dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Het glazen plafond bestaat niet. Het glazen plafond bestaat wel. Aan die discussie moest ik denken toen ik zat te neuzen in de antwoorden die vrouwelijke onderzoekers gaven op de vragenlijst die onderzoeksbureau Newcom Research op verzoek van het UT Nieuws had uitgezet.

Die antwoorden bieden wat wils voor elk van de kampen in het plafonddebat. Zo stelt Newcom vast dat het bij de wetenschapsvrouwen weliswaar aan ambitie niet ontbreekt (hoezee!), maar dat ze maar matig bereid zijn om vol gas te geven voor een academische loopbaan. Vooral de bereidheid om te lobby’en en netwerken viel vies tegen – en als je daartoe niet bereid bent, dan houd je eigenlijk vooral jezelf tegen. Ergo: dat glazen plafond, dat zit misschien wel tussen de damesoren.

Aan de andere kant: een flink deel van de ondervraagde academicae geeft aan dat er serieuze barrières staan tussen vrouwen en een bloeiende wetenschappelijke carrière. Het old boys network, vooroordelen van hoogleraren, en wassen-neuzig diversiteitsbeleid, om er een paar te noemen. Ergo: dat glazen plafond, dat bestaat waarschijnlijk gewoon.

Hoe zijn deze twee ogenschijnlijk tegenstrijdige conclusies met elkaar te rijmen? Nou, om te beginnen is het belangrijk om te weten dat loopbaantechnisch gas geven en drempels tegenkomen geen totaal onafhankelijke processen zijn. Om nog even in verkeersmetaforische sferen te blijven: wie apen en beren op de weg verwacht, zal allicht wat rustiger rijden, of een andere route kiezen.

Neem dat lobbyen en netwerken, wat een fors deel van de vrouwen dus bleek na te laten. In de praktijk betekent dit dat je collega’s en leidinggevenden zult moeten laten weten wat je waard bent. Je moet dus een beetje over jezelf opscheppen, jezelf in de schijnwerpers spelen, je veren opzetten en ermee pronken. Maar dit is niet een ‘weg’ die vrouwen even gemakkelijk afleggen als mannen, aap-en-beer-gewijs.

Sheryl Sandberg, COO van Facebook, schrijft hier over in haar boek ‘Lean in’. Een ambitieuze, competitieve man die goed is in wat hij doet kan het zonder al te veel problemen ver schoppen in het bedrijfsleven, aldus Sandberg. Maar een vrouw die exact dezelfde eigenschappen heeft, krijgt het hoogstwaarschijnlijk moeilijk.

Waarom? Omdat vrouwen volgens de heersende culturele stereotypen zacht en zorgzaam horen te zijn, en niet strijdlustig en eerzuchtig. En wie afwijkt van het stereotype, kan een vorm van straf verwachten. In dit geval: een ambitieuze, competitieve vrouw die flink voor zichzelf lobbyt en met haar veren pronkt vindt men vaak een bitch. En een bitch, die geef je geen promotie of mooie carrièrekans. Een zachte, zorgzame dame trouwens ook niet, want van haar verwachten mensen niet dat ze het in zich heeft om leiding te geven en het ver te schoppen. Vrouwen doen het, kortom, bijna nooit helemaal goed. Zoals de Engelsen zegt: damned if you do, damned if you don’t.

Deze dubbele standaard blijkt ook uit wetenschappelijke experimenten, vertelt Sandberg. Zo kreeg een groep studenten eens een beschrijving te lezen van Heidi Roizen. Ze werd neergezet als een zeer geslaagd zakenvrouw, met lofzang als: ‘Roizen heeft een extraverte persoonlijkheid en een groot persoonlijk en professioneel netwerk met daarin enkele van de machtigste leiders in de technologiesector.’ Een andere groep studenten kreeg dezelfde tekst te lezen, met als verschil dat deze niet ging over Heidi, maar over ene Howard.

Over Howard hadden de studenten niets dan goeds te melden. Hij leek een fijne vent en een goede collega. Over Heidi waren ze aanzienlijk minder mals. De studenten vonden haar egocentrisch en ‘niet het type waar je graag mee zou willen samenwerken’.

Zulke Heidi-Howard-experimenten maken duidelijk wat in het privéleven van veel academici allesbehalve helder is. De meeste vrouwelijke onderzoekers die ik ben tegengekomen vertelden me desgevraagd dat ze vermoeden dat ze weleens een glazen plafond-momentje hadden meegemaakt. Maar ja, hoe toon je dat aan? Hoe kun je zeggen dat juist jij precies die ene kans bent misgelopen omdat je teveel of te weinig gas gaf? Omdat je niet aan het stereotype voldeed? Of omdat je gewoon simpelweg geen man was?

Het is precies om deze reden dat we spreken over een glázen plafond: omdat hij zo moeilijk te zien is. Wat lijkt op gebrek aan bereidheid om 100 procent voor een wetenschappelijke carrière te gaan, kan daardoor zomaar toch een stiekem stereotype zijn waar vrouwen met hun academische hoofd tegenaan knallen.

 

Foto: FreeImages.com / Adam Sablich

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Ex-schoonheidskoningin geeft schoolkinderen les over de vreugdes en genoegens van seks’. Zo kondigde een Britse krant de documentaire aan over Goedele Liekens – seksuologe en voormalig Miss België – die op een middelbare school in Lancashire voorlichting kwam geven over de bloemetjes en de bijtjes.

En niet op de preutse manier die ze in dat land gewend zijn, met anatomisch correcte tekeningen en een verplicht praatje over geslachtsziekten en zwangerschap. Liekens liet ze een pornoscène herschrijven en gaf de meisjes een spiegeltje mee zodat ze zichzelf van onder eens goed konden bekijken. ‘Seksuele voorlichtingslessen gemodelleerd naar de lessen in Holland’, schrijft de seksuologe in een artikel in de Radiotimes.

Weten we het in Nederland dan allemaal zo goed?

Als we naar de cijfers kijken, hebben we best reden om trots te zijn. Nederland heeft één van de laagste percentages tienerzwangerschappen en pubers met seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s). Dat heeft natuurlijk ook andere redenen, zoals het feit dat je vrij gemakkelijk aan condooms kunt komen en dat de Pil in het basispakket zit voor meiden onder de 21. Maar het heeft volgens Liekens beslist óók te maken met onze seksuele voorlichting: ze noemt het ‘een uitstekend exportproduct’.

Er zijn een aantal factoren die bijdragen aan dat ‘uitstekend’. Zo begint de seksuele voorlichting in ons land al vroeg: in ieder geval op de basisschool, en soms zelfs al in de kleuterklas. Een onderzoek van Georgetown University uit 2014 laat zien dat dit inderdaad werkt. Kinderen die al jong over seks horen, scoren lager op ongewenste zwangerschap en seksuele narigheid dan tieners die pas rond, zeg, hun zestiende worden voorgelicht. Uit een andere studie blijkt dat jongeren die tijdig van de hoed en de rand weten, gemiddeld later aan seks beginnen.

En wat nog meer?

Wat ook helpt, is dat we het in Nederland normaal vinden dat pubers met hun verkering op vrijersvoeten gaan. Dat zorgt voor een andere voorlichtingscultuur; het gaat vaak niet alleen over veilig vrijen, maar ook over grenzen en genot. In onder meer de Verenigde Staten kijken ouders en leraren daar heel anders tegenaan: in veel staten zien ze tieners meer als onverantwoordelijke hormoonbommen die harde grenzen nodig hebben. De voorlichtingsboodschap is vaak: geen seks voor het huwelijk.

Socioloog Amy Schalet van de University of Massachusetts is één van de onderzoekers die denkt dat dit laatste de seksuele gezondheid van jongeren niet bepaald ten goede komt. Het aantal meisjes dat tussen haar vijftiende en negentiende een kind krijgt, ligt in de VS bijvoorbeeld zes keer zo hoog als in ons land. Voorlichting over wip-technische geheelonthouding is bovendien erg ineffectief: volgens vijf studies en rapporten werkt het niet of averechts op het aantal geslachtsziekten of hoe jong tieners voor ‘het’ voor het eerst doen.

En bij de Britten?

Ook al geen reden tot feest. Scholen zijn daar niet verplicht om seksuele voorlichting te geven, en als een school het wel aanbiedt mogen ouders hun kinderen uit die lessen terugtrekken. Tegelijkertijd heeft het Verenigd Koninkrijk een van de hoogste percentages tieners met soa’s of zwangerschappen van West-Europa. Goedele Liekens heeft er een duidelijke mening over: ‘Het is tijd dat jullie de oogkleppen afdoen.’

En er is nog een cijfer dat haar zorgen baart: 83 procent van de Britse tieners heeft al porno gezien als ze nog maar dertien jaar oud zijn. In de documentaire blijkt welke invloed dat heeft. Zodra het gesprek in de klas gaat over seks en porno, gedragen de jongens zich dominant en assertief, terwijl de meisjes inschikkelijk en gedwee worden. ‘Net als in pornografische scenario’s’, analyseert filosoof Heather Brunskell-Evans van de University of Leicester. Eén van de jongens verkondigt luid dat hij het de plicht van een meisje vindt zich in het gezicht te laten spuiten, als een teken van respect voor hem.

Maar wacht even: ook in Nederland waren we toch ook ongerust over de invloed van porno op pubers?

Ja, dat klopt. De afgelopen jaren kwamen onderzoekers met cijfers waar veel volwassenen toch wel van schrokken. Zo becijferde de Universiteit van Amsterdam dat zo’n zeven op tien jongens en vier op de tien meisjes internetporno kijken. Dit bevalt vooral de jongens goed: seksualiteitskenniscentrum Rutgers meldde in 2012 dat driekwart van de jongens porno opwindend vindt. Een kwart van de jongens denkt dat je in porno ziet wat vrouwen lekker vinden. En dat terwijl in dezelfde studie bijna de helft van de meisjes zegt dat ze de meeste porno vies vinden.

Ineke van der Vlugt, programmacoördinator bij Rutgers en expert op het gebied van seksuele vorming, deelt de zorgen over porno en pubers, in ieder geval deels. ‘Wat in porno vaak niet aan bod komt, is dat er iets aan seks vooraf gaat. Je vindt elkaar leuk, je leert elkaar kennen, bouwt een relatie op. Terwijl porno vooral gaat om de daad.’ Die nadruk op het mechanische deel van de seks kan vooral jongens die zelf nog niet hebben gevreeën onzeker maken, vertelt ze. ‘En de groep die porno realistisch, leerzaam en aantrekkelijk vindt, is meer geneigd om het zelf na te doen.’ Aan de andere kant, nuanceert ze, blijkt uit onderzoek dat dit maar een kleine groep is. De meeste Nederlandse jongens gebruiken porno om opgewonden te raken of bij te masturberen, niet als gebruiksaanwijzing voor de seks met hun vriendinnetje of vriendje.

Dus: lang leve voorlichting, Holland-style?

Ja en nee. Ook in ons land is er ruimte voor verbetering. Uit het Rutgers-onderzoek uit 2012 blijkt dat tieners zich weliswaar voldoende voorgelicht voelen over veilig vrijen, maar dat belangrijke ‘zorgenthema’s’ als porno, genot en grenzen nog regelmatig blijven liggen. Van der Vlugt vraagt zich af of al het lesmateriaal en de kennis die er is, wel echt gebruikt wordt. ‘De onderwijstijd is beperkt, en het is ook lastig voor een leraar om zulke onderwerpen aan te snijden.’ Een les met herschreven pornoscènes en spiegeltjes voor de benedenboel zal ook hier voor veel docenten een brug te ver zijn. Kortom: we weten kortom heel goed hoe het moet, maar in de praktijk is ook bij ons nog winst te behalen.

Literatuur:

Amy Schalet (2011). Not under my roof: parents, teens, and the culture of sex. Chicago University Press.

Heather Brunskell-Evans (2015). Sex in Class: Liekens is right to teach teenagers about sexual pleasure. Website van de University of Leicester, http://www2.le.ac.uk/offices/press/think-leicester/health-and-medicine/2015/sex-in-the-class-liekens-is-right-to-teach-teenagers-about-sexual-pleasure

Graaf, H. de, Kruijer, H., Acker, J. van, & Meijer, S. (2012). Seks onder je 25e 2: Seksuele gezondheid van jongeren in Nederland anno 2012. Delft: Eburon.

Susan Igras en collega’s (2014). Investing in very young adolescents’ sexual and reproductive health. Global Public Health 9 (5), 555-569.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Ze hebben geweren, ze kunnen op ons schieten omdat ze erg, erg gemeen zijn, papa’, zegt een jongetje van een jaar of drie tegen zijn vader. Ze staan op de Parijse straat voor de concertzaal Bataclan, waar mensen zoveel doden van de bloedige aanslag herdenken. ‘Zij hebben misschien geweren, maar wij hebben bloemen’, antwoordt de vader. ‘Om mee te vechten tegen de geweren.’

‘De bloemen en de kaarsen zijn hier om ons te beschermen’, stelt zijn zoontje vast. En de verslaggever die het gesprek heeft laten filmen, vraagt hem: ‘Voel je je nu beter?’ Ja, zegt de jongen, ‘ik voel me beter.’

Het was één van de vele momenten van schoonheid in de zwarte dagen van de afgelopen week. Toen vrijdagnacht de straten van Parijs niet meer veilig waren, lieten inwoners van de stad via twitter weten dat vreemden die nergens heen konden bij hen een open deur zouden vinden. Mensen citeerden Martin Luther King Jr.: ‘Darkness cannot drive out darkness: only light can do that. Hate cannot drive out hate: only love can do that.’ Een kunstenaar tekende het vredesteken, met de Eiffeltoren in het hart. Een muzikant zette een vleugel voor Bataclan neer, en speelde John Lennon: ‘Imagine all the people, living life in peace.’

En we voelden ons beter. Het is een bekend en logisch verschijnsel, dat mensen na zoiets gruwelijks troost zoeken bij elkaar. ‘Sociale steun maakt minder kwetsbaar voor rampgerelateerde stress’, zouden psychologen het noemen. Een wat zakelijke manier om te zeggen dat in tijden van grote duisternis weinig zo helend is als je verbonden weten. Dat wanneer de wereld te lelijk wordt, we bijna instinctief bij elkaar kruipen, op zoek naar warmte, liefde, solidariteit en hoop.

En misschien is dat wel wat ons onderscheidt van de terroristen van IS, dacht ik. Er is geen hoop in de straten van Raqqa. Er komt geen liefde voort uit een bomgordel. Er zit geen warmte in sterven voor het kalifaat.

Het was een gedachte die ik graag wat langer had willen koesteren. Wij team Levensvreugde, zij team Martelaarsdood. We zouden deze strijd kunnen winnen zonder ooit een oorlog uit te roepen. Het liep anders.

Het begon met bommen op Raqqa. President Hollande had geen schoonheid in gedachten, maar oorlog, en wraak op de barbaren. Defensie-expert Ko Colijn vertelde de NOS hoe riskant zulke bombardementen zijn. ‘Er wonen nog altijd 400.000 mensen. De kans dat je burgerslachtoffers maakt, is heel groot.’ Volgens de NOS waren er ook berichten die meldden dat de IS-strijders al niet meer in Raqqa waren; dat zij de bui hadden zien hangen en de stad hadden verlaten.

Ik dacht: het kan bijna niet anders of dat betekent dat iemand heeft besloten dat het niet uitmaakt als er onschuldige burgers sterven door Franse bommen. En ik vroeg me af: als Franse gevechtsvliegtuigen de dood laten neerregenen op Raqqa, is dat dan niet barbaars? Is dat dan geen terrorisme? En ik voelde me niet meer beter.

De Telegraaf had maandag een zwarte voorpagina, met een opsomming van eerdere aanslagen. Het IS-bloedbad in Beiroet van vorige week ontbrak, net als Kenia, Irak, Jemen, Ankara, Nigeria. En ik dacht: wat zegt het over onze samenleving dat de grootste krant van Nederland alleen westerse doden en vakantiebestemmingen heeft geteld?

Er werd een vluchteling geïnterviewd op de Franse televisie. Hij was van IS-gebied naar Europa gekomen, om eindelijk veilig te zijn. Zijn ogen waren vol angst. En ik dacht aan Wilders, die nog voordat de bodybags waren dichtgeritst de massamoord in de schoenen van mannen als hem had proberen te schuiven: ‘Sluit de Nederlandse grenzen. Nu! Bescherm de Nederlandse bevolking!’

De Britse krant the Daily Mail plaatste dinsdag een cartoon die vluchtelingen afbeeldde als ratten die probeerden Europa binnen te komen. Een oplettende twitteraar had er een prent naast gezet uit Nazi-Duitsland: bijna dezelfde, maar dan met de Joden als ratten. En ik vroeg me af: hoe gingen we in een paar dagen van kaarsjes, John Lennon en saamhorigheid naar 1937?

De verschillen tussen Europa en IS zijn goddank enorm, maar tegelijkertijd kleiner dan ik zou willen. Er is geen hoop in gevechtsvliegtuigen. Er komt geen liefde voort uit vreemdelingenhaat. Er zit geen warmte in ‘eigen doden eerst’. Ja, wij hebben bloemen. En bommen. En bommen.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Een asielzoeker met een volle zak, pakt je dochter met groot gemak.’ Het stond er echt, op een spandoek in Steenbergen – u weet wel, het Brabantse dorp waar mensen hevig en half-Hitler-groetend van hun theewater waren geraakt op een informatiebijeenkomst over een eventueel asielzoekerscentrum. Shalana Bosmans, één van de boze aanwezigen, vond het rijm over het randje. Maar ze begreep het wel, vertelde ze aan Trouw. ‘Het azc moet naast een basisschool komen. Ik heb ook een dochter van 10. Alles begint te groeien. Bij hún is het heel normaal dat je een 12-jarige mee naar huis neemt.’

Het heeft iets archetypisch, dat beeld van de verkrachtende, vrouwenhatende vreemdeling. En de laatste tijd duikt het steeds weer op. Op de website van dagblad Sp!ts reageerden mensen onder een artikel over Steenbergen met teksten over asielzoekers als: ‘… ze maken misbruik van ons, bewust, en dat mag van allah (die niet bestaat) omdat wij ongelovige tyfushonden zijn die niets waard zijn en waarvan onze vrouwen en dochters verkracht mogen worden.’

NOS Teletekst meldde twee weken geleden op pagina 101 dat een meisje was aangerand door een groepje jongens. Die hadden haar in de bosjes betast, terwijl ze een ‘onbekende taal’ spraken met elkaar. Nou kan natuurlijk wezen dat de NOS ineens het blijf-van-mijn-lijf-licht heeft gezien en in een vlaag van betrokkenheid bij vrouwenrechten heeft besloten seksueel geweld voortaan net zo belangrijk te vinden als voetbaluitslagen (in welk geval hulde). Maar al het wensdenken op een stokje: had dit bericht ook zo prominent op 101 gestaan als de daders Nederlands hadden gesproken?

‘Vrouwen in Duitse asielopvang op grote schaal verkracht’, kopte Elsevier vorige maand. In een azc in Giessen bleek het mis te gaan; seksueel geweld kwam er meer dan incidenteel voor, vrouwelijke vluchtelingen durfden uit angst ‘s nachts zelfs niet meer naar de wc. Laat er geen misverstand over bestaan: dit soort zaken zijn afschuwelijk, en het is goed dat er mensen – in dit geval vrouwenorganisaties – aan de bel trekken. Alle vrouwen en meisjes hebben recht op bescherming tegen seksueel geweld, en wat mij betreft heeft onze samenleving een extra grote verantwoordelijkheid om te zorgen dat voor vluchtelingenvrouwen hun leven in een azc niet een nieuw soort hel wordt.

Maar een roep om bescherming en verantwoordelijkheid is niet de primaire reactie op berichten over verkrachtende vreemdelingen. Veel mensen slaan rechtsaf, richting het xenofobische eigen-volk-eerst-achterpad van ‘weten we eigenlijk wel wie we in huis halen?’. In Beierse dorpjes riepen agenten en schoolbesturen ouders op om hun dochters niet meer alleen en niet te bloot over straat te laten gaan – alsof er in elk bosje zomaar een zedendelinquente asielzoeker kon liggen. De brief waarmee vrouwenorganisaties aandacht vroegen voor de situatie in Giessen werd enthousiast ontvangen in extreemrechtse kringen. Naar ik heb begrepen zijn de zorgen over de veiligheid van gevluchte vrouwen daar vrij minimaal, maar vindt het idee dat asielzoekersmannen halve wilden zijn die zich het liefst de hele dag zouden vergrijpen aan roomblank vrouwenvlees er gretig aftrek.

Het is onderdeel van een patroon dat we eerder hebben gezien. Een paar jaar geleden, bijvoorbeeld, dook op allerlei blogs ineens het ‘nieuws’ op dat er in Zweden een golf van verkrachtingen aan de gang was. De stijging in het aantal zedenmisdrijven werd onmiddellijk in de schoenen geschoven van moslimmigranten. Schrijver Joost Niemöller schreef zelfs van een ‘systematische verkrachting van Westerse vrouwen door moslims.’ Dat de toename in feite kwam door een wetswijziging waardoor meer handelingen nu meetelden als seksueel geweld, werd verzwegen. Net als de resultaten van een onderzoek van de Universiteit van Stockholm, waaruit bleek dat de meeste verkrachtingen niet plaatsvinden door een enge muzelman in een donker steegje, maar door een bekende van het slachtoffer, in huiselijke setting, na het uitgaan of na een afspraakje.

Het doet ook denken aan de situatie in het zuiden van de Verenigde Staten aan het begin van de twintigste eeuw. Schrijvers, wetenschappers en politici schilderden zwarte mannen in die tijd regelmatig af als ‘wilde beesten’. Lokale kranten beschuldigden ‘donkere bruten’ van ‘de meeste verschrikkelijke misdaad’ – het verkrachten van witte vrouwen. En dat gold dan weer als publieke rechtvaardiging voor gruwelijke lynchpartijen.

Als de geschiedenis ons iets leert, is het dat achter het archetype van de verkrachtende vreemdeling een uiterst riskant gedachtegoed zit. Een soort pokon voor haat en geweld. En ik vrees dat wij als samenleving op dit moment spelen met vuur.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Wat de uitgever Maven Publishing erover zegt:

Dit is het mooiste ooit is de derde editie in de succesvolle reeks ‘Nederland in ideeën’, waarin toonaangevende wetenschappers, ondernemers en kunstenaars hun meest waardevolle inzichten delen. Dit jaar geven onder anderen Peter van Uhm, Ben Tiggelaar, Nelleke Noordervliet, Maaike Ouboter, Hein de Kort en 96 anderen antwoord op de vraag van Viktor&Rolf:

‘Wat is het mooiste dat je ooit hebt gezien?’

Dichters, entrepreneurs of theoretisch fysici: iedereen maakt in zijn vakgebied momenten mee die uitzonderlijk mooi, ontroerend of inspirerend zijn – momenten waardoor de wereld eventjes langzamer gaat draaien. Een geriater wordt geraakt door de schoonheid van Italiaans porselein, een natuurkundige bezoekt voor het eerst de gletsjers van Spitsbergen, een muzikant bewondert de dood en een journalist brengt een ode aan de waterstofbom. En wat zullen de filmwetenschapper, kunsthistoricus, auteur en oud-burgemeester antwoorden?

Dit is het mooiste ooit geeft een uniek kijkje achter heel veel verschillende schermen. Het biedt inspiratie, doet aanbevelingen en laat zien waarom expertise de bron van zoveel schoonheid is.

Hieronder vind je mijn bijdrage aan dit boek.

Uitgebreid nadenken is beter dan seks

Asha ten Broeke
Wetenschapsjournalist; columnist bij de Volkskrant en Opzij; schrijver van Het idee m/v en Eet mij.

Op één van de mooiste dagen van mijn leven ben ik twintig en zit ik op mijn balkon. Geld voor tuinstoelen heb ik niet, dus ik heb de kussens van mijn doorgezakte blauwe bank gehaald en die op het ruwe, zonverwarmde beton van de balkonvloer gelegd. Tussen de spijlen door zie ik verpleegkundigen die naar hun werk fietsen; het ziekenhuis ligt vlak achter mijn appartementje. Ik heb geluk, voor een student, want ik woon deze zomervakantie middenin de stad, en heb dan wel geen geld voor stoelen, maar wel voor Aldi-sigaretten en dito bier, dus is het een komen en gaan van vrienden die één of beide van me komen bietsen.

De vrienden die vandaag komen om op mijn balkon te zitten en van me te roken en drinken, lees ik voor uit een boek. De vrouw, heet het, en het is geschreven voor wetenschapsjournalist Natalie Angier. Ik heb het boek gisteren voor zes euro gekocht bij De Slegte, en heb er de hele nacht mee op dit balkon gezeten. Het is voor het eerst in jaren dat ik iets lees dat geen roman of studieboek is.

Natalie Angier stelt in haar boek allerlei fascinerende vragen over het vrouwelijk lichaam. Waarom meisjes in de puberteit borsten krijgen, bijvoorbeeld, terwijl andere zoogdierdames alleen tietjes hebben als ze een jong zogen. Of waarom mensenvrouwen eigenlijk menstrueren – nog zo’n unicum in het dierenrijk. ‘Er moet een primaire bedoeling zijn, een reden waarom dit (…) zich heeft ontwikkeld’, schrijft Angier. ‘Hier lopen we tegen de beperkingen van het verleden aan. Tot voor kort waren wetenschappers uitsluitend mannelijk; mannen menstrueren niet, dus hebben de wetenschappers niet vreselijk diep gespit naar de uiteindelijke oorzaak van dit puur vrouwelijke fenomeen.’

Ik had tot dat moment nog nooit nagedacht over de reden waarom ik elke maand ongesteld werd; ik nam het gewoon voor lief. De vraag waarom dit niet allang genoegzaam bekend was, was nooit bij me opgekomen. En al die tijd had er gewoon een heel wetenschappelijk en maatschappelijk vraagstuk zitten te wachten, verborgen achter de doosjes tampons.

‘Dat is toch geweldig!’ zei ik, iets te luid, mijn vrienden. ‘Moet je je voorstellen hoeveel meer vragen er nog zijn, hoeveel meer van dit soort raadsels. Moet je je voorstellen hoeveel er nog te wéten valt in deze wereld!’

Mijn vrienden deelden mijn geestdrift niet. Of ik meeging naar het park. Dan gingen ze met zijn achten één pizza bestellen, en dan kijken hoe de bezorger op zijn scooter vertwijfeld rondjes reed, op zoek naar precies het juiste groepje hongerige studenten.

Maar ik wilde niet. Ik was high van de kennis die zich in mijn hersenpan had genesteld. Mijn brein was aan het opengaan. Een enorme honger voelde ik, naar meer feiten, meer om te lezen, en bovenal naar nieuwe vragen.

Jaren later kreeg ik van één van die studentenvrienden een boek, van natuurkundelegende Richard Feynman: The pleasure of finding things out. De titel deed hem denken aan die middag, zei hij. In dat boek zegt Feynman: ‘I don’t know anything, but I do know that everything is interesting if you go into it deeply enough.’

Het is precies dat. Het plezier van de gewekte interesse. Het intense genoegen van het vinden van meer informatie, en daarmee meer diepgang. Puzzelstukjes die op hun plaats vallen. Verbanden die zich openbaren. Een plotselinge ingeving, in de rij bij de bakker. Nergens anders aan kunnen denken. Bijna alsof je verliefd ben op een theorie of idee.

Op die manier nadenken is verrukkelijk. Er is geen groter genot dan uitgebreid peinzen over een ingewikkelde vraag. Behalve misschien seks. Maar dat duurt veel minder lang, dus nee – niets mooiers dan nadenken.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Deze keer was het iemand uit het olé-voor-de-borst-kamp die De Kwestie oprakelde. Journalist Loethe Olthuis schreef begin september in de Volkskrant dat moeders die kiezen om hun pasgeboren smurfjes flesvoeding te geven (zij noemt het ‘nepmelk’) bijdragen aan de voortschrijdende vervuiling van onze lieftallige planeet. ‘Jaarlijks wordt zo’n 1,8 miljard ton babyvoeding geproduceerd, en dat staat gelijk aan een CO2-uitstoot van 39,24 miljoen ton, evenveel als 42,19 miljoen vliegreizen Amsterdam-New York’, meldt Olthuis. Moedermelk, daarentegen, is driedubbele bingo: ultragezond, altijd gebruiksklaar en klimaatneutraal. Ze schrijft er nog bij dat volgens het Platform Borstvoeding van het Voedingscentrum ‘vrijwel elke moeder zonder problemen borstvoeding [kan] geven.’

Zulke uitspraken schieten het lang-leve-de-fles-kamp steevast in het verkeerde keelgat. Wat nou ‘zonder problemen’? En mijn Grand Canyon-achtige tepelkloven dan? Of het mailtje van de lactatiekundige die zei: ‘Nee hoor, het is niet erg als uw baby tijdens het drinken ook een aanzienlijke hoeveelheid bloed en pus binnenkrijgt.’ En ‘elke moeder’? Mijn kind wilde maar niet groeien op mijn melk; ik had niet genoeg, de fles was een geschenk uit de hemel. En nu we het er toch over hebben: het staat helemaal niet vast dat moedermelk gezonder is. Laat ons toch gewoon met rust, nare borstvoedingsmaffia. Enne: fuck die aarde.

Ik volg De Kwestie nou al een jaar of vijf, en zou er van alles over kunnen zeggen. Zoals dat de voordelen van moedermelk inderdaad schromelijk overdreven worden. Voorbeeld: vorig jaar nog was er een studie waarin onderzoekers kinderen uit hetzelfde gezin vergeleken; de ene kreeg de borst, de andere de fles. Er was tussen die kinderen op vijf-jarige leeftijd geen noemenswaardig verschil. Aan de andere kant klopt het als een bus dat flesvoeding milieuvervuilend beslag legt op schaarse grondstoffen, terwijl je tietjes zo even CO2-vrij tevoorschijn wipt.

Ik zou nog kunnen doorgaan, maar dat doe ik niet. Want hoe langer ik De Kwestie volg, hoe meer ik het idee heb dat het hier niet om gaat. Sterker nog: ik ben ervan overtuigd geraakt dat beide kampen exact hetzelfde willen: hun kinderen voeden op een manier die zij juist en fijn achten, volgaarne zonder commentaar vanaf de zijlijn. En dat lukt beide nog niet goed genoeg.

De leve-de-fles-mensen hebben een informatieprobleem. Informatie over de fles is schaars en gaat vrijwel altijd gepaard met de (onjuiste) boodschap dat de borst echt 100.000 keer beter is. Subtekst: écht goede moeders geven de borst. Hal-lo, schuldgevoel!

De olé-borst-mensen hebben een taboeprobleem. Voeden in het openbaar is nog steeds niet normaal, wegens de oh-nee-ik-zie-een-tiet-en-dat-is-iets-met-seks-doe-weg-reflex. Voor kolven is op het werk maar zelden ruimte, en wie zijn oempaloempa langer dan, zeg, een jaar aan de borst heeft, riskeert het stempel ‘pervers’.

Of je voor borst of fles kiest, maakt in ons land weinig uit: linksom of rechtsom, de kleine kadetjes worden heus wel groot. Maar dat de vrijheid van vrouwen om te kiezen nog steeds wordt beperkt door schuld, taboe en misinformatie – dat is de Echte Kwestie.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.