dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Het is een kunst op zich: het NOS-journaal beging vorige week maar liefst twee wetenschapsjournalistieke blunders. Het geklungel begon op maandag, toen ze de noodklok luidden over het feit dat jongeren tegenwoordig “dwangmatig afhankelijk” zijn van hun mobiele telefoon. Uit ‘onderzoek’ (op die sceptische aanhalingstekens kom ik zo terug) van de wetenschappelijk klinkende ‘Academie voor Media en Maatschappij’ was gebleken dat de jeugd van tegenwoordig dankzij twitter, facebook en dergelijke allerlei alarmerend klinkende symptomen ontwikkelt, zoals FOMO (fear of missing out) en SMS (social media stress).

In het bijbehorende NOS-item figureerden een Academie-expert en een groepje jongeren die toegaven niet zonder te kunnen en om dat te demonstreren ongemakkelijk onspontaan voor de camera dansten met een mobieltje in hun hand. Metro en het Reformatorisch Dagblad pakten de volgende dag prominent uit met het nieuws, en ook de Trouw-website maakte gewag van deze onheuglijke tijding.

Dat hadden ze beter kunnen laten. Wetenschapsjournalist Maarten Keulemans maakte op zijn NWT-blog gehakt van het zogenaamde onderzoek. Ja, er waren vijfhonderd jongeren ondervraagd, maar het rapport verwees naar Wikipedia in plaats van naar wetenschappelijke publicaties en volgens hun eigen cijfers ging de meerderheid van de jongeren juist zeer relaxt met sociale media om. Media-expert en blogger Linda Duits voegde hier een dag later aan toe dat de Academie voor Media en Maatschappij allerminst een onafhankelijk onderzoeksinstituut is, maar een toko die sinds kort voor 495 euro cursussen Social Media Professional verkoopt aan jeugdwerkers.

Het wetenschapsredactieloze NOS-journaal was, kortom, lelijk in een PR-actie gestonken. Maar hun eerdere onheilspellende conclusies nuanceren, dat deden ze niet. Zulks lijkt traditie te zijn. Ik herinner me bijvoorbeeld nog levendig hoe wetenschapsjournalisten collectief hun tenen kromden toen de NOS zich in 2010 nat ging op nanotechnologie. Het journaal meldde hoe wijn die je van smaak kunt laten veranderen “binnenkort realiteit is”. Ook na onderbouwde kritiek bleven ze achter hun item staan. Twee scheikundestudenten waren onverbiddelijk: “De NOS weet science niet meer van fiction te onderscheiden.”

Het merkwaardige is dat ze dit onderscheid ook helemaal niet zo belangrijk lijken te vinden. In het blad Delta van de TU Delft gaf hoofdredacteur van het NOS-journaal Marcel Gelauff zijn visie op wetenschapsnieuws. Ik bloemlees: “Wij doen geen simpel feitenonderzoek. Wat vroeger voor waar werd aangenomen, wordt inmiddels weer ondergraven. Absolute waarheden bestaan niet. Als de kijker na het zien van zo’n item in verwarring is, dan is dat zo.”

Ik kan niets met de suggestie dat wetenschap ook maar een mening is, en een van tijdelijke geldigheid bovendien. Daar komt nog bij dat Gelauff het doet voorkomen alsof de optie op voortschrijdend inzicht elke poging om iets vast te stellen bij voorbaat zinloos maakt. Een raar uitgangspunt, want als journalisten niet achter de feiten aangaan, wie dan wel? Laat de NOS ons belastinggeld uitgeven aan waarheidsvinding, niet aan het zaaien van postmodernistische verwarring. En al helemaal niet aan de PR-in-vermomming van een of andere nepacademie.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

De essaybundel ‘Duizend bloemen en granaten’ is uitgebracht op initiatief van het Instituut Samenleving & Technologie (IST), dat verbonden is aan het Vlaams Parlement. In deze bundel schrijven vooral wetenschappers (en ik dus) over man-vrouwverschillen en de genderkloof tussen de seksen. Mijn essay is getiteld ‘Hoe cultuur onze genen de baas is’ en zal tzt ook op mijn website te vinden zijn.

 

Flaptekst:
‘Duizend bloemen en granaten’. Het klinkt een beetje als een zucht: omdat, zo blijkt uit de artikels in deze bundel, er in het domein van gender, wetenschap en technologie nog steeds veel werk aan de winkel is.
En dit ondanks alle inspanningen die de afgelopen jaren geleverd zijn om een beter genderevenwicht te realiseren. Het is tegelijk ook uitdrukking van geloof in betere tijden. Het streven naar een beter genderevenwicht is niet alleen zinvol vanuit het verlangen van vrouwen naar gelijke rechten en kansen. Het is tegelijk niet minder dan een noodzakelijk ingrediënt om belangrijke maatschappelijke uitdagingen, waar we aan het begin van de 21e eeuw voor staan, aan te kunnen gaan.

In acht artikels geven auteurs vanuit een verschillende achtergrond hun visie op telkens een ander aspect van het thema ‘gender, wetenschap en technologie’. Het is onmogelijk om dit thema uitputtend in één bundel te behandelen. Het IST is er echter van overtuigd dat deze bundel meer dan genoeg prikkels biedt voor een broodnodig verdergaand debat. De bal ligt nu weer in het kamp van de lezers.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Acht uur op hakken, dat houd ik echt niet vol’, klaagt het meisje dat in de trein tegenover me zit. Ze is horecastudent en moet voor haar opleiding een dag gastvrouw zijn bij een niet nader gespecificeerd chique evenement. ‘Nette kleding, oké. Maar dit is toch niet te doen? Ik moet de hele tijd staan! Bovendien: de jongens hoeven dat ook niet’. Weigeren is geen optie, vertelt ze. Vorig jaar kwam een vriendin op keurige platte schoenen en die werd naar huis gestuurd met een onvoldoende.

Hoge hakken horen tegenwoordig bij het zakelijke standaarduniform van de vrouw. Niet alleen in de horeca, maar ook in de politiek, zo las ik afgelopen donderdag in Trouw. In het boek ‘Haagse hakken’ (de titel is al veelzeggend) vertellen politicae over hun succes. Uiterlijk speelt een belangrijke rol. ‘De Nederlandse vrouw die wat wil in de politiek, laat zichzelf zien’, staat er. Wat ‘jezelf’ is, is echter aan strenge regels gebonden. ‘Geen donker broekpak à la Angela Merckel of Hilary Clinton’ en over een voorkeur voor platte schoenen zegt een van de schrijfsters dat het maar de vraag is of vrouwen zich dat wel kunnen permitteren. Zonder hoge hak geen succes.

Eenzelfde boodschap stond in februari ook al in feministisch maandblad Opzij. In het artikel ‘Emancipatie op hakken’ (heb je ze weer) werd een beetje neergekeken op vrouwen die hun ‘erotisch kapitaal’ nog niet inzetten op de werkvloer. Door er aantrekkelijk bij te lopen, kun je als vrouw slim gebruikmaken van het feit dat mannen meer seks willen dan vrouwen en dus permanent seksueel gefrustreerd zijn. Als zij dan een kort rokje met een hoog hakje zien, zo is de gedachte blijkbaar, zijn ze zo met seks bezig dat je van alles gedaan krijgt. Hij wil iets van jou. Macht ligt dan voor het oprapen.

Deze redenering is allesbehalve modern. Toen evolutiepsychologen in de jaren ’60 en ’70 schreven over de positie van de seksen in de prehistorie, waren er precies twee zaken waarover de vrouw macht kreeg toebedacht: het opvoeden van de kinderen en de toegang tot seks. Mannen, zo luidde de theorie, wilden dit eerste liever niet, maar van dit laatste zoveel mogelijk. De kieskeurige vrouwen, echter, rantsoeneerden de seks vanwege het babytechnische nawerk. Deze strijd kennen we ook uit de rest van het dierenrijk, alwaar de mannetjes gedurende de evolutie allerhande trucs hebben opgepikt om zo succesvol mogelijk naar de baarmoeders van de dames te dingen. De pauw is een klassiek voorbeeld van zo’n ietwat uit de hand gelopen casanova.

Wanneer ik echter naar de foto’s van vrouwelijke politici en zakenmensen kijk, met hun goudkleurige pumps, strakke jurkjes, glimmende sieraden en felrode lippen, vraag ik me af: wie is hier nou de pauw? Wie dingt hier naar de gunsten van wie? Als je je uiterlijk en de seksuele frustratie van een ander nodig hebt om wat gedaan te krijgen, wie heeft er dan werkelijk de macht?

Begrijp me niet verkeerd: er is niets mis met een vrouw die graag hoge hakken of een kek jurkje draagt, omdat ze zich daar fijn in voelt. Maar zodra vrouwen zich lage schoenen en een broekpak niet kunnen permittéren, is erotisch kapitaliseren geen vrije keus meer, maar een modern korset. En laten we onszelf dan niet wijsmaken dat de hoge hak een symbool van macht en succes is.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Het zal de meeste van u ontgaan zijn, want het stond niet in de krant, maar vorige week was er eindelijk weer eens goed nieuws voor de psychologie. The Reproducibility Project gaat van drie vooraanstaande psychologische vakbladen alle studies overdoen die in 2008 in die bladen zijn gepubliceerd. Dat gaat over honderden psychologische onderzoeken, waarvan velen nu voor het eerst onafhankelijk zullen worden getoetst op hun losse-flodder-achtigheid.

Of dit project nu slaagt in het reproduceren van de resultaten of niet, het is sowieso goed nieuws. Lukt het om dezelfde experimenten met dezelfde uitkomst op tafel te krijgen, dan is de psychologie minder failliet dan we denken. Lukt dit niet, dan is het misschien nog wel beter nieuws, want dan weten psychologen voortaan wat ze te doen staat: eerst een gevonden effect nogmaals onafhankelijk laten vaststellen, voordat je ermee naar buiten treedt – iets dat vrij effectief een einde maakt aan alle toevalseffectjes die momenteel nog te vaak het psychologienieuws domineren. Een fraudeur als Stapel zou binnen zo’n systeem niet eens kunnen publiceren.

Er wordt veel effecten bij toeval gevonden in de psychologie die bij herhaling nergens te vinden zijn. Journalist en neurowetenschapper Jonah Lehrer schreef er in 2010 over in The New Yorker. Hij noemde het het Decline Effect. Allerlei effecten die eerst in degelijke experimenten zijn vastgesteld (dit waren geen Stapeltjes) en als feit in de studieboeken zijn gekomen, bleken bij nader inzien helemaal niet terug te vinden. Lehrer geeft het voorbeeld van Jonathan Schooler, een Amerikaanse onderzoeker die in de jaren negentig even wereldberoemd werd in heel psychologieland door te ontdekken dat je – in tegenstelling tot wat altijd gedacht werd – een gezicht of merk NIET beter onthoudt als je bij het zien zelf hebt genoemd wat de kenmerken zijn (bv ik zie een rond vrouwengezicht met blauwe ogen en een wipneus). Maar na zijn eerste ontdekking werd het steeds moeilijker om zijn bevindingen te reproduceren. “Mijn ‘grote idee’ wordt steeds zwakker”, zegt Schooler er zelf over. Lehrer voegt eraan toe: “Het is alsof onze feiten hun waarheid verliezen.”

Je zou haast denken dat de psychologie een pseudowetenschap is, waar ‘harde feiten’ net zo stabiel zijn als de euro en voor velen net zo geloofwaardig als een bankdirecteur. Het verschil met bijvoorbeeld de natuurkunde zou niet groter kunnen zijn, want daar kun je theorieën en effecten tenminste vertrouwen dat ze altijd blijven bestaan. Niemand hoeft zich zorgen te maken dat kerncentrales morgen niet meer werken, omdat E=MC2 plotseling aan het decline effect ten onder is gegaan.

Ter verdediging van de psychologie: mensen zijn, met al hun veranderingen en individualiteit, ook een stuk ingewikkelder dan atomen. Als was het maar omdat ze uit miljarden en miljarden en miljarden … van die dingen bestaan.

Onze hersencellen werken bijvoorbeeld met natrium- en kaliumionen. De elektrische stroompjes waarmee neuronen met elkaar communiceren worden opgewekt door in zo’n cel voor elke drie natriumionen die eruit gegooid worden, er twee kaliumionen in te zuigen. Zo ontstaat een potentiaalverschil, en dus hersenactiviteit. Teruggebracht tot zijn absolute basis gehoorzaamt de menselijke geest dus aan natuurkundige wetten.

In wezen is dat natuurlijk ontzettend gaaf. We denken over onszelf als wezens van vlees en bloed, maar in essentie zijn we vooral schatplichtig aan atomen en moleculen die bijna ontelbare jaren geleden zijn ontstaan in sterren en nevels. Astrofysicus Neil DeGrasse Tyson zei daarover: “Ik weet dat de moleculen in mijn lichaam herleidbaar zijn tot fenomenen in de kosmos. Dat maakt dat ik mensen op straat wil vastpakken en wil zeggen: heb je dat gehOORd?”

De schoonheid van levende wezens, zo zei Carl Sagan, zit hem echter niet in de atomen zelf, maar in de manier waarop deze atomen bij elkaar gezet zijn. Zodra je echter op dat hogere niveau gaat kijken, zijn mensen veel complexer dan natuurkundige wetten. Ze hebben gedachten, gevoelens, vertonen gedrag. Ze zijn jaloers, ze maken grappen, ze haten, ze hebben lief. Ze stellen zichzelf grote vragen: wie ben ik eigenlijk? En waarom dan?

Natuurlijk zijn er buiten de psychologie manieren om onszelf te leren kennen. Filosofie bijvoorbeeld. Maar waar de filosofie bij uitstek goed is in het stellen van de juiste vragen en het zorgen voor een juiste manier van nadenken, zijn harde, empirische vraagstukken met harde, empirische antwoorden niet het sterkste punt. Niet voor niks zei Descartes ‘ik twijfel, dus ik ben.’

Wie antwoorden en feiten zoekt, komt uiteindelijk ondanks alle hobbels en obstakels, uit bij de wetenschap. Het is tot op heden de beste manier om de objectieve werkelijkheid te leren kennen. We wegen wat we weten, formuleren een hypothese, doen ons uiterste best een experiment te verzinnen die die hypothese onderuit kan halen en hopen dan dat dit niet gebeurt.

Dit is de route van de natuurkundigen, en het is de route die de psychologie moet blijven nemen, ongeacht de tegenslag van de afgelopen jaren. Want het is de ROUTE die ertoe doet. Zoals een pelgrim die te voet naar Santiago de Compostella reist weet: de reis is het doel, en niet andersom. In het pad ligt de verlichting. Onderweg word je misschien beroofd, lijdt je pijn, raak je gevonden kennis kwijt of kom je Diederik Stapel tegen, maar je bent ook wijzer geworden.

Hoeveel wijzer, is een lastige vraag. Een bekende grap onder psychologen is “Als het brein zo simpel was dat wij het konden begrijpen, waren we zelf zo simpel dat we dat niet konden.” Ik heb dat lang een somberstemmend idee gevonden, maar nu niet meer. Zolang de psychologie zich committeert aan dezelfde wetenschappelijke spelregels als de natuurkunde, blijft herhalen, opnieuw proberen, nieuwe ideeën blijft omarmen, zal de zoektocht naar wie we zijn waardevol genoeg zijn. De reis alleen al is de moeite van het ondernemen waard. En wie weet wat voor wonderen we nog kunnen ontdekken.

Lezing Trouw Lezersfestival 21 april 2012

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Op mijn middelbare school stond het bangalijstje op de muur van de jongens-wc. Zo was er een meisje uit mavo-1, dat zich voor een gulden liet zoenen in het fietsenhok. Een ander meisje – een jaar ouder en met grotere borsten – verleende dezelfde dienst, maar dan tegen het fiks hogere bedrag van twee gulden en een sigaret (liefst Marlboro, eventueel Lucky Strike, geen Caballero). Naast het bangalijstje hielden de jongens in mijn klas nauwgezet bij wie volgens de meerderheid der stemmen de fijnste tieten, de fraaiste benen of de lekkerste billen had. Het is een wonder dat ze met al die administratiedruk nog tijd hadden om iets te leren.

De behoefte om de makkelijke en mooie meisjes lijstgewijs vast te leggen is er nog steeds, zo las ik vorige week in de krant. Blijkbaar tot ieders verbazing, want het toegesnelde journaille werkte zich binnen een paar dagen vrij efficiënt op naar een staat van morele paniek. Een meisje uit Pijnacker zou zelfmoord hebben gepleegd omdat ze op zo’n bangalijstje stond. Haar vriendinnen ontkennen dat stellig – volgens hen was ‘gewoon’ pesten de reden van haar tragische daad –, en zijn boos omdat de suggestie werd gewekt dat het meisje seksueel losbandig was. Scholen en politiekorpsen riepen meiden die op een bangalijst staan op om aangifte te doen: zeggen dat iemand een slet is, is een vorm van laster en dus strafbaar.

Het doet een beetje 19e-eeuws aan: meisjes die zich zorgen maken dat hun goede naam bezoedeld wordt door aantijgingen van onkuisheid. Je zou denken dat die meiden, ruim veertig jaar na de aanvang van de seksuele revolutie, de vrijheid zouden hebben om zonder risico op maatschappelijke afwijzing zo vaak en met zoveel mensen als ze willen te genieten van de wonderen van hun eigen geslachtsorganen. Jongens hebben die vrijheid in onze cultuur wel. Daarom is er geen mannelijke versie van het scheldwoord ‘slet’, en zijn er ook geen bangolijsten. En daarom sloeg tijdens de vorige nationale aanval van sekspaniek de term breezersletjes alleen op de meisjes, niet op de net zo goed breezerseksende jongens.

Wellicht komt dat doordat losbandigheid voor jongens en mannen als iets natuurlijks wordt gezien. Aan het begin van de jaren zeventig opperde een invloedrijke evolutiebioloog dat het voor oermannen een goed idee was om seks te hebben met zoveel mogelijk vrouwen: zo kon hij zijn genen zo wijd mogelijk verspreiden. Voor oervrouwen zat dat anders. Na een vrijpartij was er een gerede kans op zwangerschap, gevolgd door jaren aan kinderzorg. Zo’n enorme investering ga je niet aan met de genen van zomaar iemand: preutse kieskeurigheid is dus gewenst. Een vrouw of meisje met een flinke seksuele eetlust is dus tegennatuurlijk en moreel verwerpelijk.

Ondertussen hebben wetenschappers deze theorie genuanceerd. Het bleek bijvoorbeeld toch beter voor de bevruchtingskansen als een vrouw seks had met meerdere mannen. Een zekere mate van sletterigheid zit er wellicht dus van nature in. Tot nu toe hebben vrouwen deze optie binnen hun biologische erfenis nog niet echt weten te omarmen. Misschien komt dat nog: een dag dat we onze schouders ophalen over bangalijsten, omdat de seksualiteit van meisjes geen kwestie meer is van collectieve afkeuring maar van persoonlijke smaak.

 

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Grrr, heb ik het hele kastje in elkaar en dan past dat laatste schroefje er net niet in… Kom op nou, stom ding. Aaaargh!’ Bij een lastige klus hoort frustratie. Maar raakt iedereen even gemakkelijk opgefokt bij tegenslag? En heeft frustratie misschien ook nut?

 

Na bijna drie uur schroeven, trekken en duwen aan mijn nieuwe Ikeakastje gaat het mis. Bij stap 18 van de montagehandleiding dien ik een kruiskopschroefje in een gat te draaien, maar a) toegang tot het gat wordt verhinderd door een mysterieus stukje plaatmateriaal dat in de handleiding nergens is terug te vinden en b) ik heb alleen nog maar imbusschroefjes over. Ik bekijk het kastje van alle kanten maar er is slechts één oplossing mogelijk: het ding moet weer uit elkaar. Omdat ik op dit punt volledig bereid ben om het kastje met een stevige boog richting grofvuil te schoppen, dwing ik mezelf om even te gaan zitten en afstand te nemen van mijn heikele situatie. De emotie die ik voel is frustratie. Een gevoel dat erg op woede lijkt, of, in mijn geval, blinde furie. Maar frustratie is nog net iets complexer dan gewone huis-, tuin- en keukennijd. Zo zit er altijd een ondertoon van wanhoop in. Dat komt omdat frustratie eigenlijk altijd het gevolg is van onmacht of onkunde. Je voelt het wanneer je iets wilt, maar het niet voor elkaar kunt krijgen. Of wanneer je iets niet wilt, maar er niet vanaf kunt komen. Ook in het brein kun je zien dat frustratie meer is dan alleen woede. Onderzoekers zetten een aantal tieners aan de slag zetten met een gemene en ergerlijke taak die bij elke fout die ze maakten nóg moeilijker werd. Uiteraard reageerden de emotionele hersengebiedjes nogal gestresst, precies zoals je zou verwachten bij woede. Maar de onderzoekers zagen ook dat de gebiedjes die je helpen fouten op te sporen actief werden. De tieners maakten zich dus kwaad en waren gestresst door hun falen, maar tegelijkertijd probeerden ze nog steeds een goed resultaat te bereiken. Willen, wanhoop en woede: precies de hoofdingrediënten van frustratie.

 

Willen is lijden’, luidt een oude boeddhistische wijsheid. En zo is het: zou je het ‘willen’ wegnemen uit de frustratiedriehoek van willen, wanhoop en woede, dan zouden die andere twee vervelende emoties ook verdwijnen. Als ik dat Ikeakastje niet zo graag zou wíllen, dan kon dat verdwenen schroefje me ook niet zoveel schelen. Ik zou mijn schouders ophalen en lekker op de bank ploffen met een dvd’tje aan: misschien komt het morgen wel. Er zijn mensen die dat kunnen, hun frustratie zo laten gaan. Hoe zou dat komen? Zouden ze zo zen geboren zijn? Om dat te onderzoeken, bedachten wetenschappers Cynthia Stifter en Wanda Grant van de Pennsylvania State Universiteit een vrij sadistisch experiment. In het psychologielab mochten 84 blakende baby’s van tien maanden oud met hun moeder aan een tafel gaat zitten. De baby kreeg een leuk kleurrijk speelgoedje, dat bovendien geluid maakte. Negentig seconden lang mocht er naar hartenlust gespeeld worden. Daarna kreeg de moeder een signaal van de onderzoekers dat het tijd was om het speelgoed af te pakken. Ondertussen hielden Stifter en Grant via een camera de reactie van de baby goed in de gaten. Die was niet van de lucht: de meeste baby’s toonden hun frustratie luid en duidelijk. Maar de onderzoekers zagen ook duidelijke verschillen. Terwijl bijna twintig baby’s het keihard op een krijsen zetten, waren er ook 39 kinderen die geen echte woede-uitbarsting kregen. De rest zat er tussenin. Die frustratieverschillen bleken samen te hangen met het temperament van de kinderen. En van die persoonlijkheidstrek weten psychologen al langer dat het voor een groot deel aangeboren is. Waarschijnlijk is de een dus van nature sneller gefrustreerd dan de ander. Ter bevestiging heb ik het nog even nagevraagd bij mijn moeder. Haar exacte woorden, nadat ik haar vertelde over bovenstaand experiment: ‘Oh, dat had jij als baby nooit gepikt. Keihard krijsen? Niks daarvan. Jij had de tent áfgebroken.’

 

Goed. Er is vooruitgang te melden op het Ikeakastjesfront. Terugbladerend in de handleiding heb ik ontdekt dat ik bij stap zes onterecht een kruiskopschroefje in een imbusgat heb gedraaid. Nu zit ik enkel nog met de tergende taak om al mijn noeste arbeid van de afgelopen twee uur ongedaan te maken, zodat ik deze vergissing kan herstellen. Dat gaat verrassend gemakkelijk. Met mijn schroefboor draai ik de schroeven van stap 15 tot en met 8 fluitend los. Mijn gevoelens van frustratie zijn bijna verdwenen, als een ietwat scheef ingedraaid ijzeren pieletje (een beter woord heb ik er niet voor) muurvast blijkt te zitten. En het moet los. Ik trek. Geen beweging. Ik duw. Het geeft geen krimp. Ik wrik er een schroevendraaier tussen. Het pieletje verschuift geen millimeter. Ik voel hoe mijn bloed langzaam begint te koken.

Of, beter gezegd, ik voel mijn stresshormoon stijgen. Dat weet ik dankzij een experiment van een team ontwikkelingspsychologen van de Universiteit van Michigan. Zij bekeken van meer dan zeventig zeven jaar oude kinderen hoeveel stresshormoon (cortisol) ze in hun lijf hadden. Vervolgens kregen de kinderen een demonstratie van de proef die ze daarna zelf moesten gaan doen. Een van de onderzoekers liet zien hoe ze met sportsokken om haar handen de deksel van een doos tilde. In die doos zat een cadeaubon van een speelgoedwinkel: iets wat de kinderen natuurlijk heel graag wilden hebben. ‘Dit is zo’n gemakkelijke opdracht’, zei de onderzoeker tegen het kind, ‘een baby zou het nog kunnen.’ Daarna was het de beurt aan de jonge proefpersonen. Maar wat zij niet wisten, was dat na de demonstratie de doos was vervangen door een andere, waarvan de deksel zat vastgelijmd. Hoe de kinderen er ook aan trokken met hun sokhanden, de deksel was er niet af te krijgen (ik leef erg met ze mee). Je kunt je voorstellen dat ze erg gefrustreerd werden, en dat was ook terug te zien in hun hormoonspiegel: in het uur na hun sokdebacle schoot hun cortisolniveau omhoog. Dat omhoog schieten is een reactie op de adrenaline die tijdens het experiment vrijkwam. Adrenaline is het andere, snellere stresshormoon, dat je voorbereidt om te gaan vechten of vluchten. Onder invloed van adrenaline gaat je hart sneller kloppen, je spieren spannen zich aan. Klinkt bekend? Dat kan kloppen: zo voelt je lijf ook als je gefrustreerd bent.

 

‘Zullen we anders gewoon lekker vroeg naar bed gaan?’ zegt mijn lief tegen me. Ik kijk op van mijn kastje, een priem in mijn rechterhand. Blijkbaar geef ik hem nogal een woeste blik, want mijn lief deinst een klein beetje achteruit. ‘Ik maak het af’, grom ik. ‘Al is het het laatste dat ik doe.’ Dat is het enige voordeel van frustratie: op een vastberaden (en toegegeven, ietwat pitbullachtige) manier motiveert het me enorm om tóch door te zetten. En daarin ben ik niet de enige, blijkt uit een experiment uit de jaren vijftig. Psychologen Ian Waterhouse van de Universiteit van Melbourne en Irvin Child van Yale Universiteit hielden onder 64 proefpersonen (grotendeels studenten) een soort IQ-test. De ene helft werd tijdens die test door een van de onderzoekers een beetje aangemoedigd: ‘Het gaat goed, je doet het naar verwachting. Maar de andere helft werd juist expres gefrustreerd gemaakt met opmerkingen als ‘het gaat erg slecht’ en ‘zo ga je nooit slagen voor deze test’. Wat bleek? Deelnemers met een pessimistische of agressieve persoonlijkheid reageerden helemaal niet goed op zulke negatieve opmerkingen. Zij reageerden met opmerkingen en gedachtes als: ‘Ik kan dit toch niet. Ik klap helemaal dicht. Dit gaat nooit lukken’ of ‘Ach, rot ook maar op met je stomme prutstest’. Hun score op de IQ-test was daardoor aanzienlijk lager dan van de pessimisten en opgewonden standjes die juist waren aangemoedigd. Maar bij de proefpersonen die niet zo negatief ingesteld waren, ging dat anders. Bij optimistische types werkte de frustratie juist motiverend. Als ze te horen kregen dat het niet goed ging, gooiden ze er een schepje bovenop. Ze beten zich vast. Daardoor scoorden ze uiteindelijk zelfs beter dan degenen die goede feedback kregen. Voor wie optimistisch genoeg is om te blijven knokken, kan frustratie dus zelfs een voordeel zijn.

 

Voor mijn voeten lijkt het wel een slagveld. Plankjes liggen scheef opgestapeld, schroefjes liggen verspreid over het vloerkleed. Maar ik heb hem te pakken, het schroefje van stap 18. Ik kijk op mijn horloge: het is half twaalf ’s avonds. Dat is nog niet zo vreselijk laat. Dus neem ik een zeer verkeerde beslissing. Ik besluit het kastje nu meteen nog even voor een tweede keer in elkaar te zetten, en nu goed. Als ik op dit moment had geweten van het experiment van Roy Baumeister en collega’s van de Case Western Reserve Universiteit, was ik gewoon naar bed gegaan. In dat experiment namen bijna zeventig proefpersonen plaats in een ruimte waar het heerlijk rook naar versgebakken chocoladekoekjes. Voor hun neus stonden twee schaaltjes: een met die lekkere koekjes, en een met gezonde radijsjes. Een onderzoeker vertelde dat het nu tijd was voor een smaaktest. De ene helft van de proefpersonen mocht lekker een paar koekjes proeven, maar de andere helft mocht enkel proeven van de radijsjes. En alsof het nog niet frustrerend genoeg was om konijnenvoer te eten in een kamer die ruikt naar versgebakken koekjes, kregen de proefpersonen daarna een onoplosbare puzzel voorgeschoteld. De opdracht was om op papier met een potlood alle lijnen van een figuur over te trekken, waarbij ze niet twee keer over dezelfde lijn mochten gaan en het potlood niet op mochten tillen. De proefpersonen konden het zo vaak proberen als ze wilden. Wat bleek? De radijseters gaven het veel eerder op (na gemiddeld 19 pogingen) dan de mensen in de koekjesgroep (34 pogingen). Blijkbaar zat de radijsjesgroep aan zijn tax: meer frustratie konden ze niet aan. De wijze les: als je net iets frustrerends hebt gedaan, maak het jezelf dan een beetje gemakkelijk. En begin vooral niet aan een nieuwe moeilijke klus, want dat houd je veel minder lang vol. Dat merk ik zelf ook. Ik heb nog geen twee stappen in de handleiding van dat onmogelijke kastje afgerond, en de frustratie loopt alweer hoog op. Wat ben ik het zat. Ik had naar bed moeten gaan.

 

Dus: als je hevig gefrustreerd een kastje in elkaar zet pieken je stresshormonen, daalt je frustratietax en als je de pech hebt een pessimist te zijn raak je er nog enorm van ontmoedigd ook. Dat is natuurlijk erg prettig om te weten. Maar het beantwoord niet de vraag die door mijn hoofd speelt, nu ik me van frustratie loop op te naaien vanwege dat pokkekastje: hoe kom ik van dat rotgevoel af? Een wondermiddel is nog niet gevonden. Maar de Noorse wetenschapper Karl Teigen ontdekte in een van zijn experimenten wel iets dat een beetje kan helpen. Tijdens een onderzoek liet hij een groep studenten een hele vervelende maar moeilijke puzzel maken. Als reactie op de frustratie die dat opriep, bleek dat maar liefst 77 procent van de studenten gemiddeld vier keer per persoon gingen zuchten. Voor zijn onderzoek won hij in 2011 een Ig Nobelprijs. Sindsdien ontdekten Belgische onderzoekers dat mensen zuchten om hun van frustratie versnelde ademhaling te ‘resetten’. Ze denken ook dat je je daardoor ook beter gaat voelen. Minder gefrustreerd. Een conclusie waar Teigen het mee eens is. Hopelijk voor de laatste keer pak ik een schroefje en de handleiding van het kastje. Voor de zekerheid zucht ik vijf keer, heel diep. Daar gaan we weer. Het is tenslotte nog maar twee uur ’s nachts.

 

Meer lezen:

 

Roy Baumeister, Wilskracht: hoe je jezelf kunt beheersen in een frustrerende wereld vol dingen die je wel wilt maar niet kunt krijgen of niet mag hebben. Uitgeverij Nieuwezijds, verschijnt in februari 2012.

 

Jerome Kagan, The Temperamental Thread: over hoe genen, omgeving en geluk ons temperament kneden. Dana Press, 2010.

 

Scicurious op Scientific American Blogs: meer over het Ig Nobel-winnende onderzoek van Karl Teigen http://blogs.scientificamerican.com/scicurious-brain/2011/10/01/ignobel-prize-winner-a-kiss-is-just-a-kiss-but-is-a-sigh-ever-just-a-sigh/

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.