Ook bij andere routinehandelingen moet ze de rechters vaak een verklaring schuldig blijven, wat de rechter opvat als inconsistent, of een poging om de waarheid te verdoezelen.

 

‘Ik weet het niet’ is deel van de waarheid
Toch kunnen we dat ‘niet weten’ vanuit de psychologie goed verklaren. We hebben namelijk twee soorten herinneringen: episodische en semantische. In het episodisch geheugen slaan we concrete gebeurtenissen op, zoals de herinnering aan je zestiende verjaardag. Zo’n herinnering is tamelijk gedetailleerd. Het semantische geheugen werkt anders. Hier zitten abstracte dingen opgeslagen waar je normaal niet bij nadenkt, zoals de betekenis van het woord ‘taart’, en hoe je een kraan dichtdraait.

Door een vergelijkbare gebeurtenis vaak mee te maken, kan de herinnering daaraan van episodisch in semantisch veranderen. Eric Rassin geeft in zijn boek ‘Tussen sofa en toga’ een voorbeeld: een kind dat één keer is mishandeld door zijn vader, weet zich allerlei details te herinneren. Maar wordt dit kind vijftig keer mishandeld, dan ontstaat er semantische kennis. Details over bijvoorbeeld het tijdstip waarop elke mishandeling precies plaatsvond gaan dan verloren.

Dat blijkt ook uit het onderzoek door Van den Houdt en Kind. Zij lieten 39 gezonde proefpersonen achter een computer plaatsnemen. Negentien van hen kregen de opdracht om met de muis 22 keer een drietal gaspitten open te draaien, dan weer dicht, en dan te controleren op ze wel dicht waren. De anderen draaiden alleen de eerste en 22ste keer aan de pitten, en kregen daartussen een andere taak: ze moesten lampen aan en uit zetten. Bij deze ‘lampgroep’ was de herinnering aan de laatste keer gaspitten draaien en controleren veel levendiger en gedetailleerder dan bij de eerste groep die dat 22 keer had gedaan. Iets herhaaldelijk doen leidt dus tot minder zekerheid in plaats van meer.

Hetzelfde gebeurt er bij routinehandelingen als het snoozen van je wekker of de deur op slot doen. Je weet soms direct erna al niet meer zeker of je het gedaan hebt, laat staan dat je na anderhalf jaar een zinnig antwoord kan geven op de vraag of je op woensdag 10 maart de deur wel op slot hebt gedaan. Het enige wat je daarvan in alle eerlijkheid kan zeggen is dat je het niet weet, maar dat je denkt dat je het wel gedaan hebt omdat je altijd de deur afsluit. Net als Lucia de B.

 

Mistige herinneringen uit een grijs verleden
We hebben gezien dat het feilbare geheugen al enkele maanden – in het geval van de Schiedammer parkmoord – of enkele jaren – in het geval van Lucia de B. – voor allerlei justitiële moeilijkheden zorgt. Maar hoe zit dat na vele jaren? Die vraag werd deze zomer actueel, toen de Tweede Kamer besloot dat het Openbaar Ministerie in sommige gevallen in een oude zaak opnieuw tot vervolging mag overgaan. Ben je dus al een keer vrijgesproken, dan kan het OM je bij nieuw bewijs nogmaals voor de rechter brengen. Deze regel geldt voor bijvoorbeeld nieuw DNA-bewijs maar ook voor een nieuwe getuigenverklaring. Is dat psychologisch wel verantwoord?

Het is voor mensen soms moeilijk om onderscheid te maken tussen echte, eigen herinneringen en gerelateerde informatie uit een andere bron. Dit verschijnsel noemen we bronamnesie: twee herinneringen, bijvoorbeeld aan een gesprek dat je hebt gevoerd en aan een krantenbericht dat je hebt gelezen, fuseren tot één. Meestal maakt dat niet zoveel uit: het is niet erg als herinneringen aan een vakantie toen je klein was vooral voortkomen door de verhalen van je ouders of door wat je zelf hebt gezien. Maar als je vele jaren na dato nog over een gesprek moet verklaren voor de rechter, dan is het wel van groot belang.

Neem de begraafplaatsmedewerker die eerder dit jaar verklaarde de dag na de Deventer moord een gesprek te hebben gehad met de klusjesman. In dit gesprek zou de klusjesman hebben verteld hoe het slachtoffer, een weduwe, om het leven was gekomen. Dit was toen echter nog niet bekend, behalve natuurlijk bij de dader. Voor de duidelijkheid: momenteel zit Ernest Louwes, en niet de klusjesman, in de gevangenis voor de moord. Echter, zonder de getuige van kwade opzet te betichten moet je toch de mogelijkheid meenemen dat hij na bijna acht jaar dat toch eigenlijk niet meer precies kan weten. Is de inhoud van het gesprek zoals hij zich dat nu herinnert misschien gekleurd door wat hij later in de krant las? Of had hij het gesprek wel met de klusjesman, of met iemand anders?

 

Onterecht beschuldigd
Het komt vaker voor dat in een strafzaak iemand onterecht van iets wordt beschuldigd. Soms wordt een onschuldige omstander zelfs als dader gezien. Eric Rassin haalt in zijn boek een bekend voorbeeld aan van de psycholoog Donald Thomson. Hij werd verdacht van de verkrachting van een vrouw die in haar eigen huis televisie aan het kijken was. Ze herkende hem als de dader, maar dit bleek onmogelijk: Thomson was die avond live op televisie geweest. In het hoofd van het slachtoffer was de herinnering aan die liveshow met die aan de verkrachter samengesmolten.

In dit licht lijkt het niet zo’n goed idee om iemand opnieuw te vervolgen omdat een getuige jaren na het misdrijf zich ineens iets weet te herinneren, hoe overtuigd hij zelf van die herinneringen is. Kwade opzet is niet het probleem; het gebrekkige geheugen van mensen des te meer. Zonder al te veel moeite twijfelen we zodanig aan ons eigen geheugen dat we onszelf of anderen in de problemen brengen. En zodra iets routine wordt, is de kans groot dat we er helemaal geen herinnering aan hebben. Rechters zouden er goed aan doen lering te trekken uit de psychologie, en de feilbaarheid van het menselijke geheugen mee te nemen in hun beslissingen. Want elke onschuldig veroordeelde is er één te veel.

Dit artikel verscheen in december 2007 op Kennislink.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.