dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Ik zou wel naar het strand willen. Pootjebaden, turen naar de horizon, spelen met dochters die naar zout, zand en zonnebrandcrème ruiken. Even iets anders dan mijn huis en het ommetje over de ventwegen aan de rand van de stad, dat ik enkel nog maak als het regent, omdat het alleen dan mogelijk is om afstand te houden tot andere wandelaars en fietsers.

De anderhalvemetersamenleving is ten onder gegaan aan achteloosheid. Aan de ‘het is maar een griepje’-zeggers, de mensen die zichzelf onkwetsbaar achten voor het coronavirus en dus geen maatregel meer serieus nemen. Het RIVM meldde in juni dat meer dan de helft van de mensen met verkoudheidsklachten zich niet laat testen. Daarmee lijkt ook de kans op een succesvol opsporen-en-indammen-beleid wel verkeken.

De onverschillige medemens, zo begrijp ik, vindt dat hij nu wel genoeg heeft gedaan voor mensen zoals ik, die tot een risicogroep behoren en zich deze nonchalance dus niet kunnen veroorloven. Sander Schimmelpenninck omschreef coronamaatregelen in de Volkskrant als ‘angstzaaierij en massahysterie’, en mensen die nu nog tot voorzichtigheid manen als ‘bemoeizuchtige vingerwapperaars’. Hij klaagt dat hij nu weliswaar weer uit eten mag, maar dat ‘de ziel eruit is’. ‘Welke risicoafweging rechtvaardigt het nog langer ophokken en beteugelen van jonge mensen?’

Nou: een risicoafweging waarin de levens van ouderen en mensen met beperkingen en chronische ziektes even waardevol zijn als die van jou, meneer Schimmelpenninck. Jouw vrijheid wordt betaald met onze onvrijheid; hoe minder mensen afstand houden, testen en thuisblijven, hoe meer wij onszelf moeten opsluiten. Hoe groter de kans op een tweede golf, waarin wij meer kans lopen om het loodje te leggen dan jij.

Het maakt me kwaad: hoe goedkoop onze levens zijn gemaakt. Dat onze dood en ons geluk niet even zwaar lijkent te tellen zoals dieat van jonge, gezonde mensen. Dat niet eens wordt meegewogen dat wij even onmisbaar en geliefd zijn; dat het zou kunnen dat de samenleving collectief iets voor ons doet of laat. Ik ben pisnijdig dat woordeloos wordt geaccepteerd dat er nu twee soorten burgers zijn: de winnaars, die vieren dat alles weer normaal is, en de verliezers, die nog altijd in lockdown zitten, misschien wel tot er een vaccin komt. En ik haat het dat ik me hiertegen moet verzetten. Ik wil me niet boos hoeven maken; ik wil naar het strand. Het is zo lang geleden dat ik de horizon heb gezien.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Ik had het vooraf niet zien aankomen, maar toch zat ik het me een paar dagen geleden ineens af te vragen: heb ik een piemelplicht?

Mogelijk is wat context hier op zijn plaats. Op Twitter belandde ik in een discussie over het besnijden van meisjes en jongens. Of, accurater: over hun genitale verminking. Voorliggende kwestie: er zal nooit een einde komen aan de genitale verminking van meisjes als je die van jongens negeert. Wie tegen het eerste strijdt, moet zich ook verzetten tegen het tweede.

Laat me voorop stellen dat ik absoluut van mening ben dat, behoudens het fiksen van serieuze medische problemen, artsen of andere volwassenen nimmer in de geslachtsdelen van kinderen zouden moeten snijden. Niet uit traditie, niet om een vaag hygiëne-principe, en ook niet bij kinderen met een intersekse conditie, waar artsen uit een verknipt semi-medisch ideaal over hoe piemeltjes en vulvaatjes eruit horen zien nog steeds soms het mes zetten in verder prima gezonde geslachtsdelen. Gewoon: niet. Scalpels en genitaliën komen slechts tezamen wanneer iemand groot genoeg is om daar geïnformeerd toestemming voor te geven. Basta.

Maar nu de kwestie: levert zo’n standpunt ook een soort activistische plicht op? Ja, zei een mede-twitteraar. Als je strijdt voor gelijke rechten, dan gelden die dus zowel voor meisjes als voor jongens. Bovendien hebben alle kinderen recht op lichamelijke integriteit.

Dat is zo. Maar toch voelt dit argument alsof je aan iemand die zich inzet voor de tijger eist dat ze zich ook hard maakt voor de haai.

Bovendien: strijd ik eigenlijk wel voor gelijke rechten? Veel mensen die zich verzetten tegen de genitale verminking van meisjes zijn vrouwenrechtenactivisten. Hun doel is meer veiligheid, kansen en rechtvaardigheid voor vrouwen. Waar het de rechten van geslachtsdelen aangaat, zou ik mezelf liever een vulvarechtenactivist noemen, om zo non-binaire en trans mensen niet uit te sluiten, en mensen zonder vagina of baarmoeder evenmin.

De basis van deze strijd is: baas in eigen kut. Op alle denkbare manieren: dat niemand er zonder je toestemming in mag snijden, uiteraard. Maar ook: dat niemand eraan mag zitten als jij dat niet wilt. Dat niemand over je vulva mag beslissen, niemand iets te maken heeft met je maagdelijkheid, niemand jou en je vulva mag dwingen om te trouwen, of om seks te hebben, of juist niet.

Baas zijn in eigen vulva is niet vanzelfsprekend in het patriarchaat waarin we leven, omdat de onderdrukking van vrouwen en het inperken van hun zelfbeschikkingsrecht onderdeel zijn van het maatschappelijke systeem. De strijd tegen de verminking van vulva’s is onderdeel van deze strijd tegen het patriarchaat. De strijd tegen jongensbesnijdenis is dat niet.

Eisen dat de bevechters van het patriarchaat ook werken voor de rechten van jongens en mannen is een patriarchale claim; een reproductie van het onrecht waar we juist ons tegen verzetten. En daarom kan er geen piemelplicht zijn.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Ik heb volkomen ongelijk. Of althans, dat vind meneer D. nadat hij mijn vorige column heeft gelezen. Daarin betwijfelde ik of de gezondheidswinst van een verblijf in de natuur meetbaar is; misschien is het niet nodig om de helende kracht van bos, zee en bergen in cijfers en procenten uit te drukken; er is magie in de natuur, en dat is genoeg.

Meneer D. denkt er anders over. Want: als we niet meten hoe waardevol de natuur is, als we daar geen geldbedragen en percentages gezondheidswinst aan hangen, hoe kunnen we dan voorkomen dat de natuur in een kapitalistische samenleving verdrongen wordt door andere dingen – industrieterreinen, snelwegen, megastallen – die wel klinkende munt opleveren in de balansboekjes van overheden en bedrijven? In een kapitalistische samenleving telt vooral geld. Al dat gelul over magie maakt de natuur alleen maar tot een gemakkelijk doelwit. Iedereen die niet door die magie beroerd wordt, kan immers zijn schouders ophalen over die mooie vogels, bossen en zonsopkomsten van mij, en de hele bups rooien om er graziger – en bovenal: winstgevender – weides van te maken.

Misschien heeft meneer D. een punt. Ik moet denken aan een interview met bioloog Gretchen Daily dat ik onlangs las in de New Scientist. Daily pionierde het rekenen aan de waarde van de natuur. Ze hoopt dat deze manier denken tot een cultuuromslag gaat leiden. In de vorige eeuw hebben we grootschalige verwoesting van de natuur gezien, zegt ze. ‘Als we van deze prachtige blauwe planeet aan het eind van deze eeuw een plek gaan maken die ook maar bij benadering leefbaar is voor onze nakomelingen, dan moeten we natuur naar het hart van de besluitvorming brengen en naar het strijdperk van kosten-batenanalyses – en dat strijdperk veranderen.’

Dus is zij een gepassioneerd voorstander van natuur niet alleen mooi en magisch vinden, maar ook een vorm van ‘groen kapitaal’, vol met nuttige ‘ecosysteemdiensten’: bestuivende bijen, CO2-slurpende bomen. Ze staat daarin beslist niet alleen. Afgelopen juni becijferden De Nederlandsche Bank en het Planbureau voor de Leefomgeving nog dat ‘510 miljard euro van de leningen, aandelen en obligaties van de Nederlandse financiële sector in hoge mate afhankelijk is van biodiversiteit’. Al geef je geen bal om vogelzang, natuurbehoud is gewoon economisch verstandig.

Maar wetenschapsjournalist Emma Maris zet in een essay toch vraagtekens bij deze denkwijze. Het mag misschien objectief klinken, schrijft ze, maar de meeste mensen die pleiten voor meer natuur doen dat helemaal niet omdat toevallig uit hun spreadsheet is gebleken dat dit financieel voordelig is, maar omdat ze van groen en wildernis houden. Ze ‘praten over ecosysteemdiensten, zelfs wanneer er eigenlijk liefde in hun hart is’, schrijft ze. En dat vindt ze onverstandig. Mensen houden misschien wel meer van de natuur dan ooit tevoren; een pleidooi voor meer natuur op basis van liefde en het idee dat natuur intrinsiek waardevol is, vindt ze intellectueel eerlijker en mogelijk effectiever.

Ook schrijver George Monbiot formuleert in een lezing bezwaren tegen praat over groen kapitaal en ecosysteemdiensten. Door de waarde van natuur te berekenen, door het deel te maken van kosten-batenanalyses, duw je de natuurlijke wereld nog verder het kapitalistische systeem in, stelt hij, terwijl dat systeem juist verantwoordelijk is voor een groot deel van de verwoesting van de natuur.

En dat is niet slim. Want wat nou als uit je kosten-batenanalyse blijkt dat een snelweg per huishouden per jaar meer opbrengt dan een natuurgebied? Of als er technologische oplossingen zijn die dezelfde ecosysteemdiensten kunnen bieden als een bij of een boom, maar dan goedkoper? Dan sta je als natuurliefhebber mooi in je hemd met je rekensommen.

Bovendien ondermijn je zo je eigen morele positie, denkt Monbiot. Door je eigen normen en waarden, je liefde, je gevoel, de magie te vervangen door de taal van het kapitalisme, van de vrije markt, van mensen die de intrinsieke waarde van de natuur niet zien, ga je mee in het idee dat die waarde er niet is of in ieder geval niet centraal hoort te staan in het debat. Maar wie overtuig je daarmee?

Als iemand natuur beschouwt als goedkoop, als iets dat je gewoon kunt opgebruiken, zou zo iemand dan echt van mening veranderen als we natuur op papier duurder maken? Verandert natuur voor iemand die de magie niet ziet, die geen bomen ziet maar hout, geen aarde maar kavels, geen dieren maar vlees, dan ineens van waardeloos in kostbaar?

Ik denk het niet.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Soms is er een moment, vlak voordat de zon opkomt, dat alles blauw lijkt. Het is stil in het bos; de meeste nachtdieren zijn al gaan slapen, de dagdieren zijn nog niet wakker. Maar ik ben dat wel, onverwacht toch even op een camping aan de rand van de Veluwezoom, waar we corona-bestendig verblijven op een afgelegen plekje, geïsoleerd, de eigen mobiele poepdoos mee. Een paar nachten slechts, omdat we de gemeenschappelijke douchehokjes mijden en dus weer weg moeten zijn voordat onze lichaamsgeur hinderlijk wordt voor derden en bosdieren.

Het bos ruikt naar humus en de regen van gisteravond, en ik kijk hoe de kleuren veranderen van blauw naar goud; de eerste zonnestralen vallen tussen de bomen door. Een voor een beginnen de vogels te zingen, tot er tientallen klinken, elk met hun eigen melodie, en toch botst en schuurt er niets. Voor het eerst in maanden heb ik geen buikpijn, zijn mijn kaken niet op elkaar geklemd. Ik ben tevreden, dankbaar dat ik hier mag zijn, dat dit moois nog bestaat, gewoon doorgaat, dat er licht is, ondanks alles. Een dageraad in de natuur, troost voor wie een tijd verdrietig is geweest.

Onder de luifel van ons caravannetje lees ik boeken van vrouwen die zich door de natuur hebben laten helen. Zoals Amy Liptrot, die zichzelf na een verwoestende alcoholverslaving terugvindt op de Orkney-eilanden. In The Outrun vertelt ze hoe ze, in plaats van de meditatie die de AA aanbeveelt, gaat lopen in de heuvels. In beweging zijn kalmeert me, schrijft ze; ik vul de leegte met momenten van schoonheid. Verderop in het boek vertelt ze hoe een bruinvis steeds om haar haar boot heen dartelt, hoe een blauwe kiekendief een paar seconden lang naast haar auto vliegt.‘Ik ben in een vrije val geraakt, maar ik grijp deze dingen vast terwijl ik neerstort.’

Er zijn mensen die proberen de soelaas die de natuur kan bieden in cijfers te vangen. Wim Pijbes pleitte onlangs in Elsevier Weekblad voor meer en betere stadsparken. Deel van zijn argumentatie: ‘Medici benoemen de waarde van stadsparken als helende omgeving. (..) Twee uur per week in de natuur verlaagt de kans op astma en allergieën, verlaagt stress en verhoogt de levensverwachting.’ Een Brits rapport heeft hier zelfs eens een bedrag aan gehangen. Natuur, zo werd berekend, zorgt voor onder andere recreatie, gezondheid en troost, en dat zal in 2060 wel 290 pond per huishouden per jaar opleveren.

Ik zal niet de enige zijn wiens kullebul-o-meter daarvan uitslaat. Maar ook het andere rekenwerk laat me fronsen. Zo leggen de studies naar de gezondheidseffecten van groen en natuur wel verbanden, maar zonder echt te doorgronden wat oorzaak en gevolg is: maakt de natuur ons gezonder of zijn gezonde mensen vaker in de natuur? Is er nog een derde factor – rijkdom, opvoeding, hondenbezit – die én gezonder én natuurminnend maakt?

Of, nu we toch aan het fronsen zijn: neem die ‘twee uur per week’ die Pijbes noemde. Die komt waarschijnlijk uit die studie waarin bijna 20.000 mensen aangaven hoe lang ze de afgelopen week in de natuur waren geweest, en hoe ze hun gezondheid en welzijn ervoeren. De conclusie: wie minstens twee uur klokte, voelde zich beter. Maar nu het deel waar we de wenkbrauwen mogen optrekken: dit is volgens de wetenschappers een drempelwaarde, een harde grens. Met andere woorden: wie 120 minuten of langer in de natuur verpoost, plukt daar de vruchten van, maar wie na 119 minuten vertrekt, had net zo goed thuis kunnen blijven. Het is een fraai voorbeeld van hoe je de rijkdom van de menselijke ervaring met behulp van statistiek kunt vervormen tot iets dat lijkt op een hard feit, maar eigenlijk weinig meer met de werkelijkheid te maken heeft.

Hoe meer ik over zulke studies lees, hoe meer ik denk dat ze proberen iets te meten wat niet te meten valt. De zee, het bos, de bergen: ze kunnen balsem voor de ziel zijn. Maar hoe hang je daar cijfers aan? Hoeveel procentpunten gezondheidswinst ken je toe aan de vogels en de wind en de oceaan die een alcoholist hielpen het leven nuchter te omarmen? Hoe peil je de waarde van een dageraad in het bos die het hart helpt te helen van iemand met verdriet? Moet je dat kunnen tellen en berekenen? Is dat belangrijk?

Misschien niet. Misschien doen we de werkelijkheid meer recht als we gewoon toegeven dat in de natuur nog magie bestaat. En dat je magie niet kunt meten. Maar als je geluk hebt, kun je je er soms even door laten betoveren.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Er zitten gaten in het weefsel van de alledaagse wereld’, schrijft Katherine May in haar mooie boek Wintering. En soms val je daar doorheen, niet door schuld maar door omstandigheden, en kom je ergens anders terecht. In een seizoen van kou, ‘een braakliggende periode in je leven waarin je afgesneden bent van de wereld, je afgewezen voelt, buitenspel gezet, weerhouden van vooruitgang of in de rol van buitenstaander bent gedwongen.’ Een periode van bedroefd zijn, van ongelukkig zijn, van je terugtrekken. May noemt het ‘winteren’.

Ik las Mays boek omdat ik door de gaten van het weefsel van de wereld aan het vallen ben. Het begon met de lockdown – een soort kunstmatige winter – en sindsdien is het bij me: dat gevoel van halfbestemd verdriet, van niets lukt, van dit gaat zo niet langer en ik weet niet waar ik het zoeken moet.

Toen de scholen dichtgingen, was ik net ziek geweest – hoesten, zweten, trillen, slapen, mezelf wakker hoesten, herhaal – en dus niet op mijn best. Mijn huis raakte ineens gevuld met virusangst, kindertranen, normaalheimwee en de voortdurende luidheid van mensen die net iets te dicht op elkaar moeten leven en werken. En net toen we hier onze weg in vonden, ging mijn opa dood. Nu is er ook nog rouw: de tranen komen snel, de woorden langzaam, een paniek dringt steeds aan, hoog in mijn keel, bij elk klein probleem; een ziek kind, beestjes op de kamerplanten. Ondertussen begint het normale leven weer, maar zonder mij. Net als andere mensen uit de coronarisicogroepen kan ik enkel toekijken: ook verlangend naar vrijheid en afleiding en dagen in de buitenlucht, maar nog opgesloten, halfvergeten, achtergebleven.

Ik treur en ik struikel, maar ik schroom om dat toe te geven, aan mezelf en al helemaal aan anderen, al ben ik vast niet de enige die zich na de lockdown zo voelt. ‘De momenten waarop we uit het dagelijks leven vallen blijven taboe’, schrijft May. We zien het als een vernedering, als iets gênants dat we moeten verbergen. ‘Dit betekent dat we een geheim hebben gemaakt van een volkomen normaal proces, en zo de mensen die het ondergaan een paria-status hebben gegeven, die hen dwingt zich uit het dagelijks leven terug te trekken om zo hun falen te verbergen.’

Maar winteren is onvermijdelijk. We hebben de neiging om ons leven voor te stellen als een lijn: we beginnen met een lente, gevolgd door een zomer waarin we steeds mooier bloeien, en dan komen herfst en winter en is het gedaan. May noemt dit ‘een brute onwaarheid’. Het leven is cyclisch, schrijft ze. ‘We hebben seizoenen waarin we bloeien, en seizoenen waarin de bladeren van ons af vallen en onze kale botten blootleggen.’

Waarom vrezen we de winter? Planten en dieren zijn er niet bang voor, vechten er niet tegen, schamen zich er niet voor, proberen niet krampachtig dezelfde levens te leiden als ze in de zomer deden. Ik moet denken aan de vaste planten in mijn tuin. Als de stress van de kou hen teveel dreigt te worden, laten ze hun bloei en bladeren los en trekken ze zichzelf terug in de aarde. Ze werpen zich terug op hun wortels; tot dat deel van hen dat hun anker is, en de basis van al hun groei.

Zouden mensen kunnen leren om zoiets te doen? In plaats van je te verzetten tegen je verdriet, steeds maar weer een vrolijk masker op te zetten, kun je je ook terugtrekken en de winter toelaten. ‘De actieve acceptatie van droefenis’, noemt May het; een periode waarin we onszelf toestaan om onze ware behoeftes te voelen, om pijnlijk eerlijk te zijn tegen onszelf. Ongelukkig zijn is leerzaam; het vertelt je dat er iets verkeerd gaat, en als we het verdriet daarover kunnen toestaan, ontdekken we misschien belangrijke aanwijzingen over hoe we kunnen veranderen.

‘Dit is een kruispunt dat we allemaal kennen’, schrijft ze, ‘een moment waarin je je huid moet afwerpen. Als je dat doet, dan zul je al die pijnlijke zenuwuiteinden blootleggen, en je zo rauw voelen dat je een tijdje voor jezelf moet zorgen. Maar als je het niet doet, zal je oude huid om je heen verharden.’

Ik wil niet verharden. En ik wil me niet langer schamen voor mijn winter. Mijn verdriet voelt minder zwaar als ik het omarm dan wanneer ik het, dapper neplachend, tegen de klippen op achter me aan sleep. Bovendien is er wijsheid te vinden in de winter, en genezing. Laat mij maar even alleen mijn wortels zijn, dan kom ik later wel weer bloeien.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

“Toch ergens ook wel lekker, zo’n lockdown”, zegt een vriendin die even iets komt ophalen. “We waren als gezin zo gewend om altijd maar op stap te gaan, even in de auto naar hier of daar. Nu zijn we gewoon thuis en dat blijkt ook heel gezellig.”

Ik hoor dat vaker: mensen die tijdens de ‘blijf zoveel mogelijk thuis’-periode iets vonden wat ze kwijt waren. Rust. Huiselijkheid. Elkaar. Sommigen hemelen het zelfs op tot een ‘terugkeer naar de essentie’ of naar ‘wat er werkelijk toe doet’. Dat lijkt me dan weer een tikkie overdreven, gezien ook de graagte waarmee we er in mei na de allereerste versoepeling massaal op uittrokken om stad, strand en bouwmarkt te bezoeken. Maar toch is het interessant: hoe een lockdown tegelijkertijd pijnlijk en prettig is, kan jeuken en goed kan doen. Er steekt ook een innerlijke strijd achter, tussen aan de ene kant de drang om nieuwe dingen mee te maken en de angst om iets te missen, en aan de andere kant een behoefte aan kalmte en voorspelbaarheid.

Het is een kwestie waar ik zelf al langer mee worstel. Het is in onze cultuur bijna een maatschappelijke opdracht om sociaal en ondernemend te zijn, om te houden van reizen, feesten, festivals. Het is zelfs, in zekere zin, hoe we ‘écht leven’ hebben gedefinieerd: als een doorlopend avontuur. Een boodschap die in onze kapitalistische samenleving bovendien voortdurend aan ons verkocht wordt, samen met de drankjes of kleding die zo’n bestaan mogelijk moeten maken. ‘Live life to the max.’ ‘Just do it.’

Bij mij heeft het nooit gepast. Het zal misschien mijn autistische inborst zijn, maar ik herinner me nog levendig hoe bevrijd ik me voelde toen ik als 21-jarige voor het eerst durfde toe te geven dat ik, hoe uncool het ook is, niet echt van feestjes houd. Dat ik wel nieuwsgierig maar niet avontuurlijk ben. En dat ik eigenlijk ook niet graag reis. Ik hoef niet zo nodig ‘to the max’; ik ga liever breien, nadenken, rommelen met plantjes. Ik ben graag alleen.

De autistische schrijfster Katherine May vertelt in haar boek The electricity of every living thing over hoe ze reageert op te indringend sociaal contact, op overgestimuleerd zijn: het ‘zorgt voor een stoot adrenaline die foutief aangezien wordt voor plezier.’ Zo is het precies, dacht ik toen ik dat las. En sinds de lockdown denk ik: misschien niet alleen voor haar en mij.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.