dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Het gaat niet helemaal lekker met de jongens. Ze doen het minder goed op school, hebben meer gedragsproblemen, en overtreden vaker de wet. Het woord ‘jongenscrisis’ valt. De dominante verklaring is dat jongens het lastig hebben in de gefeminiseerde samenleving. Vooral in hun jonge jaren moeten ze regelmatig verduren dat vrouwen de toon zetten: in de kinderopvang, op school. Deze vrouwen, zo is het idee, snappen die jongens niet zo best. Ze zien de kinderen onder hun hoede het liefst zo meisjesachtig mogelijk: lief, gehoorzaam, leergierig, sociaal.

Maar jongens zijn geen meisjes. Ze moeten juist de vrijheid hebben om actieve, baldadige rouwdouwers te zijn. Boys will be boys – iets waar in die gefeminiseerde cultuur bijna geen plek meer voor is. De jongen krijgt nauwelijks meer de kans om zich te ontwikkelen tot wat hij van nature is: een Echte Man. Een stoere, onafhankelijke, competitieve vent die niet te beroerd is om iemand op zijn bakkes te slaan als de situatie daarom vraagt. Handig met auto’s en gereedschap, maar niet emotioneel, niet kwetsbaar en beslist niet vrouwelijk. Hakt desgewenst ook hout. Vroeger rookte hij Marlboro.

Tot zover de modieuze gedachte. Want klopt het wel dat onze samenleving van jongens verwacht dat ze zich net als meisjes gedragen? Een bezoekje aan de speelgoedwinkel -geeft een ander beeld: daar is de kloof tussen de seksen nog even groot als altijd, zo niet groter. Idem in kinderfilms en -boeken, waar het gros van de helden en avonturiers nog immer stoere jongens of mannen zijn. En heeft dat idee van de Echte Man, niet verdacht veel weg van een jaren vijftig-stereotype? Was het niet juist eerder beperkend dan bevrijdend om van jongens al Marlboro-gedrag te verwachten?

 

De echte jongenscrisis?

De Amerikaanse journalist Soraya Chemaly, die zich specialiseert in gender, denkt dat de problemen van de jongens niet komen doordat hun mannelijke natuur geen plek vindt in de gefeminiseerde samenleving, maar juist dat die ongetwijfeld goedbedoelde nadruk op de mannelijke natuur weer allerlei ouderwetse genderstereotypen reanimeert die we beter hadden kunnen laten rusten.

De ‘echte jongenscrisis’, zo schrijft Chemaly op salon.com, is dat zelfs vandaag de dag jongens steeds weer impliciet of expliciet te horen krijgen dat ze zich niet als meisje moeten gedragen. Dat ‘meisje’ voor jongens een scheldwoord is, en dat ze daarmee leren om alles wat riekt naar de andere sekse te verwerpen omdat ze anders onvoldoende stoer zijn. Haar vrees is dat jongens daarmee ook waardevolle eigenschappen kwijtraken. Empathie, bijvoorbeeld. ‘Jongens dwingen om alle vrouwelijke kanten van zichzelf te verwerpen vermindert hun kansen op geluk.’ Ze concludeert: ‘Mannelijkheid ontmenselijkt jongens.’

Een boude stelling, die tegen het zere been zal zijn van Angela Crott, historica en schrijfster van het veelbesproken boek ‘Jongens zijn ‘t: van Pietje Bell tot probleemgeval’ . Zij is juist zo’n denker die bang is dat de maatschappij zo vervrouwelijkt dat voor jongens helemaal geen plaats meer is. In deze krant riep ze van de zomer op tot een eerste masculinistische golf, die moet leiden tot een hernieuwde waardering voor het mannelijke. Jongens ‘halen nu eenmaal streken uit, kloppen zich de borst, zijn liever lui dan moe als ze iets niet interessant vinden en hebben weinig behoefte hun emoties op tafel te leggen’, schrijft ze. ‘Maar ze bezitten wel kracht, moed en doorzettingsvermogen en de durf om te concurreren en initiatieven te nemen.

Volgens Crott zijn het vooral biologische impulsen – met name testosteron – die jongens zo maken als ze zijn. Nu weet ook zij wel dat de ene jongen de ander niet is. En in de psychologie laat onderzoek na onderzoek zien dat jongens qua gedrag onderling veel meer van elkaar verschillen dan de gemiddelde jongen van het gemiddelde meisje. Bijna elke jongen heeft bovendien op zijn minst wel een paar vrouwelijke kanten.

‘Maar een jongen wil toch een echte man worden, geen meisje’, zegt Crott desgevraagd. ‘Zelfs meisjesachtige jongens willen dat. Als jongens teveel richting het vrouwelijke worden geduwd, worden ze boos.’ Dat jongens hun vrouwelijke kanten gaan omarmen, zoals Chemaly graag zou willen, zit er dus gewoon per biologisch decreet niet in. En met pogingen daartoe zijn de jongens niet geholpen. Boys will be boys.

 

Geboren of gemaakt

Maar worden jongens echt als initiatiefrijke strekenmakers geboren, of worden ze ook zo gemaakt? Op kinderdagverblijven zijn tweejarige jongetjes even gehoorzaam als meisjes wanneer leidsters iets vragen. Ze zijn even temperamentvol en spelen even lief met de andere kinderen, zagen psychologen Abby Winer van de Universiteit van Californië in Davis en Deborah Phillips van de Universiteit Georgetown. Dat is niet vreemd: dat twee-jarigen nog niet of nauwelijks verschillen in hun gedrag is de wetenschappelijke consensus.

Wél opmerkelijk: de jongens werden door de leidsters heel anders behandeld. De jongens kregen vaker straf, werden vaker boos toegesproken, en kregen minder liefde, knuffels en positieve aandacht. De leidsters vonden ze meer ontremd en vaker problematisch. Het oordeel van de leidster reflecteerde bijna nergens het daadwerkelijke gedrag van de kinderen. Volgens Winer en Phillips zaten onbewuste vooroordelen over jongensgedrag de leidsters in de weg. ‘Hoewel het moeilijk is om te geloven dat de verzorgers van twee-jarigen genderstereotypen hebben ontwikkeld die jongens benadelen, is dit precies wat onze bevindingen impliceren’, schrijven ze.

Op het eerste gezicht lijkt deze studie precies te passen bij de zorgen over de gefeminiseerde samenleving. De leidster waren immers allemaal vrouwen, en zij deden de jongens zoals voorspeld heel pijnlijk tekort. Maar het was dus niet zo dat de leidsters te weinig ruimte lieten aan echt jongensgedrag. In plaats daarvan zagen ze stereotiep jongensgedrag dat er helemaal niet was en werden extra streng. Het laat zich raden dat dat laatste z’n effect op jongens niet mist.

We weten helaas niet of mannelijke leiders het anders hadden gedaan, want daar zijn er te weinig van om te bestuderen. Maar onderzoek op basisscholen is er wel en dat doet vermoeden van niet. Uit een studie van het Nijmeegse onderzoeksinstituut ITS onder 60.000 leerlingen bleek dat het geslacht van de leerkracht geen invloed had op de prestaties, houding of gedrag van de leerlingen. En dit onderzoek van het Nederlands Tweelingenregister van de Vrije Universiteit uit 2011 stelt vast: ‘Het beeld dat juffen het gedrag van jongens als problematischer ervaren dan meesters, is onjuist’ en ‘de gesuggereerde negatieve gevolgen voor jongens door de feminisering van het onderwijs zijn niet aantoonbaar.’

Geen feminiseringsprobleem, dus. Wat wel? De afgelopen jaren bleek onder meer dat basisschoolleraren de taal- en wiskundeprestaties van meisjes systematisch overschatten, terwijl ze die van jongens onderschatten. Jongens krijgen in de klas meer negatieve kritiek, en ook vaker het advies om bijles te volgen, zelfs als ze gemiddeld dezelfde cijfers halen. En hoewel jongens in hun Cito-score niet voor de meisjes onderdoen, krijgen ze van hun juf of meester toch vaker een lager schooladvies.

En daarmee zijn we terug bij die andere verklaring: dat het probleem hem zit in het stereotype van de lastige, drukke, stoere, Echte-Man-in-wording jongen. Een experiment (pdf) van de universiteiten van Basel en Bochum lijkt dit te bevestigen. Vijfhonderd psychiaters (vrouwen én mannen) kregen rapporten over een kind dat misschien ADHD had. Van elk rapport waren twee versies, één met een meisjesnaam, één met een jongensnaam, verder exact gelijk. Jongens kregen maar liefst twee keer zo vaak ónterecht de diagnose ADHD als meisjes.

 

Rauw stereotype

Ineen veelbekeken lezing tijdens het sprekersevenement TedWomen vertelt de Amerikaanse activist Tony Porter de hij hoe hij als zwarte jongen in de Bronx tot Echte Man werd gemaakt: ‘Toen ik jong was leerden ze ons dat mannen hard en sterk moesten zijn, moedig, dominant, geen pijn, geen emoties, hoogstens woede – maar zeker geen angst.’ Hij leerde óók dat mannen sterk zijn en vrouwen zwak, en dat vrouwen seksuele objecten zijn, minder waard dan mannen. ‘Ik kwam er later achter dat dit de collectieve socialisatie van mannen heet, beter bekend als de man box.’

Kern van deze man box is dat mannen absoluut niet vrouwelijk mogen zijn, en dit voortdurend moeten bewijzen. Mannelijkheid is, in tegenstelling tot vrouwelijkheid, iets dat je zomaar verliezen kunt. Elke keer als je iets doet wat een Echte Man niet zou doen, breng je je man box in gevaar en loop je als jongen het risico om ‘een meisje’ genoemd te worden. En dat is verschrikkelijk, vertelt Porter. Hij sprak met een 12-jarige football-speler, en vroeg hem: ‘Hoe zou je je voelen als de coach je waar alle spelers bij waren zou zeggen dat je speelde als een meisje?’ Porter had gedacht dat je jongen er misschien verdrietig om zou worden, of boos. Maar de jongen zei: ‘Het zou me kapotmaken.’ En Porter zegt: ‘God, als het hem kapot zou maken om een meisje te worden genoemd, wat leren we hem dan over meisjes?’

Het antwoord op die vraag geeft hoogleraar psychologie Chris Kilmartin: ‘Wanneer het ergste dat we tegen een jongen kunnen zeggen is dat hij gooit ‘als een meisje’, dan leren we jongens om vrouwen niet te respecteren. Het is de culturele onderstroom van verkrachting’, zei hij in de New York Times.

Kilmartin raakt hiermee aan de rauwste kant van de Echte Mannelijkheid. Er heerst een soort hypermannelijkheidscult die jongens vertelt dat agressie natuurlijk is en seksuele verovering benijdenswaardig, en waarin vrouwen worden weggezet als volgzaam of inferieur. Met biologie heeft dit niets te maken. Het is niet DNA waar we tegenop moeten boksen, zegt hij, het zijn films en gebruiken die verschillende rollen en waardes toeschrijven aan mannen en vrouwen.

Neem de Disney-film Planes, in de herfst van 2013 in de bioscoop. In een van de scènes racet een jongensvliegtuig met twee andere mannelijke vliegtuigen. En net als hij ze aan het inhalen is, roept hij naar hen: ‘Hallo dames! Klaar om te verliezen?’ Volgens Chris Kilmartin zijn dit niet zomaar grapjes; dit zijn uitingen van een cultuur waarin vrouwelijkheid zo minderwaardig is dat je een man kunt vernederen enkel en alleen door hem ‘dame’ te noemen.

 

Onveranderlijke mannelijkheid?

In plaats van te waarschuwen voor de suboptimale invloeden van al die juffen en kinderopvangleidsters kunnen we beter oppassen voor stereotypering. Omdat er niet zoiets is als dé jongen die van nature graag streken uithaalt, zichzelf op de borst klopt, liever lui dan moe is en liever niet zijn emoties op tafel legt.

Maar dat is niet wat er gebeurt, schrijft genderwetenschapper Juliet Williams van de Universiteit van Californië in Los Angeles. In een recente analyse van het debat over de jongenscrisis concludeert ze dat het idee van boys will be boys en het biologisch essentialisme dat hierbij hoort nog steeds met een opmars bezig zijn. Over de invloed van stereotypen wordt nauwelijks gesproken. In plaats daarvan gaat het debat maar steeds over die onveranderlijke actieve, stoere, competitieve natuur van de jongens – waarmee ondanks alle goede bedoelingen het stereotype van de drukke, lastige jongen telkens weer bevestigd wordt.

Overigens merkt Williams scherp op dat dit idee van een onveranderlijk soort natuurlijke mannelijkheid alleen voor witte jongens geldt. Jongens die behoren tot etnische minderheden vinden we over het algemeen juist wel een product van hun cultuur, religie en omstandigheden. Je zult zelden iemand over problemen met bijvoorbeeld Marokkaanse jongens horen zeggen dat boys will be boys, of dat leraren en bestuurders maar gewoon wat meer rekening met hun gedrag moeten houden omdat die jongens nu eenmaal van nature een niet te onderdrukken drang tot Echte Mannelijkheid hebben. Niemand die namens hen voor een masculinistische golf pleit, of hen ziet als belichaming van stoere, ruige Marlboro-mannelijkheid.

 

Ander debat

Het is tijd om het debat op een andere manier te voeren en op een andere manier naar jongens te kijken. Williams haalt in haar analyse de socioloog Michael Kimmel aan: ‘Als we echt de jongens willen redden, jongens willen beschermen en voor gunstige jongensjaren willen zorgen, dan is het onze taak om de mannelijkheidsideologie te ontmaskeren en uit te dagen, om de goedkope en gemakkelijke mal van boys will be boys te verstoren.’

Wanneer we het stereotype van boys will be boys nuanceren, hoeven jongens niet meer te lijden onder het vooroordeel dat ze lastig en druk zijn. En wanneer we jongens niet langer onder het mom van biologische verschillen in de mal van de Echte Man dwingen, hoeven ze niet meer bang te zijn om bespot te worden om hun vrouwelijke kanten. Dan kunnen ze een compleet mens worden.

 

Met dank aan Jens van Tricht, jongenscoach en coördinator van de collegereeks ‘Jongens, wat is er aan de hand?’ aan de Universiteit van Amsterdam.

 

KADER: Testosteron

Hoe zorgt testosteron ervoor dat jongens moediger en krachtiger zijn, en meer geneigd zijn tot streken? Dit is de theorie: jongenshersenen worden al in de baarmoeder gemarineerd in dit hormoon, wat de structuur van hun brein voorgoed verandert. Vervolgens is er volgens Angela Crott een testosteronpiek wanneer jongens vier zijn, die snel weer wegzakt. De volgende piek luidt het begin van de puberteit in.

Deze theorie is niet onomstreden. Sinds we weten dat de hersenen een heel mensenleven lang uiterst veranderlijk blijven, twijfelen steeds meer onderzoekers aan het idee dat prenatale testosteronmarinade de hoofdverklaring is al het jongensgedrag. En de testosteronpiek bij kleuterjongens is simpelweg een mythe, schrijft hoogleraar kindergeneeskunde Kate Steinbeck van de Universiteit van Sydney. De kindertijd is bij zowel jongens als meisjes hormoontechnisch een saaie boel. Pas vanaf het achtste jaar gebeurt er weer iets: dan ligt het testosteronniveau bij meisjes tijdelijk iets hoger dan bij jongens, ter voorbereiding van de puberteit die bij hen wat eerder begint. Dit alles maakt wel onwaarschijnlijk dat jongens het in de klas moeilijk hebben omdat ze zo onder invloed van testosteron staan.

 

KADER: Verschillen

Jongens verschillen qua gedrag onderling veel meer van elkaar dan de gemiddelde jongen van het gemiddelde meisje. Wat betekent dat eigenlijk? Een voorbeeld. Uit een Amerikaans onderzoek blijkt dat mannen gemiddeld elke dag 15,669 woorden spreken. Dat is zo’n 500 minder dan de gemiddelde vrouw – wat klopt met het stereotype dat dames de kletskousen zijn. Maar de variatie tussen mannen onderling is enorm: de man die het meest sprak gebruikte 47.000 woorden, de meest zwijgzame man nog geen 600 per dag. Waaruit blijkt dat ondanks het gemiddelde man-vrouwverschil een stereotype maar weinig zegt over iemands individuele (praat)gedrag, omdat de variatie zo groot is. 

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Het was een rare Barbie. Met digitale beeldbewerking was de gewoonlijk nogal anorexische modepop voorzien van een flinke buik, stevige dijen en maar liefst twee onderkinnen. De vraag, op Facebook: zouden speelgoedfabrikanten zo’n Barbie moeten maken?

Absoluut niet, zeiden sommigen; obesitas is ongezond en moet worden tegengegaan, en dit riekt naar de goedkeuring of zelfs promotie ervan. Wat een flauwekul, reageerden anderen; alsof Barbie zelf het toonbeeld van ultieme fitheid is. Haar taille is veel te smal; was ze van vlees en bloed geweest, dan had haar buikholte geen ruimte kunnen bieden aan al haar organen. Haar voeten zijn zo klein dat ze niet had kunnen staan en als aap op handen en voeten had moeten lopen. Als dat ons idee van een normale pop is, dan kan een dikkere versie niet snel genoeg in productie genomen worden. Bovendien: echte lichamen komen ook in allerlei vormen en maten, dus waarom Barbie niet?

Net onder de oppervlakte van deze Facebook-discussie ligt een lastiger kwestie. Namelijk: hoe benader je overgewicht in een wereld waarin een aanzienlijk deel of zelfs een meerderheid van de mensen te dik is? Als een afwijking, iets slechts, dat vermeden moet worden? Of als diversiteitsissue: mensen zijn nu eenmaal verschillend, en dat is oké?

Het is een dilemma dat zelden als zodanig herkend wordt. Een zaak van conflicterende waarden, vooral voor de jonge doelgroep van al dan niet dubbelkinnige Barbies. Aan de ene kant leren we kinderen graag om van zichzelf te houden, omdat ze goed zijn precies zoals ze zijn. Aan de andere kant: dikke kinderen zien we het liefst dun. Die moeten dus juist niet zichzelf zijn.

Beide boodschappen doorgeven kan niet. Zelfliefde vereist zelfacceptatie, terwijl de wens om overtollige kilo’s te bevechten het tegenovergestelde vraagt: een geïnternaliseerde ontevredenheid, als brandstof voor een immer ronkende wens om jezelf te veranderen.

Momenteel kiest onze samenleving bijna blind voor de ontevredenheid. De medische schrik rondom overgewicht zit er flink in, en in een reflex is begonnen met allerlei projecten om kinderen hiervoor te behoeden. Op de kleuterschool zingen kinderen liedjes als ‘hap hap hap, slik slik slik, eet je niet teveel, anders word je veel te dik’. In voorlichting wordt overgewicht afgekeurd en slankheid onder het mom van een ‘gezonde leefstijl’ als ideaal neergezet. Dat die voorlichting in de regel volstrekt ineffectief is, leidt slechts zelden tot kritiek of zelfs maar verbazing. Zo reageerde werkelijk niemand verrast toen vorige week bleek dat een poging om crèchekinderen water te laten drinken in plaats van suikerrijk vruchtensap jammerlijk was mislukt. Treurige conclusie is dat voorlichters met lege handen staan, overgewicht bijna altijd chronisch is, en dat ondanks alle moeite mollige kinderen meestal dikke volwassenen worden.

Ondertussen tiert de stigmatisering van zwaarlijvigen welig, mede aangemoedigd door die voorlichtingstechnische nadruk op het wegwerken van de kilo’s. Afkeer van vetzucht is zo gewoon geworden dat het nauwelijks meer opvalt. Afgelopen zaterdag nog verwees Bert Wagendorp in zijn column terloops naar zwaarlijvigen als ‘vet mormel’. Een mormel is volgens de Van Dale een ‘lelijk schepsel, m.n. lelijke hond’.

De gevolgen zijn het pijnlijkst voor kinderen. Overgewichtstigmatisering maakt dat zware kinderen minder zelfvertrouwen hebben en vaker gepest worden. Normaal gesproken helpen we zulke kinderen in kanjertrainingen en dergelijke juist aan extra zelfliefde; alles wat ze helpt om sterker in hun schoenen te staan. Zo niet bij vetzuchtige kinderen. Op de website van het Centrum voor Jeugd en Gezin wordt een alinea over minder eigenwaarde bij en pesten van kinderen met overgewicht direct gevolgd door leefstijladviezen, onder het kopje ‘De knop om?’. De impliciete boodschap: als je je rot voelt of gepest wordt omdat je dik bent, is dat jouw verantwoordelijkheid. Los het maar op door dun te worden.

Dit moet beter kunnen. We kunnen misschien niet voorkomen dat obesitas gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, maar die maatschappelijke aangemoedigde zelfhaat, daar kunnen we vanaf. Het voorlichtingsroer moet radicaal om. We moeten kinderen leren dat je jezelf kunt accepteren en liefhebben, ongeacht je omvang. Dat je geen vet mormel bent, maar mooi en waardevol, ook als je dik bent.

Dat geldt ook voor volwassenen. Ik stel een alternatief nieuwsjaarsvoornemen voor: deze keer gaan we niet alweer op dieet, maar gaan we van onszelf houden. Onvoorwaardelijk, dus ook van de rolletjes en de kwabjes. Als we niet dun kunnen zijn, dan maar gelukkig.

 

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Dames en heren, welkom bij deze safari. Vandaag bezoeken we de poes; het prachtige vulvalandschap tussen de benen van de vrouw*. Links en rechts ziet u de twee hoogste heuvels: de buitenste schaamlippen of labia. Ertussen zit een smal ravijntje waar we op een zonnige dag al iets van de binnenste schaamlippen kunnen zien – daarin zullen we zodadelijk afdalen.

Maar eerst de heuvels. De grote schaamlippen zijn een fascinerend onderdeel van de damesanatomie. En van de mannelijke, trouwens. Bij het eerste ontstaan van de geslachtsorganen, in de baarmoeder, hebben alle embryo’s vrouwelijke geslachtsdelen. Pas na een paar weken zorgt een hormonaal seintje ervoor dat bij de jongetjes een penis ontstaat. De labia groeien dan aan elkaar en vormen de balzak. Wie op safari gaat in het mannelijk kruis kan de overblijfselen hiervan terugvinden. Over de balzak loopt een dun naadje: dat is de plek waar de ongeboren schaamlipjes aan elkaar groeiden.

Terug naar de vrouw. De vorm van haar grote labia is aan mode onderhevig. In een land als Nederland is het hip om vrij strakke buitenste en vrij kleine binnenste schaamlippen te hebben. Er zijn zelfs chirurgen die desgewenst de boel corrigeren om aan een tussenbeens schoonheidsideaal te voldoen. In een land als Uganda is de mode anders: daar trekken meisjes van jongs af aan aan hun labia, om ze zo groot mogelijk te maken.

 

Vies schaamhaar?

Ook de begroeiing is een modieuze kwestie. In de jaren zestig en zeventig was de natuurlijke coupe in zwang en tierde het schaamhaar welig. (Opvallend detail, over schaamhaar en natuur: apen, verder toch een stuk behaarder dan mensen, hebben juist vrij kale schaamlippen. Wetenschappers weten niet precies waarom, maar ze vermoeden dat menselijk schaamhaar in de prehistorie een signaal was dat iemand geslachtsrijp aan het worden was).

In de loop van de jaren negentig kreeg schaamhaar een imagoprobleem: het zou vies en onverzorgd zijn om alles zomaar te laten groeien, en kort knippen, afscheren of waxen raakte in de mode. Of schaamhaar echt onhygiënisch is, daarover zijn de meningen verdeeld. De haartjes zijn een geliefde habitat van de schaamluis; in dat licht bent u het beter kwijt dan rijk. Bovendien bleek uit een Belgisch onderzoek dat vrouwen met haarloze labia betere seks hebben – maar wat hier oorzaak is en wat gevolg, is moeilijk te zeggen. Staat tegenover dat ontharen ook nadelen heeft. Ingroeiende haartjes kunnen leiden tot pukkels en steenpuisten. Een Franse studie liet weten dat het wrattenveroorzakende pokkenvirus Molluscum Contagiosum vaker voorkomt op een geschoren flamoes. En uit een Amerikaans onderzoek bleek dat sinds een kale poes in de mode is er jaarlijks tien keer zoveel mensen naar de eerste hulp van het ziekenhuis komen omdat ze zichzelf down under hebben verwond met een scheermesje.

 

Het ravijn in

Tijd om in het ravijn af te dalen. Van boven naar beneden ziet u hier de clit – deze bezoeken we straks –, de opening van de plasbuis en de kleine schaamlippen met in het midden de vagina. Dit deel van de vulva is het huis van een klein ecosysteempje. In en om de vagina wonen meer dan vierhonderd soorten micro-organismen. Het zijn vooral bacteriën, en dan met name uit de familie ‘lactobacillus’. Mocht die naam u vaag bekend voorkomen: dat kan kloppen. Dezelfde soort bacteriën zitten ook in onder meer yoghurt, kaas, salami en zuurdesembrood, en ze zijn het hoofdbestanddeel van Yakult. Lactobacillus maakt melkzuur, wat goed is voor het klimaat in de poes. Wanneer deze zuur blijft, krijgen schimmels en andere ongenode gasten minder kans om zich te nestelen.

De vagina zelf bestaat uit spieren. Het is een flexibel buisje, wat praktisch is, want daardoor kan het vrouwenlichaam alle kanten op buigen. Ook in de breedte is er een hoop speling, zodat er indien noodzakelijk een hele baby door kan. Doorgaans lukt dit zonder kleerscheuren. Op de vaginamond na vinden we in de vagina geen zenuwen – wat wel zo fijn is, bij dat hele bevallingsgebeuren.

Sommige mensen denken dat er toch één plek in de vaginawand is waar zenuwen samenkomen. Die plek zou dan juist bijzonder gevoelig zijn voor aanraking: de g-spot. Deze zou een paar centimeter van de uitgang moeten zitten, aan de bovenkant. De beste manier om het plekje te vinden is volgens de experts door een wijsvinger in de vagina te steken en dan een soort ‘kom eens hier’-beweging te maken richting de bovenkant van de vagina. Voor sommige vrouwen is dit uitermate opwindend, maar het is wetenschappers – ondanks zestig jaar proberen – nog nooit gelukt om anatomisch bewijs te vinden dat de g-spot echt bestaat. De meeste seksonderzoekers denken dan ook dat de g-spot geen zenuwknoop is, maar de plek waar een deel van de clitoris tegen de vaginawand duwt.

 

De clit geeft je vleugels

Dat brengt ons bij één van de meest bijzondere structuren uit de poezensafari: de clit. De meeste mensen denken dat dit orgaan enkel bestaat uit dat kleine knobbeltje dat we bovenaan het ravijn zagen. Maar niets is minder waar. Onderhuids blijkt de clitoris een omvangrijke structuur met maar liefst vier zwellichamen die zich, twee aan twee, als een soort vleugels om de plasbuis en vagina heen vouwen. Om bij de vogelanalogie te blijven: als die zwellichamen de vleugels zijn, is het knobbeltje slechts het puntje van de snavel.

Wanneer een vrouw opgewonden wordt, loopt deze structuur vol bloed. Vrouwen krijgen dus, net als mannen, een flinke erectie. Deze dameserectie werkt als een soort stootkussen, zodat bij een vrijpartij de bekkens van beide minnaars niet pijnlijk tegen elkaar botsen. De ‘snavel’ van de clit richt zich ook op, zodat ze gemakkelijker gestimuleerd kan worden. En aan de onderkant drukt de clitoris dus tegen de vaginawand aan, waardoor ook bij vaginale penetratie de clitoris lekker kan meedoen. In de clitoris zitten meer dan achtduizend zenuwcellen die al deze heerlijke sensaties kunnen doorgeven. Dat is meer dan in welk ander deel van het menselijk lichaam dan ook – inclusief de penis.

 

Natte poes

Nu onze safaripoes opgewonden is, is het interessant om nog even terug te keren naar de vagina. U ziet dat hier een heldere vloeistof is ontstaan: het vaginale vocht. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, komt dit vocht niet uit speciale klieren, maar uit de vaginawand zelf. Wanneer een vrouw erg geil is, neemt de doorbloeding van de vaatjes rondom de vagina zo toe dat er plasma door de wand heen lekt. Het lijkt een beetje op zweten. In dit ‘zweet’ zit naast water ook pyridine, wat een mild vissige geur kan hebben, en wat zuren, zodat vaginavocht ongeveer dezelfde PH-waarde heeft als sinaasappelsap.

In de zeventiende eeuw dachten artsen trouwens dat in dit ‘vrouwennat’ zaad zat, net als in het kwakje van de man. Wanneer een vrouw niet vaak genoeg vochtig werd en dus haar zaad onvoldoende loosde, kon dit naar haar hoofd stijgen en ervoor zorgen dat haar ‘denkvermogen’ werd aangetast. Met dat laatste bedoelden artsen uit die tijd dat de vrouwen ‘vergiftigd raakten met wellustige verlangens’. De oplossing: een dieet zonder gekruid vlees en een huwelijk met een potente jongeman, of een ingreep van een terzake kundige vroedvrouw of arts, die al wrijvend het zaad vrijelijk liet stromen.

Maar terug naar onze safari, want we willen natuurlijk het hoogtepunt van onze rondleiding niet missen. Nu de poes vochtig is van opwinding en de clitoris ferm en erect, is het moment bijna daar dat de vrouw gaat klaarkomen. Bij een orgasme trekken de spieren van de vaginawand ritmisch samen. Wanneer het gevoel wegebt, houdt ook de vagina op met ‘zweten’ en neemt de clitoris weer zijn gebruikelijke vorm aan. Omdat vrouwen niet echt zaadhoudend vocht hoeven maken, kan het hele proces indien gewenst vrijwel meteen weer herhaald worden. Maar dat laten we over aan de volgende bezoekers van de poes.

 

*) er zijn ook vrouwen die van onderen een ander landschap hebben, bijvoorbeeld omdat ze trans zijn, of interseks. Ook dit zijn uiteraard gewoon vrouwen, maar dan met een andere safari.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Dames en heren, welkom bij onze nieuwste safari. Vandaag bezoeken we het zaakje: u weet wel, wat er bij de man* zoal tussen de benen bungelt en zichzelf opheft. Ten noorden van u ziet u het meest in het oog springende deel van onze reis: de penis, die we straks zullen beklimmen. Ten zuiden van ons bevinden zich de ballen of testikels. Daar zal de rondleiding vandaag beginnen.

De testikels van de man zitten gezellig samen in een zakje. Dat zakje hebben ze omdat ze idealiter iets minder warm zijn dan het lijf van hun gelukkige eigenaar – een graad of 34 is voor de gemiddelde bal ideaal. Aan de balzak zit een spiertje dat zich ontspant als de testikels te heet dreigen te worden. Worden de noten te koud, dan trekt de spier zich samen en nestelt het hele gebeuren zich wat dichter tegen de mannelijke onderkant aan. Reden voor dit testikelgewiebel is de spermaproductie, die in de bal plaatsvindt. Zonder die ideale temperatuur van 34 graden voelen de zaadcellen zich minder oké en dat zou ervoor kunnen zorgen dat ze, wanneer het tijd is voor actie, minder fanatiek van A naar eicel zwemmen.

Overigens: de afstand die zo’n zaadcel aflegt voordat hij überhaupt bij de uitgang is, is veel langer dan u zou denken als u zo naar het mannelijk kruis kijkt. Ballen en penis liggen immers op het oog vrij dicht bij elkaar, wat een nogal compact en recht-door-zee transportsysteem doet vermoeden. Maar niets is minder waar. Voordat de soldaatjes op de plaats van bestemming zijn, leggen ze maar liefst een afstand van 80 centimeter door het mannenlichaam af. De eerste 60 centimeter daarvan reizen ze door de zaadleider. Die voert hen onder meer langs de prostaat, die aan de zwemmers de bekende witte plakkerige spermavloeistof toevoegt. Daarna is het nog zo’n 20 centimeter tot de uitgang via de plasbuis wordt bereikt.

Gelukkig voor de zaadcellen hoeven ze dit hele eind niet zelf te zwemmen – de bulbospongiosus-spier regelt dit voor hen. In 10 tot 15 samentrekkingen stuwt hij het sperma richting de plek van bestemming, waar het met een snelheid van zo’n 45 kilometer per uur de schwans verlaat (ook wel bekend als: het orgasme). Bij veel mannen gaat dat gulpend, maar er zijn ook mannen die 30 tot 60 centimeter ver sproeien. Het onofficiële wereldrecord vliegende kwakjes is van een onbekende man die onder toeziend oog van seksuoloog Alfred Kinsey bijna 2,5 meter ver ejaculeerde. ‘Twee lakens waren neergelegd om de Perzische tapijten te beschermen’, merkte Kinsey nog op in het bijbehorende rapport.

 

Lekker zwellen

We zetten onze safari voort in noordelijke richting. Hier treffen we de penis aan. Aan de onderkant zit de jongeheer met een stukje vel – het scrotumweb – vast aan de testikels. Iets daarboven ziet u, als de piemel opgewekt genoeg is, een soort groef lopen. Die groef ontstaat doordat aan weerszijden van het lid zwellichamen zitten: de corpora cavernosa. Zodra een man opgewonden raakt, lopen deze sponsachtige structuren vol bloed.

Dat gaat zo. Wanneer een man iets geils ziet of voelt, zorgt het brein ervoor dat er stikstofmonoxide richting de bloedvaten in de penis gaat. Dat doet twee dingen. Het maakt de bloedvaten wijder, en er gaat een tweede stofje naar de spieren in de zwellichamen met de boodschap: jongens, jullie mogen je nu ontspannen. Samen zorgen deze twee dingen dat de zwellichamen vrij vlug vol bloed lopen. Ze raken zo vol dat ze zelfs de bloedvaten die vanuit de sergeant-majoor weer terug het lichaam in lopen enigszins dichtdrukken. Zo blijft het bloed grotendeels waar het is, en blijft de erectie in stand, totdat de spieren zich na het orgasme weer ontspannen.

De corpora cavernosa zijn trouwens niet de enige zwellichamen. Mannen hebben er nog eentje, die om de plasbuis heen zit. Daar fungeert hij als een soort beschermheer van de plasbuis; doordat ook hij vol met bloed loopt zorgt hij ervoor dat de andere twee zwellichamen deze buis niet dichtdrukken. Dat zou voor het aanstormende sperma immers onhandig zijn.

 

Size does matter?

Veruit de meeste penissen zijn enthousiaste toestand tussen de 10 en 19 centimeter groot. Slap is hij gemiddeld zo’n 7 en 10 centimeter. (Ter vergelijk: een blauwe vinvis heeft een zwengel van 2 tot 3 meter lang, en testikels van 70 kilo. Maar hij is natuurlijk ook veel groter. Onze kerels hoeven zich niet te schamen; afgezet tegen hun lichaamsgewicht hebben ze bovengemiddeld grote benedenbuurmannen.)

Het maakt trouwens ook uit in welk continent u zich bevindt. Gaat u op piemelsafari in Zuidoost-Azië, dan zit de doorsnee opgeheven tampeloeres rond de 12, 13 centimeter; in Zuid-Amerikaanse en Afrikaanse landen rond de evenaar is de typische lulhannes wat langer. In Nederland zijn we gezegend met hele gemiddelde erecties van gemiddeld een ruime 14 centimeter lang.

Hierbij moeten we wel aantekenen dat de variatie aanzienlijk is. Het eeuwenoude seksstudieboek Kamasutra hanteert daarom drie veelzeggende categorieën voor het mannelijk geslacht: de haas (dit zijn de kleinste pielemuisjes), de stier en de hengst (de flinkste knuppels). Vagina’s komen in corresponderende categorieën, respectievelijk het hert, de merrie en de olifant. Hertjes die hun hart hebben verloren aan een hengst, of hazen die willen wippen met een olifant, hoeven overigens niet te wanhopen. De Kamasutra geeft – zeer hands-on – tips voor alle mogelijke combinaties.

Nu we hier toch zijn, op safari in het mannelijk kruis, met ons meetlint in de hand, is het misschien een goed moment om ons af te vragen of de Kamasutra daar gelijk in heeft: doet grootte er echt niet toe? Nou, volgens vrouwen niet. Uit een Brits onderzoek blijkt dat 85 procent van de bevraagde dames prima tevreden is met de afmetingen van het lid van haar lief. Uit een andere studie blijkt dat ze het bovendien niet zo vreselijk belangrijk vonden. Slechts een kleine minderheid kon het iets schelen, en daarbij bleek de omtrek der snikkel belangrijker dan de lengte. Mannen denken daar overigens zelf anders over. Zij hechten juist wel waarde aan een voldoende lange snoeshaan, en waren ook veel kritischer dan de dames: in die Britse studie vond 45 procent hun apparatsjik te klein.

 

Topje van de ijsberg

En daarmee komen we aan het bij het laatste deel van deze rondleiding: de eikel, of glans. Dit vaak wat rozige deel van de piemel vormt het hoofd van de kleine secretaris-generaal. Van nature is hij bedekt door de voorhuid. De voorhuid beschermt de eikel tegen wrijving – niet die van de goede soort, maar van onderbroeken en dergelijke – en zorgt dat het topje van de ijsberg een beetje vochtig en slijmerig blijft. Het is tevens al sinds de Oud-Testamentische koning Saul zijn aanstaande schoonzoon David vroeg om 100 Filistijnse exemplaren één van de meest besproken stukjes vel ter wereld. Dat komt vooral doordat sommige religies en culturen voorschrijven dat dit velletje op jeugdige leeftijd te verwijderen.

Of besnijden medisch gezien nou voordelig is of niet, is al jaren onderwerp van fel debat tussen artsen. In Nederland is het officiële standpunt van de artsenfederatie KNMG dat hij meestal beter gewoon kan blijven zitten, omdat besneden mannen vaker last hebben van problemen bij het plassen (omdat er eelt rond de plasbuis komt) en vaker moeite hebben bij het klaarkomen (omdat hun eikel minder gevoelig is).

Maar terug naar vrolijker eikelzaken. Nergens in het mannenlichaam zitten zoveel zenuwen als in de kop van zijn genotsknots. Vooral het frenulum – het kleine velletje waarmee de voorhuid vastzit aan de rest van de penis – staat bekend als dikke bingo. Wanneer deze plek gedurende gemiddeld zo’n vijf tot zeven minuten door een terzake kundig persoon gestimuleerd wordt, leidt dat in veruit de meeste gevallen tot een reflex van het ruggengraat, die de schaamzenuw op uitermate prettige wijze doorgeeft aan het hele kruis.

En vlak voordat dit orgasme in al haar ejaculerende glorie losbarst, ronden wij onze safari af. Mocht u toch nog naar het vuurwerk willen kijken, dan raden wij u aan voor de zekerheid tenminste 2,5 meter afstand te bewaren en eventuele Perzische tapijten af te dekken.

 

 

*) er zijn ook mannen die van onderen een ander landschap hebben, bijvoorbeeld omdat ze trans zijn, of interseks. Ook dit zijn uiteraard gewoon mannen, maar dan met een andere safari.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Ik ben gek op revoluties. Mijn hart gaat sneller kloppen bij het zien van mensenmassa’s op belangrijke pleinen. Zoals nu in Kiev. Ik lees dat er gebouwen bezet worden, er eten wordt uitgedeeld, dat er zelfs ‘s nachts nog overal mensen en barricades zijn. De opwinding ervan doet me denken aan Arabische lentes, aan de val van de muur, Boris Jeltsin op een tank, de opgeheven armen van een pas vrijgelaten Nelson Mandela. Verwachtingsvolle eendracht, beloofde vrijheid, gecondenseerde hoop. Ik houd ervan.

De levensduur van dit gevoel is gemiddeld drie dagen. Daarna pakt mijn innerlijke cynicus mijn innerlijke romanticus altijd weer genadeloos bij de kladden. Want wat is een revolutie nou helemaal? Meestal is het niet meer dan een bocht in de weg van A naar B. De route verandert, maar je rijdt nog steeds auto, en ook de kuilen in de weg en de tegenliggers blijven goeddeels hetzelfde. Dingen die er echt toe doen, de fundamentele koerswijzigingen, die kosten tijd. Revolutieliefde komt maar al te vaak voort uit een klassieke denkfout: de neiging om vooral aandacht te hebben voor dat was nieuw is, wat schokt, wat plotseling gebeurt, en het verwaarlozen van de dingen die traag en bijna onzichtbaar aan de hand zijn.

Kranten zijn van oudsher pleisterplaatsen van deze denkfout. Jaren geleden constateerde psycholoog Paul Slovic al dat kranten drie keer vaker schrijven over spectaculaire zaken als moord, tornado’s, grote branden en ongelukken dan over bijvoorbeeld huis-, tuin- en keukenziektes, ook al eisen die ziektes honderd keer meer levens dan al deze catastrofes samen. Niet dat lezers dit erg vinden, want ook zij dichtten te grote magere-hein-kansen toe aan dingen waar je heel acuut en onverwacht aan doodgaat, en onderschatten de overlijdensrisico’s van zaken die nogal gewoontjes zijn, zoals diabetes.

Dat is evolutionair gezien natuurlijk ook wel logisch: als je een tornado ziet, is het reuze praktisch als alle alarmbellen afgaan, in verband met hard wegrennen en dergelijke. Mensen met geweren of grote branden idem dito. Bij suikerziekte daarentegen is vechten of vluchten tamelijk zinloos, dus houdt ons waarschuwingssysteem terecht zijn snater.

Problematisch wordt het wanneer er heel langzaam iets belangrijks gebeurt dat eigenlijk wel om radicaal ingrijpen vraagt, maar toch de gemoederen niet weet te verhitten. Bijvoorbeeld wanneer de aarde in slakkengang steeds warmer wordt. Daar zouden we op termijn best collectief van naar de ratsmodee kunnen gaan, wat op zich een goede reden is voor actie, ware het niet dat het gevoelsmatig allemaal niet zo deert.

Om die emotionele lacune te dichten, proberen sommigen per olifantenpaadje een trage ontwikkeling iets van urgentie mee te geven. Een mooi voorbeeld stond gisteren op de voorpagina van deze krant: ‘De groene revolutie komt uit het Noorden’. Mijn romantische hart maakte het bekende sprongetje, want dat klonk alsof er onmiddellijk iets groots te gebeuren stond, maar al snel bleek dat het artikel ging over hoe de Denen hun energievoorziening hebben verduurzaamd door heel onrevolutionair gewoon drie decennia lang een stabiel groen beleid te voeren. ‘We hebben iets bedacht en dat volgehouden’, zei de bijbehorende minister. Dat is uitermate verstandig, noodzakelijk zelfs, maar het zorgt niet voor een acute kriebel in de buikregio.

Een verwante strategie is om onze gevoelsmatig ingebakken catastrofe-alarmbel te luiden door deze te koppelen aan een langzaam sluipgevaar. Op de klimaattop in Warschau probeerden bezorgde afgevaardigden de supertyfoon in de Filippijnen tot icoon van de opwarmende aarde te maken, in de hoop dat het aanzien van minderjarige stormdoden de heren en dames beleidsmakers zou aanzetten tot effectiever klimaatbeleid. Geen gek idee, ware het niet dat allerlei fuifnummers meteen kwamen melden dat een statistisch verband tussen opgewarmd, klimaatveranderd zeewater enerzijds en harder waaiende orkanen anderzijds nog helemaal niet is aangetoond. Ze hebben gelijk natuurlijk, en het moet beslist gezegd worden, maar ik vind het ook jammer: alweer geen klimaatrevolutie.

Ach, stel je niet aan, zegt mijn interne cynicus dan, zo erg is dat nou ook weer niet. Kijk maar naar de passie die je in 2006 voelde voor Al Gore’s Inconvenient Truth: over revolutie-als-slechts-een-bocht-in-de-weg-maar-we-zitten-nog-steeds-in-de-auto gesproken. Vergeet de revolutie. De echte klus begint pas daarna: na de passie, na de schok, na het plein, na de ramp. De Denen hebben goed begrepen hoe dat je dat doet: je verzint iets verstandigs, en blijft daarbij. Dat is niet spectaculair. Het is niet romantisch. Het voelt nergens naar. Maar het werkt wel.

 

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Er zijn goede vrouwen en slechte vrouwen. De goede zijn kieskeurig, gaan niet zomaar met iedereen naar bed en verdienen respect. De slechte zetten de bloemetjes buiten, vrijen met jan en alleman en noemen we slet. Waarom die tweedeling? En wat zijn de gevolgen? Documentairemaakster Sunny Bergman zocht het uit voor haar film en boek Sletvrees.

‘I am the world’s greatest lover. I have made love to over a thousand women.’ Dat zegt Johnny Depp, wanneer hij de grote verleider Don Juan de Marco speelt in de gelijknamige film. Vervolgens verleidt hij een vrouw door haar te vertellen wat hij daarvan allemaal heeft geleerd. Ervaring leert dat op dit punt in de film bijna alle heterovrouwen wensten dat zij ook eens naar bed konden met Johnny/Don Juan.

Er zijn geen speelfilms waarin vrouwen worden bewonderd en bemind omdat ze de liefde bedreven met meer dan duizend mannen. Een vrouw die met zoveel heren het bed deelde is niet de beste minnares ter wereld. Ze is een slet.

Seksueel actieve vrouwen roepen een soort angst in mensen op, denkt Sunny Bergman. Vandaar ook dat haar boek en film de titel ‘Sletvrees’ kregen. ‘Een vrouw die net zoveel lust heeft als een man, die zich gedraagt als een man, dat vinden we negatief. Dat hoort niet, want dat past niet bij het idee dat vrouwen kieskeuriger zijn in het kiezen van een sekspartner dan mannen’, zegt Bergman.

Dat idee van de kieskeurige vrouw komt uit de evolutiepsychologie. De theorie stelt dat mannen zijn gebouwd om te willen vrijen met zoveel mogelijk vrouwen. Zo verwekken ze lekker veel kinderen. En hoe meer DNA je doorgeeft aan de volgende generatie, hoe meer evolutionair succes je hebt. Maar voor vrouwen ligt dat anders. Zij kijken juist wel link uit met wie ze de grot induiken, want zij lopen het risico na een vrijpartij te zitten met nogal arbeidsintensieve klusjes als zwanger zijn, baren en borstvoeding geven. Al die moeite wil je niet doen met het DNA van zomaar de eerste de beste lul de behanger. Dus zijn vrouwen op seksgebied juist kieskeurig en preuts.

Hoewel maar weinig mensen precies van de evolutiepsychologische hoed en rand weten, is deze theorie eigenlijk bij iedereen bekend. Onder andere dankzij Mannen van Mars, vrouwen van Venus-goeroe John Gray, die zijn boeken er (uitermate losjes) op baseert. In Bergmans film zegt hij dan ook dat het voor mannen wel maar voor vrouwen niet natuurlijk is om elke dag seks te willen hebben. Eén van de vrienden van Bergmans twintig jaar jongere zusje verwijst in Sletvrees bijna achteloos naar dit gedachtegoed, terwijl ze zich met zijn allen klaarmaken om uit te gaan: dat mannen natuurlijk ook een soort oerseksdrift hebben die bij vrouwen ontbreekt.

=

In de loop van de jaren is er nogal wat kritiek geweest op deze evolutiepsychologische theorie. Onderzoekers vragen zich bijvoorbeeld af hoe het dan toch kan dat tegenwoordig die preutse vrouwen bijna even vaak vreemd gaan als mannen. Of waarom mannen zo tot over hun oren verliefd worden op een enkele vrouw, dat ze helemaal geen zin meer hebben om hun zaad ook te verspreiden onder andere dames.

Bergman wil er dan ook wel vanaf. Want niet alleen is de theorie wetenschappelijk twijfelachtig, hij doet vrouwen ook geen goed. ‘Het denken in zulke verschillen kan een soort gevangenschap opleveren. Dat vrouwen bang zijn om seksueel vrij te zijn, en zich daar schuldig over voelen omdat ze denken dat het niet hoort’, vreest ze.

Dat gevoel kent ze van dichtbij. Ze vertelt hoe ze op reis in Kenia een jongen oppikte in een bar. ‘Ik schoof hem een briefje toe met mijn hotelkamernummer. Best brutaal eigenlijk. En daar ging ik met hem naar bed, en toen brak het condoom. Dit was in een gebied waar heel veel aids was. En toen dacht ik: dat is mijn straf, omdat ik zo’n sloerie ben.

=

Maar zo hoeft het niet te zijn, vertelt Bergman. Ze vertelt hoe het eraan toegaat in Ugunda, een cultuur zonder evolutiemythes over preutse vrouwen en sletvrees. Daar gebruiken mannen een techniek, kachabali (zie kader), die ervoor moet zorgen dat vrouwen altijd spuitend klaarkomen. ‘De vrouwen zijn ook heel trots, dat ze zo goed kunnen klaarkomen. Dat is nogal een contrast met wat nog steeds in Nederland gedacht wordt: dat de meisjes grensbewakers zijn, die de seksboel moeten afremmen omdat jongens altijd willen.’

Het idee dat vrouwen de rem zijn op het enorme libido van de man werkt vrouwen in bed soms flink tegen, denkt seksuoloog en psycholoog Ellen Laan. Sowieso wil zij het begrip libido het liefst in de prullenbak gooien. Volgens haar wordt iemands zin in seks vooral bepaald door goede of slechte ervaringen in het verleden. Wie altijd reuzefijne seks heeft, met daverende orgasmes, zal meer in zijn voor een lekker potje vrijen dan iemand die een tijdlang tegen heug en meug heeft gewipt.

Voor mannen is seks-zonder-zin veel moeilijker dan voor vrouwen. Als zij immers niet opgewonden zijn, krijgen ze geen erectie en gaat het feest niet door. Een vrouw kan daarentegen prima geilloos vrijen. ‘Ach, hij wil het zo graag en ik houd van hem, ik doe gewoon even alsof ik dit lekker vind, dan kan ik des te sneller weer verder met mijn boek.’ Dikke kans dat ze de volgende keer minder warm loopt voor een vrijpartij, terwijl hij de fijne ervaring snel weer wil herhalen. En ja, dan lijkt het algauw of mannen ‘van nature’ meer goede zin hebben dan vrouwen.

=

Het idee van de man als seksbeluste hengst en de vrouw als relatiegerichte rem wordt al jong aangeleerd. Bergman praat in haar film en boek met de Australische neuropsycholoog Cordelia Fine over de stereotiepe boodschap dat speelgoed tegenwoordig aan kinderen meegeeft. Voor meisjes gaat speelgoed vooral over relaties – poppenmoeder zijn, met vriendinnen dingen doen, prinsessen die passief wachten op de prins op het witte paars – en uiterlijke schoonheid. Voor jongens is het stoerder en avontuurlijker, met ridders en piraten.

Fine stelt dat deze verschillen maar weinig te maken hebben met verschillen in het brein van jongens en meisjes. In haar goed onderbouwde boek Waarom we allemaal van Mars komen laat ze overtuigend zien dat de hersenen van beide seksen ongeveer hetzelfde doen en kunnen. ‘Het mannenbrein lijkt op niets in de wereld zo erg als op een vrouwenbrein. Neurowetenschappers kunnen ze op individueel niveau niet eens uit elkaar houden.’ De suggestie dat vrouwenbreinen heel anders zouden zijn dan de mannenbreinen noemt ze ‘neuroseksisme’. Bergman: ‘Maar de bijbehorende stereotypen in de speelgoedwinkel vertalen zich wel direct naar de slaapkamer: mannen veroveren, en vrouwen zijn passief en willen vooral liefde.’

=

Dat idee, dat het zo hoort dat jongens altijd seks willen veroveren, en dat vrouwen liefdezoekende grensbewakers zijn leidt tot allerlei narigheid. Bijvoorbeeld: als je als vrouw niet aan dit stereotype voldoet, bent je dus een slet.

En dat, zo legt Sunny Bergmans zusje uit, is slecht nieuws. Zo’n reputatie wil je niet, want je wilt ook ooit nog trouwen en kinderen krijgen. En mannen trouwen niet met hoeren. Bovendien blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat vrouwen met een flinke seksuele eetlust niet alleen sletteriger worden gevonden, maar ook minder intelligent, minder competent en zelfs geestelijk minder gezond.

Bovendien kunnen vrouwen zich nogal wat woede op de hals halen als ze, in de ogen van anderen, hun kuise grensbewakersrol niet met voldoende verve uitoefenen. Afgelopen augustus werd een tienermeisje op twitter en facebook door tienduizenden mensen uitgescholden voor vieze slet, omdat er een foto rondging waarop te zien was hoe ze tijdens een Eminem-concert een jongen pijpte. De jongen, overigens, werd door niemand uitgemaakt voor wat dan ook. Hij kreeg hier en daar zelfs een compliment omdat hij het zo goed voor elkaar had.

‘Het is meteen: met dat meisje is iets mis’, zegt Sunny Bergman. ‘De dunne grens tussen een goed meisje en een slecht meisje is altijd aanwezig, als een onverbiddelijke markering.’ En om het nog ingewikkelder te maken: teveel seksualiteit zorgt ervoor dat je aan de verkeerde kant van die grens belandt, maar te weinig ook. ‘We leven in een cultuur waarin sexy zijn heel erg gestimuleerd wordt. Rolmodellen presenteren zich zo, en het is ook een manier om succesvol te zijn. Je erotisch kapitaal gebruiken, noemen ze dat dan.

=

In haar boek en film laat Bergman zien dit sexy ideaal veel meer invloed heeft op vrouwen dan je zou denken. Zo interviewt ze de invloedrijke Amerikaanse seksuologe Marta Meana, die op basis van haar onderzoek concludeert dat zelfs de manier waarop vrouwen geil worden erdoor verandert. Volgens Meana raken vooral vrouwen opgewonden van sexy zijn, van begeerd worden, van het idee dat ze bij een man oproepen. Dat zie je ook terug in ons taalgebruik. Een geile man is een man die zin heeft in seks. Maar heb je het over een geile vrouw, dan betekent ‘geil’ ineens iets anders: zij is iemand waar mannen hitsig van worden.

Dat vrouwen hun eigen seksuele verlangen door de ogen van een man bekijken, is volgens Sunny wel te begrijpen. ‘Het mannelijk perspectief is in onze samenleving toch dominant’, zegt ze. ‘En vrouwen maken zich dat perspectief eigen. Ze leren om van buitenaf naar zichzelf te kijken, alsof ze een soort object zijn dat beoordeeld moet worden.’

Ze geeft een treffend voorbeeld. ‘Ik was op vakantie in Griekenland aan het klimmen op de rotsen. Mijn zoon was een liedje aan het zingen, ik rook verse kruiden, ik was helemaal in het moment. En toen, als een soort flits, zag ik mezelf door de ogen van een ander. Ineens dacht ik: ik heb m’n bikinilijn niet gedaan, er piept misschien wel iets langs m’n broekje, m’n benen zijn niet geschoren, ik heb rare sandalen aan. Ik zie er niet uit.’

Dat roept de vraag op: hoe veranderen we dat? Hoe worden we meer dan een sexy object voor anderen? Seksueel bevrijd maar geen ‘slechte vrouw’? Een pasklaar antwoord heeft Bergman niet. ‘Ik kan vooral mensen aan het denken zetten.’ Maar misschien ligt het antwoord hem in het verschuiven van het perspectief. Van sexy voor anderen, naar wat je zelf voelt. Van denken dat lust vooral voor mannen is, naar kijken waar je zelf opgewonden van wordt. En misschien af en toe een lekker potje kachabali.

=====

Kader: Kachabali

Kachabali is een Ugandese techniek die bedoeld is om vrouwen spuitend klaar te laten komen. De truc is dat de man ervoor moet zorgen dat zijn lief ontzettend opgewonden raakt. Wanneer de vrouw enigszins nat wordt, laat hij zijn vochtige penis ritmisch langs haar binnenste schaamlippen en clitoris glijden, op en neer, zigzaggend of in cirkelbewegingen, net zo lang tot ze bijna gek is van opwinding. Daarna komt ze klaar – fontein incluis. ‘Het voelt als totale explosies in haar lichaam’, vertelt een beoefenaar in Sletvrees.

 

Kader: vulkaanvrouwen

Het idee dat vrouwen kuis zijn en mannen niet is tamelijk nieuw, schrijft wetenschapsjournalist Daniel Bergner in zijn boek What do women want? Gedurende het grootste deel van de geschiedenis werden juist de vrouwen gezien als vurige vulkanen, die elk moment in wellust konden uitbarsten. Mannen, aan de andere kant, waren veel te verstandig en rationeel om zich zomaar over te geven aan allerlei geiligheid. Dat betekende overigens niet dat je als vrouw je vulkaan mocht delen met heren anders dan je wettige echtgenoot. Dat was ook toen fout. Maar wel fout om een tegenovergestelde reden: niet omdat een sletterige vrouw ingaat tegen haar preutse natuur, maar juist omdat ze haar opgewonden natuur niet had weten te onderdrukken.

 

Over het boek Sletvrees:

Het boek Sletvrees verscheen 29 oktober bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Het boek gaat trouwens niet alleen over sletten, maar ook over de vorige films die Sunny Bergman maakte: Beperkt houdbaar en Sunny side of sex. 

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.