dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Martha Freud legde elke ochtend Sigmunds kleren klaar en deed zelfs de tandpasta op zijn tandenborstel. Leo Tolstoj had alle tijd om te schrijven omdat hij, zoals zijn vrouw toevertrouwde aan haar dagboek, ‘in 32 jaar niet eenmaal vijf minuten aan het bed van een ziek kind heeft gezeten om mij wat rust te gunnen.’ Vera Nabokov was niet alleen de huishoudster en kinderopvoeder, maar ook Vladimirs immer beschikbare secretaresse en redacteur.

De Amerikaanse schrijfster Lorrie Moore kreeg moppers van de New York Times Book Review omdat ze zestien jaar had gedaan over een bundel met acht verhalen: ‘Eén verhaal per twee jaar? – Ik voelde me teleurgesteld.’ Waarop ze uitlegde dat zij, in tegenstelling tot Nabokov, een alleenstaande moeder was met een voltijds onderwijsbaan, die alles zelf doet. Ze verzuchtte: ‘Alle schrijvers hebben een Vera nodig.’

Onwillekeurig dacht ik aan een van de vele seksistische uitspraken van Thierry Baudet: ‘Ik weet wel dat vrouwen over het algemeen minder excelleren in een heleboel beroepen en minder ambitie hebben. Vaak ook meer interesse hebben in gewoon meer familieachtige dingen enzo.’

‘In de loop van de geschiedenis is de tijd van vrouwen altijd onderbroken en gefragmenteerd geweest’, schreef journalist Brigid Schulte in The Guardian. Het ritme van hun dagen werd bepaald door de zorg voor het huishouden en familieleden. Maar om creatief te kunnen zijn, om kunst, ideeën of verhalen te scheppen, heb je tijd nodig. Lange, aaneengesloten zeeën van tijd waarin je je kunt concentreren, in een staat van flow kunt raken waarin je zonder besef van tijd met de muze danst. ‘Dat is echter een luxe die vrouwen zich nooit hebben kunnen permitteren, in ieder geval niet zonder van egoïsme beschuldigd te worden.’

Ik geloof niet dat dit tegenwoordig fundamenteel anders is: van vrouwen wordt nog steeds onbaatzuchtige zorgzaamheid verwacht. Voor moeders geldt dat ze best iets voor zichzelf mogen, maar je kinderen horen het belangrijkste te zijn. Vrouwen doen het meeste huishoudelijke werk. En zelfs als de klusjes eerlijk verdeeld zijn, dragen vrouwen vaker de mentale last ervan. Zij zijn de manager en het geheugen van de familie: zij weten dat gymkleren echt vandaag in de was moeten, dat de melk op is, dat de jongste nog moet oefenen met lezen. Aan veel heteromannen gaat dit voorbij tot hun vrouw vraagt of ze willen helpen.

Schrijver Kim Brooks noemt dit treffend ‘de achtergrondruis van het ouderschap. Het zachte, constante gebrom van nerveuze spanning.’ Die spanning botst hardvochtig met de zeeën van geconcentreerde tijd die nodig zijn om te creëren. Niet in de laatste plaats omdat het niet echt de bedoeling is dat je als vrouw die spanning loslaat. Je dient bijvoorbeeld niet zo op te gaan in je eigen geestelijke universum dat je vergeet je kinderen eten te geven of een verjaardagscadeau voor je schoonmoeder te kopen. Dat kan alleen als je een Vera hebt.

Vrouwen betalen hier een hoge prijs voor. ‘Ik zou me nooit meer vrijwillig in deze staat van dienstbaarheid begeven’, zegt schrijfster Rufi Thorpe in een prachtig essay in Vela Magazine. ‘Ik ben ten diepste onvrij.’

Het is niet zo dat ze het moederschap onaangenaam vindt. ‘Het probleem is niet wat ik doe. Het is wat ik niet doe, namelijk: elke dag schrijven, maar ook het leiden van een leven van de geest.’ Er is een conflict tussen het egoïsme van een kunstenaar en de onzelfzuchtigheid van een moeder. ‘Wanneer ik met mijn kinderen ben is het mijn taak om zo weinig mogelijk behoeftes te hebben, zodat ik in die van hen kan voorzien. (..) Het is mijn taak om voor hen onzichtbaar te zijn.’

Wanneer seksisten zeggen dat vrouwen nou eenmaal minder ambitieus zijn, wissen ze dit conflict uit. Ineens klinkt het alsof dit een natuurlijke toestand is. De vrouwen die hun zeeën van creatieve tijd verloren aan de rol van onzichtbare manager zijn weggepoetst uit hun eigen verhaal.

Schulte vertelt hoe ze ooit de beroemde psycholoog Csikszentmihalyi interviewde, die als eerste het fenomeen flow beschreef. Ze vroeg of zijn onderzoek ook iets zei over de vraag of vrouwen net zoveel mogelijkheden hebben om in een flow te raken als mannen. ‘Hij dacht een moment na, en vertelde me toen een verhaal over een vrouw die de tijd uit het oog verloor tijdens het strijken van de shirts van haar man.’

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

In mijn werkkamer hangt een citaat van fantasy-schrijver Daniel José Older: ‘Schrijven begint met vergiffenis.’ De persoon die je moet vergeven, ben je zelf. ‘Dit is wat meer mensen van schrijven weerhoudt dan wat dan ook: schaamte’, stelt Older. ‘Dat zeurende gevoel van ‘zou moeten’, ‘had gemoeten’ en ‘als ik nou maar…’. Schaamte leeft in het lichaam, het verkrampt onze spieren wanneer we achter ons toetsenbord zitten.’ Maar schrijven zou een creatieve reis moeten zijn, vindt hij, geen oefening in zelfkastijding. Dus maakt hij er speciaal tijd voor. ‘Ik vergeef mezelf dat ik niet eerder ben gaan zitten om te schrijven, dat ik gisteren vrij heb genomen, dat ik mijn leven leef. Die schaamte? Ik laat het los.’

De schrijvers die dit loslaten het meest nodig hebben, zijn volgens Older degenen die niet hetero zijn, niet cis, niet zonder beperking of ziekte, geen witte man. Voor ons, betoogt hij, is het schrijfproces doordrongen van schaamte, het idee dat we hier niet horen, dat we het niet verdienen om onze stem te laten horen. ‘Niets zal een schrijver meer hinderen dan dit.’

Ik moest hieraan denken toen ik The Gendered Brain las, een nieuw boek van neurowetenschapper Gina Rippon. Hoewel ze het woord schaamte niet gebruikt, gaat ze uitgebreid in op die onzekerheid, terughoudendheid en verkramping – die niet alleen in je spieren maar ook in je brein blijkt te zitten.

Rippon beschrijft een onderzoek waarin vrouwen in een hersenscanner een ruimtelijk inzichtstest deden. Wanneer ze vooraf te horen kregen dat dit typisch iets is waar vrouwen goed in zijn, gebruikten ze breingebieden die te maken hebben met visueel-ruimtelijke verwerking. Maar wanneer vrouwen was gezegd dat dames hier normaliter slecht in zijn, hadden ze juist veel activiteit in de hersendelen die betrokken zijn bij vooral geen fouten maken. Ze scoorden gemiddeld ook minder goed op de test.

Iets vergelijkbaars zagen wetenschappers bij vrouwen die een wiskunde-opgave maakten. Na neutrale instructies gebruikten ze hun brein zoals gebruikelijk is bij het oplossen van algebraproblemen. Maar vrouwen die aan genderstereotypen waren herinnerd, gebruikten delen die we associëren met sociale en emotionele verwerking.

Ouderwetse stereotypen zijn een extra last voor het vrouwenbrein, concludeert Rippon. Waar je je anders met volle hersenpower kunt storten op weloverwogen logica, verspilt je brein nu denkkracht aan het bezweren van angst en onzekerheid. De hersenen zetten daarmee een rem op zichzelf; ze worden een soort ‘innerlijke begrenzer’, wat zich vaak vertaalt in een neiging tot terugtrekken of zwijgen. Een ervaring die vrouwen delen met mensen die tot een etnische of seksuele minderheid behoren, stelt Rippon.

In een meer literaire interpretatie van dit fenomeen citeert Older de schrijfster Anaïs Nin: ‘Schaamte is de leugen die iemand je over jezelf heeft verteld.’ Om daaraan toe te voegen: ‘Laat een leugen niet kloten met je flow.’ Dat is geen zuiver wetenschappelijke conclusie, maar wel een zeer waardevol advies.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

We zijn niet gulzig genoeg geweest. Dat dacht ik toen ik Thierry Baudets essay las in American Affairs. Daarin keert hij zich tegen abortus, dat hij beschrijft als ‘het vernietigen van nieuw leven (in de baarmoeder) om te voorkomen dat de vrijheid van het individu verstoord wordt’. Dit is een slechte zaak, moeten we begrijpen, want zulk individualisme verzwakt de instituties die ons leven betekenis geven, zoals de familie, en maakt de samenleving week.

Vervolgens verbindt Baudet de bevrijding van de vrouw, via de vaststelling dat Westerse carrièrevrouwen onvoldoende kinderen krijgen, met de ‘demografische neergang van Europa’. In een vlaag van nauwelijks homeopathisch verdund lavendelfascisme voegt hij hieraan toe dat we de keuze hebben tussen óf terugkeren naar vroegere tradities en van daaruit wedergeboren worden als sterke natie, óf vervangen worden.

Baudet heeft de tijdsgeest mee: het recente abortusverbod in Alabama, Siriz die met subsidie ‘neutrale abortuskeuzehulp’ mag blijven geven ondanks banden met de Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind, de Europese anti-abortuslobby die steeds professioneler en invloedrijker wordt. Zoals Sheila Sitalsing schreef: je kijkt even de andere kant op, en de vanzelfsprekendheden die er net nog waren zijn plotseling weg.

We zijn niet gulzig genoeg geweest, dacht ik; deze strijd leek gewonnen, en dus hebben we als feministen verzuimd abortus op te eisen als recht voor iedereen met een baarmoeder. Dat is het nu niet: het staat nog steeds in het strafrechtboek, met als uitzondering dat een arts mag besluiten dat het een noodsituatie betreft. Voor baarmoederhebbers is het grondrecht op lichamelijke onaantastbaarheid dus nog steeds voorwaardelijk. Nu de conservatieve wind aantrekt, maakt dit het baas-in-eigen-buik-idee verontrustend kwetsbaar.

We zijn niet gulzig genoeg geweest, en nu wordt er zelfs door voorstanders van abortus over gesproken alsof het een gunst is. Zo noemde Arjen van Veelen het ‘in mijn ogen niets vrolijks, eerder een noodzakelijk kwaad.’ NRC-columnist Rosanne Herzberger schreef: ‘Pijnlijk om vrouwen een rondedansje te zien doen rondom abortussen. Terwijl uiteindelijk abortus toch gewoon falen is. (..) een laatste verdrietige noodgreep.’ Abortus als iets dat des-aller-noods geschonken kan worden, maar waarvoor je wel dient te betalen in berouw, schuld, en schaamte.

Maar waarom? Ik zag vrouwen nooit massaal lichtzinnig doen over abortus. Wel zag ik vrouwen hun mogelijkheid tot zelfbeschikking-in-utero bejubelen. En terecht: baas zijn in eigen buik is een groot goed. We zouden er parades voor moeten houden. Al was het maar omdat de alternatieven verschrikkelijk zijn.

Daar hoor je conservatieven zelden over; zij koesteren de impliciete suggestie dat wanneer je abortus verbiedt, er een toekomst wacht vol blozende baby’s, gelukkige gezinnetjes en sterke natiestaten. In werkelijkheid gebeurt er dit: illegale abortussen, mogelijk met breinaalden in smerige achterkamertjes, of gedwongen baring.

Dat laatste klinkt voor mensen die geloven dat het leven begint bij de bevruchting misschien onproblematisch. Maar het is in onze samenleving zonder precedent. We staan nooit toe dat iemands lichamelijke soevereiniteit geschonden wordt om een mensenleven te redden; de staat mag ons niet dwingen een nier af te staan of bloed te geven. Er zijn welbeschouwd maar twee redenen waarom zulke staatsdwang wel voor zwangeren zou mogen gelden. De eerste: je ziet een baarmoederhebber niet als mens, maar als ding dat je mag reduceren tot broedmachine. De tweede: je ziet gedwongen zwangerschap en baring als een gepaste consequentie (lees: straf) voor het feit dat een vrouw zomaar onbezonnen gesekst heeft. Een abortusverbod is dan niets minder dan een lijfstraf. Dat is onacceptabel en wreed.

Dus moeten we gulzig zijn. In The New Republic betoogt feminist Laurie Penny vlammend dat er geen enkele wettelijke beperking op abortus zou mogen zijn. Net als elke andere medische handeling hoort het een zaak te zijn tussen patiënt en arts. En zo is het.

Het juiste antwoord op conservatieven die hun klauwen in onze baarmoeders proberen te slaan is niet: gun ons alsjeblieft keuzevrijheid. We moeten veel gulziger zijn dan dat. Het antwoord is: weet wat jullie wakker maken. Jullie spelen met vuur. Wij zijn vuur. Nooit zullen we onder dwang baby’s baren. Abortus is ons onvervreemdbare recht, onze lichamelijke onaantastbaarheid is onvoorwaardelijk. Wij zijn de kleinkinderen van de heksen die jullie niet konden verbranden, en als jullie aan onze baarmoeders komen, komen we achter jullie aan.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Al dagen loop ik erover te peinzen: dat mijn collega Elma Drayer vorige week in haar column schreef dat ze het patriarchaat niet kan vinden. En dat dit volgens haar komt omdat, in haar woorden, dit systeem van ‘hogere machten [die] trachtten vrouwen op sluwe wijze eronder te houden’ niet bestaat.

Persoonlijk zou ik het patriarchaat volgaarne kwijt zijn, maar helaas zie ik het overal. In een steekhoudende analyse over hoe er in de Amerikaanse media veel minder aandacht is voor de vrouwelijke presidentskandidaten dan voor de mannelijke. In de smerige graagte waarmee trollen verzonnen dat wetenschapper Katie Bouman slechts aan aandachtsgeil vrouwtje is en dat al het échte werk aan de foto van het zwarte gat door mannen is gedaan. In de speelgoedwinkel die scheikundedozen voor jongens verkoopt en maak-je-eigen-make-up-dozen voor meisjes. In de documentaire Man Made van Sunny Bergman, waarin een vader vertelt dat hij twijfelt of hij zijn zoon zal leren naaien, omdat hij vreest dat de tiener met zo’n ‘vrouwelijk’ tijdverdrijf gepest zal worden. Zelfs in Drayers eigen column, waarin ze erkent dat er taaie opvattingen over het mannelijk en het vrouwelijk wezen bestaan, waardoor hij zich superieur waant en zij haar bestemming in kind en keuken ziet.

Nu zou ik Drayers conclusies natuurlijk kunnen weghonen, zoals men dat tegenwoordig te vaak doet bij intellectuele onenigheid. Ik zou schamperen dat het nogal wiedes is dat je het patriarchaat niet kunt vinden als je het begrip zelf eerst hebt verwrongen tot een soort complottheorie, met sluwe hogere machten en al. Zo’n complot lijkt me kras, zou ik dan schrijven. Maar laat ik het mezelf niet te gemakkelijk maken. Misschien moet ik eerst eens bij het fenomeen ‘patriarchaat’ onder de motorkap kijken.

Om te beginnen: wat is dat ‘patriarchaat’ eigenlijk? De Encyclopedia Britannica definieert het als een hypothetisch sociaal systeem waarin de vader of een oudere man de absolute autoriteit is in de familie; en in het verlengde daarvan, waarin mannen de absolute autoriteit hebben over de gemeenschap als geheel. Dit levert punten op voor Drayer: zo is onze samenleving inderdaad niet georganiseerd – al zou je foto’s van de G20- of EU-leiders kunnen googelen, en je kunnen afvragen of ‘bijna absolute autoriteit’ geen terechte kenschets is.

Maar er zijn meer definities mogelijk. Ik las een Guardian-artikel van journalist Charlotte Higgins, die het patriarchaat beschrijft als een vrijwel onzichtbaar mechanisme dat verschillende vormen van vrouwenonderdrukking verbindt: van persoonlijk tot geopolitiek, van triviaal tot bloedserieus. Die onzichtbaarheid is een belangrijk kenmerk, dat zij historisch verklaart: de dominantie van mannen is millennialang zo vanzelfsprekend geweest dat het gold als volkomen natuurlijk. Het patriarchaat was niet eens een concept, laat staan dat je het kon bevragen.

Pas in de negentiende eeuw kwam de Zwitserse antropoloog Bachofen ermee. Naast een biologische evolutie hebben we ook een culturele evolutie doorgemaakt, opperde hij. In vroeger tijden zou de mensheid een (wanordelijk en bloederig) matriarchaat hebben gekend, maar van die onbeschaafde wijvenverschrikking zijn we goddank gered door het (hemelse en rationele) patriarchaat.

Dat is kullebul: afgaand op wat wetenschappers de afgelopen jaren ontdekten, waren onze prehistorische voorouders waarschijnlijk juist bijzonder egalitair. Maar dat weerhoudt een aantal invloedrijke alt-right-lulhannesen er niet van om het idee van het verlossende patriarchaat enthousiast te omarmen. Zoals Jordan Peterson, die vrouwelijkheid ziet als chaos, en het patriarchaat als de natuurlijke orde; een hiërarchie die simpelweg voortkomt uit het feit dat mannen competenter zijn. Of Steve Bannon, die zei: ‘De anti-patriarchaat-beweging gaat 10.000 jaar aan geschiedenis ongedaan maken.’ (Bedoeld als onheilspellende waarschuwing, niet als: ‘Yes, hup, puik plan!’)

Dat levert een interessante toestand op. Het is nog steeds mijn overtuiging dat het patriarchaat, als moeilijk zichtbaar onderdrukkend systeem, zeer reëel is. Maar zelfs als Drayer gelijk heeft en het patriarchaat bestaat niet, dan nog bevinden we ons in een werkelijkheid waarin populaire engerds, met in hun kielzog massa’s boze witte mannen, er wel in geloven. En (vrij naar het Thomas-theorema): als griezels het patriarchaat als echt definiëren, dan is het echt in zijn consequenties.

Het lijkt me dan ook voor iedereen, maar vooral voor vrouwen, beter als we het patriarchaat niet overlaten aan deze mispunten. Ik denk dat Drayer en ik het daar over eens kunnen zijn.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Een tegeltjeswijsheid die men toeschrijft aan zowel Boeddha, Aristoteles, Jalal ad-Din Rumi als Abraham Lincoln stelt dat je, voor je spreekt, over drie dingen moet nadenken: is wat ik wil zeggen waar, is het noodzakelijk en is het aardig? Is het antwoord op een van deze vragen nee, dan kun je beter zwijgen.

Daar is natuurlijk wel wat op af te dingen. Als iets bijvoorbeeld waar is, en erg nodig gezegd moet worden, is enige maling aan het aardig-criterium aanbevolen (‘Wat je daar zegt, is racistisch, oom Jan’). En er zijn situaties waarin het noodzakelijk is om iets aardigs te zeggen, ook als het strikt gezien niet klopt (‘Je ziet er vandaag prachtig uit in je trouwjurk’). Maar over het algemeen zijn er slechtere vuistregels om te overpeinzen voor je je spuigat opentrekt.

Ik denk hier vaak aan wanneer mannen op twitter met mij proberen te discussiëren. Soms zijn het trollen; zij zeggen dingen die noch waar noch aardig noch noodzakelijk zijn (‘Sterf, kankerhoer, niemand wil je’). Hiermee omgaan is pijnlijk maar niet moeilijk; met iemand die je uitscheldt, hoef je niets.

Ingewikkelder vind ik mannen die niet echt onaardig zijn, maar wel met onware of niet-noodzakelijke reacties komen. Wat deze mannen gemeen hebben, is dat ze zich gedragen alsof ze recht hebben op stukjes van mij: op mijn tijd, mijn energie, mijn uitleg. Ik noem ze zuigers en ze komen in verschillende subtypen:

De mansplainer: geeft ongevraagd uitleg over iets waar je verstand van hebt, en raakt pedant-verbolgen dat je daar niet in superblij mee bent.

De Dunning-Kruger-man: mengt zich in discussies over complexe onderwerpen met onzinnige en ongeïnformeerde tweets, maar is zich zo volkomen onbewust van zijn eigen intellectuele middelmatigheid dat hij boos wordt als je geen serieus debat aangaat.

De ratio-man: wil overal ‘logisch’ en ‘feitelijk’ over discussiëren, en verlangt steeds onderbouwing met bronnen, maar vindt elk onderzoek of artikel dat niet in zijn ideologische straatje past ‘ondeugdelijk’.

De gewoon-bezorgd-man: geeft heus geen kritiek, maar is ongerust. Bekend figuur in het leven van dikke vrouwen: ‘Ik vind het reuze knap dat je van jezelf houdt, maar van obesitas ga je dood.’

De onderwijs-me-dan-man: gelooft maar half wat je vertelt over ongelijkheid en onderdrukking, maar zegt graag te willen leren en stelt je vervolgens twintig vragen die hij ook simpel had kunnen googelen.

De niet-alle-mannen-man: herkent zichzelf niet in kritiek op mannen, want vindt zichzelf een toffe, dus roept ‘niet alle mannen!’. Wil vaak ook een koekje voor het niet-zijn van een klojo.

Al deze mannen wil ik oproepen om het tegeltje van Boeddha & co ter harte te nemen. En voor de mannen die dan verontwaardigd denken: ‘Maar zo krijg je een wereld waarin mannen helemaal niets meer mogen zeggen!’ wil ik graag de heerlijke komiek Sofie Hagen citeren: ‘Yessss! Imagine! That’s the dream!’

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Waarom zou ik niet dromen? Heleen Mees verwijt me in haar column van vorige week dat ik feminisme gebruik als haakje om te pleiten voor een socialistische heilstaat. Ze schuimt deze klacht vervolgens meteen op tot een vergelijking met Mao. Laat me dus beginnen met een geruststelling: op mijn bureau liggen geen concrete plannen voor een genocidair landbouwbeleid, en evenmin ben ik van plan mijn feministische overpeinzingen kracht bij te zetten door me tot dictator te ontpoppen. Er zitten geen rode boekjes in de pijnlijn. U bent echt tamelijk veilig.

Maar waarom zou ik niet dromen van een heilstaat? Van een wereld waarin er voor alle vrouwen een goed leven mogelijk is? Dit is wat feministen als Mees te bieden hebben: als je als vrouw veel en hard werkt, kun je je invechten in het huidige kapitalistische, patriarchale systeem, en een paar succesvollen verwerven dan een invloedrijke toppositie. Dit is misschien een prima scenario voor de vrouwen die hier de mogelijkheden en energie voor hebben. Maar ik vraag me af: en de rest van de vrouwen dan?

Begrijp me niet verkeerd: natuurlijk vind ik ook dat we moeten streven naar een samenleving waarin vrouwen en mannen de macht eerlijk delen. En uiteraard moeten we alle obstakels die dit gelijkheidsideaal hinderen omver schoppen; laten we extrabelegen genderstereotypen vermorzelen en seksisme te lijf gaan met woorden en hooivorken.

Maar een feminisme dat zich enkel bezighoudt met de top en de macht is een feminisme dat de dagelijkse realiteit van veel vrouwen verwaarloosd. Van vrouwen die arm zijn. Vrouwen die niet neurotypisch zijn. Vrouwen met een beperking. Vrouwen zoals collega Harriët Duurvoort, die gisteren schreef hoe ze haar werk en ambities heen moet vouwen om de intensieve zorg voor haar kind.

Of vrouwen zoals ik, die chronisch ziek zijn. Op een slechte dag kruip ik na een uur werken op de bank, waar ik me oprol onder een deken; vermoeid tot op het bot omdat mijn lijf overal pijn doet, en gefrustreerd omdat mijn gedachten als een emmer regenwormen zijn, krioelend zonder orde en te glibberig om er eentje vast te houden. De top, de macht: het zal me op zo’n moment werkelijk worst wezen.

Dat weerhoudt me er evenwel niet van om te verlangen naar een heilstaat. Mees schreef in haar column dat deeltijddames het bederven voor andere vrouwen, omdat werkgevers ‘immers de voorkeur zullen geven aan de mannelijke sollicitant’ boven een misschien-straks half inzetbare vrouw. Dat woordje ‘immers’ is veelzeggend. Er spreekt een zekere berusting uit, een acceptatie dat dit nu eenmaal is hoe het werkt: in een neoliberaal kapitalistisch en patriarchaal systeem is het begrijpelijk dat werkgevers in hun zoektocht naar de goedkoopste arbeidskracht op voorhand alvast wat discrimineren.

Maar waarom zou ik hiermee akkoord gaan? Er is geen natuurwet die voorschrijft dat we in zo’n systeem moeten leven. En als zieke vrouw ben ik me er pijnlijk van bewust wat deze vorm van kapitalisme ons allemaal niet gebracht heeft. De zorgstaat is afgebroken, vangnetten zijn verdwenen, uitkeringen uitgekleed, sociale huurwoningen verkocht. Ben je niet supervermogend, dan ben je nooit helemaal veilig. Dus moeten veel mensen voortdurend watertrappelen. Wie ontspant, kan zinken. Wie opgeeft, kan verdrinken. Er worden geen zwembanden uitgedeeld. Je moet op eigen benen staan, ook als de eerste plek waar je grond onder je voeten vindt de zeebodem is.

Dit raakt iedereen, maar kwetsbare vrouwen het meest. En als ik daarover peins, denk ik eigenlijk nooit: vrouwen moeten eens wat harder werken. Om eerlijk te zijn, denk ik: waar blijft de fucking revolutie?

We hebben een feminisme nodig dat niet alleen gaat over de macht en de top, maar over alle vrouwen. Een feminisme dat, om schrijfster Laurie Penny te citeren, gaat over ‘ons recht om waardig te leven, ons recht op onderdak en levensonderhoud en leren en de mogelijkheid om voor elkaar te zorgen.’

Gisteren las ik een artikel van de wijze vrouwenrechtenactivist Nawal El Saadawi. Ze schreef: ‘We moeten onze opvatting over wat succes is veranderen. Het is noch geld, noch beroemdheid, noch macht: het is het vermogen om de wereld een betere plek te maken om in te leven.’

Verwijt me dus niet dat ik droom van een heilstaat. Droom met me mee.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.