dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Eigenlijk had het voorpaginanieuws moeten zijn. Twee Britse wetenschappers van de University of York kwamen onlangs met een publicatie waarin ze een van de laatste bolwerken der evolutiepsychologie vakkundig deden imploderen. Het betrof een onderzoek naar partnervoorkeur. Al sinds het eind van de jaren tachtig is de psychologengemeenschap ervan overtuigd dat mannen al sinds de prehistorie een mooie, jonge vrouw verkiezen (waarmee het goed kindertjes maken is), terwijl vrouwen van oerher een rijke man met veel status prefereren (die ze adequaat zal beschermen tegen onheil assorti).

Dat dachten evolutiepsychologen niet zomaar. In 1989 had de Texaanse hoogleraar David Buss de taak op zich genomen om in maar liefst 31 landen mensen te vragen naar hun partnervoorkeuren, met bovengenoemde conclusies als uitkomst. In 2004 verschenen de eerste scheurtjes in Buss’ crossculturele rondgang, toen onderzoekers Rosalind Barnett en Caryl Rivers in hun boek ‘Bij gelijke geschiktheid’ onthulden dat de studie qua aanpak niet helemaal deugde. Zo had Buss veel meer westerse dan niet-westerse mensen ondervraagd, maar bij het berekenen van de gemiddelde partnervoorkeur niet gecompenseerd voor deze scheve verhouding. Dat deed bij Barnett en Rivers het vermoeden rijzen dat hij eerder een seksestereotype had ‘ontdekt’ dan een gedragspatroon dat al sinds het eerste verrijzen van homo sapiens in de mens ingebakken zat.

De publicatie uit York beaamt dit vermoeden: cultuur blijkt op liefjesgebied inderdaad veel belangrijker dan eventuele evolutionaire bagage. Dat zagen de onderzoekers toen ze de partnervoorkeuren die Buss had gevonden nogmaals op de statistische pijnbank legden, waarbij ze keken of er een verband was tussen die voorkeuren en de mate van vrouwenemancipatie in een land. Het idee: naarmate de seksen gelijkwaardiger worden, zullen ook de wensen die mensen hebben voor een toekomstig lief minder uiteen lopen.

Dat bleek te kloppen. In landen met een lage emancipatiegraad (Indonesië bijvoorbeeld) zagen de Britse wetenschappers een voorkeur voor rijke mannen en jonge vrouwen, terwijl in landen met een hoge emancipatiegraad (zoals Finland) de vrouwen mannelijk schoon hoger aansloegen en mannen juist intelligentie en status in een geliefde meer gingen waarderen. Conclusie: naarmate mannen en vrouwen in een samenleving meer gelijk worden, gaan ze hetzelfde willen. En trouwens ook hetzelfde kunnen: vier jaar geleden bleek bijvoorbeeld al dat de wiskundekloof tussen jongens en meisjes in landen met een hoge emancipatiegraad is verdwenen.

Deze doorslaggevende invloed van emancipatie en gelijkheid draagt bij aan het langzame maar zekere faillissement van de evolutiepsychologie. Modern gedrag blijkt niet onherroepelijk voort te komen uit prehistorische gedragspatronen die mettertijd een aangeboren onderdeel zijn geworden van het menselijk brein. Eerder lijkt het erop de mens geëvolueerd is om in te spelen op de kansen en mogelijkheden die hem in zijn omgeving en in de maatschappij worden geboden. Een gedachte die ook buiten het man-vrouwvraagstuk implicaties heeft voor de maakbaarheid en de flexibiliteit van het menselijk handelen. Een optimistisch idee, waarvan ik vind dat het meer aandacht verdient. Bij deze.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Achttien jaar was ik, toen ik vanuit mijn studentenkamer snikkend mijn moeder belde omdat ik niet ongesteld was geworden. Ze kwam meteen en reed me in haar autootje naar het ouderlijk huis. De onderweg aangeschafte zwangerschapstest bood duidelijkheid: ik was niet in verwachting. Een opluchting, want ik was jong, student, en mijn toenmalige relatie rammelde aan alle kanten. Wat had ik in hemelsnaam gemoeten als ik wel zwanger was geweest? Een abortus was voor mij geen optie; ik kom me niet voorstellen dat ik een pril levensbegin uit mijn eigen schoot zou laten verwijderen.

Hoe anders was mijn leven tien jaar later: een fantastische man, twee prachtige dochters, een journalistieke carrière. Toch voelde ik me weer precies zoals die dag in mijn studentenkamer. Met onvaste stem vertelde ik mijn lief dat ik ondanks mijn trouwe Pilslikkerij vijf dagen over tijd was. M’n jongste was op dat moment een paar maanden oud. Elke nacht was een gebroken nacht. De pijn van de spoedkeizersnede, de bekkeninstabiliteit tijdens de zwangerschap en de angst die ik voelde toen we met spoed naar het ziekenhuis reden omdat ik in de achtste maand de kleine niet meer voelde bewegen, lagen nog vers in mijn geheugen. En terwijl ik met mijn man sprak, wist ik: als ik zwanger ben, ga ik ervoor zorgen dat dit kind niet geboren wordt. Ons gezin voelt af. De gedachte aan een nieuwe bewoning van mijn baarmoeder vervulde me met weerzin. Ik ben te moe, te rauw en te klaar.

De Republikeinse politici die vorige week in het nieuws kwamen vanwege hun abortusstandpunten hebben overduidelijk geen idee hoe dit voelt. Senaatskandidaat Todd Akin viel vooral op door zijn malle standpunt dat vrouwen van verkrachting niet zwanger kunnen worden, en dat verkrachting dus geen legitieme grond is voor abortus. En ook vice-presidentskandidaat Paul Ryan heeft een bijzonder vrouwonvriendelijk abortusverleden, schreef het Amerikaanse tijdschrift Mother Jones. Zo stemde hij als afgevaardigde voor elk wetsvoorstel dat het recht op abortus zou inperken – zelfs als het leven van de moeder in gevaar is.

Ook in Nederland zijn er partijen die vrouwen graag het recht op abortus zouden ontzeggen. Elke keer dat ik mannelijke politici daarover hoor praten, denk ik aan de dagen dat ik dacht dat ik die keuze moest gaan maken. Beide keren wist ik tot in het diepst van mijn botten wat er moest gebeuren; een oerlijfelijk weten dat zo verstrengeld was met mijn lichamelijke soevereiniteit, dat elke andere optie uitgesloten was.

Mannen kunnen niet – nooit – weten hoe het voelt om te moeten beslissen of je tegen je zin in een levend wezen in je eigen diepste binnenste gaat laten groeien. Een ongewenste zwangerschap is geen rit die je even uitzit. Alleen al daarom zouden de heren politici zich verre moeten houden van anti-abortusuitspraken. Die beslissing komt alleen de vrouw toe die de klus moet klaren. Vrouwen zijn geen slaven: niemand mag hun lichamen dwingen te baren. Een zwangerschap kan en mag geen verplichting tot moederschap scheppen. Caitlin Moran verwoordde in haar boek How to be a woman prachtig waarom: “Ik kan het niet eens zijn met een samenleving die me zou verplichten om te gokken hoe goed ik kan liefhebben als ik daartoe gedwongen word.”

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Zelfs als we weten waarom we struikelen, vinden we nog steeds een manier om te vallen.’ Deze prachtige zin is een citaat van Jonah Lehrer, voormalig journalistiek superster en bestsellerauteur, die als specialist in psychologie en hersenwetenschappen schreef voor de meest prestigieuze tijdschriften en kranten ter wereld. De afgelopen weken is hij met duizelingwekkende vaart van zijn voetstuk gevallen.

Het begon in juni, toen aan het licht kwam dat hij sinds zijn aanstelling bij het tijdschrift The New Yorker steeds hele alinea’s overschreef uit zijn eigen oude artikelen. Zelfplagiaat is tot daar aan toe, maar vervolgens onthulde journalist Michael Moynihan dat Lehrer in zijn meest recente boek ‘Imagine’ een aantal citaten van Bob Dylan uit zijn duim had gezogen. Hiermee geconfronteerd jokte Lehrer dat hij via Dylans manager toegang had gekregen tot een speciaal archief, waaruit de anekdotes en citaten kwamen. Moynihan groef verder, ontdekte dat dit niet waar was, waarop Lehrer zijn bedrog toegaf: “Ik raakte in paniek. Het spijt me heel erg dat ik heb gelogen.”

Onthulling op onthulling
En er was meer. Lehrers laatste twee boeken bleken vol neurowetenschappelijke fouten te staan. In meerdere artikelen had hij zelfverzonnen informatie toegevoegd aan bestaande anekdotes zodat ze beter in zijn verhaal pasten. Onthulling volgde op onthulling. Lehrer nam ontslag bij The New Yorker, zijn Amerikaanse uitgever haalde ‘Imagine’ uit de schappen. In Nederland besloot men het boek niet meer bij te drukken.

Maar veel interessanter dan de individuele boevigheid van Lehrer is hoe dit kon gebeuren. Er werd geopperd dat de faam die Lehrer ten deel viel als sterschrijver hem te veel was geworden. Om aan de verwachtingen te voldoen, zou hij begonnen zijn de journalistieke kantjes eraf te lopen en feiten te verzinnen om nog mooiere verhalen te kunnen vertellen. Ik zie gelijkenissen met de zaak-Diederik Stapel: alweer een hoogvlieger die onder de hoge druk bezwijkt en feiten inruilt voor beeldschone conclusies.

Ted-cultuur
Journalist Felix Salmon brengt Lehrers werkwijze in verband met wat hij de ‘Ted-cultuur’ noemt. In de beroemde Ted-talks geven schrijvers, wetenschappers en zakenlieden onder de slogan ‘ideas worth spreading’ vakkundig gelikte lezingen vol fraaie anekdotes over hun Ene Grote Idee. Elke lezing weer vallen alle puzzelstukjes op hun plek en oogt de wereld even heel wonderbaarlijk. De immense populariteit van Ted – de toplezing is online meer dan 11 miljoen keer bekeken – geeft aan hoeveel mensen behoefte hebben aan zo’n aangeharkt universum. Blijkbaar zitten slechts weinigen te wachten op het cognitieve ongemak van de realiteit, met haar rommeligheden en tegenstrijdige feiten. Dus worden de Ted-sprekers, en tot hun ontmaskering ook de Lehrers en Stapels van deze wereld, als helden onthaald.

De prijs is, aldus politicoloog Evgeny Morozov, dat de ‘ideas worth spreading’ verworden tot ‘ideeën die geen voetnoot nog kan ondersteunen’. Als de verleiding groot genoeg is, maken de bejubelde sprookjesvertellers in de Ted-cultuur de werkelijkheid ondergeschikt aan hun prachtige verhalen en grootse ideeën.

Met zijn kennis van de psychologie moet Lehrer geweten hebben hoeveel mensen op dit punt struikelen. Maar dat weerhield hem er niet van te vallen.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

“Met deze bezuiniging kunnen ze me net zo goed de zelfmoordpil van Drion geven.” Dat was de reactie van Pompe-patiënt Monique Pijnacker Hordijk op het uitgelekte conceptvoorstel van het College voor Zorgverzekeringen om het peperdure medicijn tegen haar vorm van de ziekte niet meer te vergoeden. Patiënten met de ziekte van Fabry idem dito.

De discussie die vervolgens losbarstte heb ik vanaf de zijlijn gevolgd, vol twijfels over de  dilemma’s die prijskaartjes aan mensenlevens altijd oproepen. “Zorgen voor zieken en kwetsbaren is een teken van beschaving”, zei een vriend, waar ik van harte mee instemde. “Alles van waarde is weerloos”, citeerde medisch journalist Aliëtte Jonkers de dichter Lucebert op haar blog op artsennet.nl. Ze stelde voor eerst eens te kijken waarom die medicijnen voor Pompe en Fabry zo duur zijn: in 2010 kostte het 55 miljoen terwijl er maar enkele honderden patiënten zijn. Helemaal mee eens.

Maar ik ben het ook eens met mensen die wel iets zien in het niet meer vergoeden van Pompe- en Fabry-medicijnen. Wetenschapsjournalist Elmar Veerman redeneerde op twitter bijvoorbeeld: het kost 15 miljoen om een volwassen Pompe-patiënt omgerekend één kwalitatief goed levensjaar te geven. Als we daar de grens niet trekken, waar dan wel? Kan dat geld elders niet meer goeds doen? “We laten namelijk heel veel mensen wel creperen.”

Inderdaad: wie 55 miljoen heeft, heeft de verantwoordelijkheid om die zo efficiënt mogelijk in te zetten. Aan de andere kant: die 55 miljoen is er niet zomaar, die moet iemand eerst afpakken van kwetsbare patiënten die kunnen sterven als gevolg van die beslissing.

Dit doet me denken aan een klassiek dilemma, populair onder psychologen die moreel gedrag bestuderen. Een op hol geslagen trein dendert op een perron met vijf mensen af, die zeker zullen doodgaan als niemand ingrijpt. Jij hebt een knop, waarmee je een wissel kunt omgooien. De mensen zijn gered, de trein rijdt verder op een ander spoor. Nadeel: daar staat een man, die zal sterven als gevolg van de wissel. De meeste mensen kiezen ervoor om de knop toch in te drukken, want: één dode is beter dan vijf.

Dat ligt anders wanneer je geen knop voor je hebt, maar naast de man op de spoorbrug staat. Wederom is het leven van vijf mensen in gevaar, tenzij jij hem over de reling kiepert, zodat zijn levenloze lichaam de trein doet ontsporen. Hiertoe is bijna niemand bereid. Onze emotionele weerzin tegen het eigenhandig om hals helpen van een voorbijganger wint het van de rationele rekensom over buiten je blikveld gewonnen en verloren levens.

Het leidt geen twijfel dat buiten ons blikveld vele duizenden mensen leven en sterven door politieke keuzes. Als een kabinet bezuinigt op ontwikkelingshulp zal dat levens kosten doordat voedsel, schoon drinkwater en goede gezondheidszorg schaarser worden. Deze beslissing kan alleen genomen worden omdat hij moreel gezien vergelijkbaar is met de wisselknop indrukken: je hoeft niemand in de ogen te kijken. Mensen met Pompe of Fabry moeten echter eigenhandig voor de morele trein worden gegooid. Hun vergoeding stopzetten is zeker de meest rationele optie. Het lijkt er echter niet op dat politici daar emotioneel toe bereid zijn. Dat stelt me gerust. Maar of het ook juist is, weet ik niet.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Zesenhalf miljoen Nederlanders zijn te zwaar, becijferde het Centraal Bureau voor de Statistiek deze week. Wetenschappers Remco Haversmans en Wilma Waterlander zoeken de oorzaak in de supermarkt. Ongezond eten is veel goedkoper dan gezonde kost. Willen we iets doen aan overgewicht, dan moet dat anders. Maar welk prijsbeleid werkt beter, de snacktaks of de fruitkorting?

Een korting op groente en fruit is het beste, daar is gezondheidswetenschapper Wilma Waterlander van overtuigd. Ze promoveerde vorige maand aan de Vrije Universiteit op deze kwestie. “Ik heb zelf meerdere experimenten uitgevoerd, en we vonden consequent dat korting hielp, en taks geen effect had.” Die experimenten deed ze met behulp van een computerprogramma waar op tamelijk realistische wijze mensen door een virtuele supermarkt kunnen lopen. Tijdens het lopen kunnen ze, net als in het echt, spullen in hun karretje gooien. De opdracht is om inkopen te doen zoals ze dat normaal ook zouden doen; een opdracht waar proefpersonen zich doorgaans goed aan houden.

In die supermarkt varieerde Waterlander, zonder dat haar proefpersonen het wisten, de prijzen: soms kreeg het ongezonde eten een dikke taks, soms een kleintje. Soms was er korting op gezonde voeding, soms niet. Zo kon ze bekijken welke prijsmaatregel het beste werkte.

Een korting zorgde ervoor dat mensen meer groente en fruit gingen kopen: bijna een kilogram per week per gezin meer. Vergelijkbare resultaten vond Waterlander in de echte supermarkt. “Mensen kregen bonnen, waarmee ze bij de Plus of C1000 een half jaar lang korting kregen op groente en fruit. Aan de kassabonnetjes die bij ons werden ingeleverd konden we zien dat ze ook echt gezonder inkopen gingen doen. En aan het eind van de studie voldeed 62 procent aan de norm van twee stuks fruit en twee ons groente per dag. Dat was voor het experiment maar 40 procent.”

Dat klinkt allemaal zeer fraai, maar Remco Havermans, psycholoog aan de Universiteit Maastricht, is sceptisch. “Wij hebben ook een aantal virtuele supermarktexperimenten gedaan waarin we een korting op eten met weinig calorieën per honderd gram – vooral groente, fruit, maar bijvoorbeeld ook kabeljauw, sambal en waterijs – vergeleken met een taks op eten met een hoge caloriedichtheid, zoals chocola en chips. Daarin vonden we dat een korting juist averechts werkt. Mensen die korting krijgen kopen inderdaad obligaat hun twee ons groente en twee stuks fruit. Vervolgens houden ze op hun budget geld over. En daarvan kopen ze dan weer extra snoep.” Havermans benadrukt dat hij niet de enige is die dit resultaat vindt. “Onderzoekers van de State University New York in Buffalo komen tot dezelfde conclusie. En Waterlander vindt in haar studies het effect zelf trouwens ook.”

Dat klopt, blijkt uit Waterlanders publicaties. In een experiment waarin de virtuele supermarkt korting gaf op alle gezondere producten, laadden de mensen met de hoogste kortingen ook de meeste calorieën in hun mandje. “Daarom is het ook belangrijk om alleen korting te geven op groente en fruit, en niet óók nog op gezond eten als vis of volkorenbrood, zoals wij in het eerste experiment deden, en zoals Havermans doet”, verklaart Waterlander. Een vervolgexperiment bevestigde dat idee. “Zo heb je wel de prijsprikkel, maar niet genoeg geld over voor snoep. Wel korting geven dus, maar niet teveel.” De publicatie van dat vervolgexperiment laat inderdaad zien dat de strikte groente- en fruitkorting er niet voor zorgt dat mensen in totaal meer calorieën gaan kopen. In plaats daarvan kopen ze er evenveel.

Om die reden is Havermans maar matig enthousiast. “Het is natuurlijk heel mooi dat mensen met een korting meer groente en fruit kopen, maar het gaat mij om het bestrijden van overgewicht. Waterlander is misschien tevreden als mensen gezonder eten, maar je wordt niet dunner van meer groente en fruit. Ik ben pas tevreden als mensen ook echt minder calorieën kopen en eten.”

En dat krijgt hij in zijn experimenten wel voor elkaar met een snacktaks. “In een Amerikaanse kantine waar we op een lunch met veel calorieën 25 of 50 procent taks hadden geheven, kozen de aanwezigen beduidend vaker voor een gerecht met minder calorieën. En ook in de virtuele supermarkt vonden we dat effect.” In hetzelfde experiment ontdekte Havermans dat het vooral impulsieve mensen zijn die gevoelig zijn voor zo’n prijsprikkel: was er een korting op gezond eten dan kochten ze 1000 kilocalorieën meer, maar bij een taks kochten ze 500 kilocalorieën minder. Niet onbelangrijk, want dikke mensen zijn gemiddeld impulsiever dan dunne. En we weten dat mensen die minder calorieën kopen, er thuis ook minder eten, beamen Havermans en Waterlander allebei.

Van een fruitkorting ga je dus gezonder eten maar niet minder, en van een snacktaks wel minder maar niet gezonder. Een combinatie zou natuurlijk helemaal mooi zijn: in totaal minder eten, maar ook met een groter aandeel voor groente en fruit. Helaas werkt het niet zo, zegt Havermans. “Uit onze experimenten blijkt jammergenoeg dat de effecten van een korting en een taks elkaar opheffen.”

Waterlander heeft daarbij praktische bezwaren tegen een taks. “Is een belasting van 25 of 50 procent wel realistisch? Ik denk het niet. Een taks is moeilijker in te voeren dan een korting, omdat de voedingsindustrie in dat geval inkomsten gaat mislopen. Mensen gaan immers minder kopen. Een fruitkorting kost ook geld, maar dat verdienen ze deels terug doordat ze meer gaan verkopen. Bovendien wordt de prijs van groente en fruit nu kunstmatig hoog gehouden door supermarkten, omdat ze op die manier compenseren voor het feit dat producten als koffie, bier en wasmiddel onder de inkoopprijs aanbieden. Als de overheid daarop ingrijpt, kan groente en fruit goedkoper.”

Ook Havermans ziet een rol voor de overheid. “Met prijsbeleid laat je als overheid zien dat je het overgewichtprobleem serieus neemt.” De praktische bezwaren van een taks ziet hij ook wel. “Natuurlijk, een extra belasting is een ingrijpende en onpopulaire maatregel, maar overgewicht is dan ook een groot probleem. En we moeten niet vergeten dat het ook een eerlijke maatregel is, want alleen de snacker betaalt.”

Als een complete snacktaks een te grote stap is, ziet Havermans er wel iets in om alleen te beginnen met een frisdranktaks. “Veel van mij collega-wetenschappers pleiten daarvoor, onder andere omdat je lichaam calorieën die je drinkt in plaats van eet nauwelijks registreert. Een glas cola telt niet zwaarder dan een glas water, terwijl er wel heel veel suiker in zit.” Van zulke sluipcalorieën kun je gemakkelijk ongemerkt aankomen.

Maar zowel Havermans als Waterlander vindt dat onze eetomgeving nog veel grondiger moet worden hervormd dan alleen met een taks of korting. Waterlander pleit bijvoorbeeld voor het afschaffen van landbouwsubsidies op dikmakers als maissiroop en suiker. Deze subsidies zijn een belangrijke reden dat ongezonde voeding zo goedkoop is. “Via die subsidies geef je in feite korting op ongezond eten, terwijl we dus eigenlijk korting zouden moeten geven op groente en fruit.”

Havermans ziet meer in het plaatsen van duidelijke labels op producten in de supermarkt. Daarmee bedoelt hij nadrukkelijk níet de calorie-informatie die er nu op eten staat. “Die werkt zelfs averechts. Uit een van onze studies bleek dat het aangeven van het aantal calorieën het gunstige effect van een taks teniet doet.”

Als voorbeeld van een label dat wel zou kunnen werken noemt Havermans het stoplichtsysteem, waarbij ongezond eten een rode sticker krijgt, gezond eten een groene en het eten daartussenin een gele. “Daar wil ik nu onderzoek naar doen, of dat werkt, en wat dat doet in combinatie met een taks of een korting.”

Wilma Waterlander deelt zijn optimisme. Na haar promotie zet ze haar onderzoek voort in Nieuw-Zeeland, aan de Universiteit van Auckland, waar ook zij gaat kijken of prijsbeleid nog effectiever kan met behulp van onder meer dezelfde stoplichtlabels. “Het voordeel van zulke labels is dat je een taks of korting heel zichtbaar maakt. In onze experimenten werd de proefpersonen niet verteld dat er prijsverhogingen of – verlagingen waren. Maar in het echt is dat natuurlijk bekend. En dat kan verschil maken: het idee van een taks of korting is misschien nog wel belangrijker dan de taks of korting zelf.”

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Heb je al homeopathie geprobeerd?”, vraagt de crècheleidster. Mijn jongste dochter heeft last van zonnebultjes, en blijkbaar zijn daar druppels tegen. “Heeft mijn zoontje ook gebruikt, en sindsdien heeft ie nooit meer ergens last van gehad”. Ze is niet de enige. Bij onze apotheek adviseren ze zonder blikken of blozen kinderhoestsiroop van VSM.

De kraamhulp vertelde dat hele volksstammen baby’s al waren opgeknapt van Cinababy, een homeopathisch kalmeringsmiddel voor pasgeboren darmpjes. Bij wijze van toegift liet ze ook nog het visitekaartje van een bevriende osteopaat achter. Vroeger probeerde ik nog wel eens uit te leggen dat je van homeopathische middeltjes onmogelijk beter kunt worden, omdat de oplossing in zo’n flesje zodanig is verdund dat er geen molecuul werkzame stof te vinden is. Daarmee is een homeopathisch middeltje even geneeskrachtig als kraanwater.

Vandaar dat minister Schippers heeft besloten dat fabrikanten vanaf 1 juli niet langer mogen zeggen dat hun homeopathische oplossingen of pilletjes een geneesmiddel zijn tegen kwaal A of B. Pas als er wetenschappelijk bewijs op tafel komt, mogen zulke claims terug op de verpakking. Ik geef op een briefje dat dit niet gaat gebeuren. Zoals Ben Goldacre beschrijft in zijn fantastische boek ‘Bad science’: er zijn honderden studies verricht zijn homeopathie, en alleen degenen die niet deugden concludeerden dat wonderwatertjes beter werkten dan een placebo.

Toch schijnt maar liefst driekwart van de Nederlanders het spul in huis te hebben, in de stellige overtuiging dat het werkt, omdat je dat ooit aan den lijve ervaren hebt. Die ervaring kan kloppen, maar alleen omdat homeopathie bij uitstek inspeelt op het menselijke vermogen tot magisch denken. Zo is daar het placebo-effect: je neemt een medicijn, verwacht stellig dat je geneest, en dus voel je je ook beter. Homeopathie maakt ook handig gebruik van de psychologische denkfout post hoc ergo propter hoc: erna, dus erdoor. Je gaat naar de drogist voor een buisje oscillococcinum op het moment dat je je het allerberoerdst voelt. Dat je opknapt, schrijf je toe aan de homeopathische anti-griepkorrels. Maar in feite komt het doordat je sowieso langzaam beter wordt.

In meer zweefkrachtige kringen is heel wat afgemopperd op de maatregel van Schippers. De ‘intelligente optimisten’ van het tijdschrift Ode vinden: als zoveel mensen geholpen zijn met homeopathie moeten ze voor zo’n middel kunnen kiezen.

Hebben mensen bij ziekte recht op een beetje tovenarij, als ze zich daardoor beter voelen? Misschien. Als moeder tover ik heel wat af met anti-pijnpleisters en bodylotion die figureert als magische ‘anti-koortszalf’. Het verschil tussen mijn huis-, tuin- en keukenkwakzalverij en fabrikanten van homeopathische middelen is dat ik geen miljoenen verdien met het voorliegen van mensen over de werkzaamheid van mijn producten. Daarmee overschrijden VSM en kornuiten de grens tussen gezonde tovenarij en oplichting. En het is heel goed dat daar nu een einde aan komt.

 

Na het verschijnen van deze column kreeg ik zeer veel reacties. Daarom schreef ik de week daarna (16 juli 2012, Trouw) een vervolgcolumn: ‘Water heeft echt geen geheugen’

Mijn column over homeopathie van vorige week heeft heel wat losgemaakt. Honderden mensen namen de moeite om te reageren. Lezers vertelden hoe zij zelf of hun hond/huilbaby/autistische zoon/doodzieke schoondochter baat hadden gehad bij een homeopathisch middel. Voor hen een bewijs dat er meer is dan de wetenschap kan aantonen. Een zekere kracht van lichaam en geest die, mits geactiveerd door de bijzondere werking van de producten van VSM of A.Vogel, kan genezen waar de reguliere pillenfabriek het laat afweten.

Ik twijfel er niet aan dat deze ervaringen echt zijn. Toen ik schreefdat ze grotendeels te wijten zijn aan het placebo-effect, bedoelde ik dat niet afwijzend. Het placebo-effect is in al zijn wetenschappelijke glorie een fenomeen, dat me met ontzag vervult. In geneesmiddelenstudies blijkt tot driekwart van de mensen baat te hebben bij een placebopil. Patiënten die al jaren rondliepen met pijnlijke artritisknieën genazen na een operatie waarbij slechts drie sneetjes in de knie werden gemaakt, waarna de boel zonder verdere procedure werd gehecht. Fantastisch.

Artsen praten er al jaren over of het placebo-effect geen onderdeel zou moeten zijn van reguliere behandeling. Wat hen tegenhoudt, is dat ze geen verhaaltjes willen vertellen aan hun patiënten. In de homeopathie heeft men daarmee minder moeite. Huib van den Doel claimt in zijn stuk in Trouw bijvoorbeeld dat een homeopathisch watertje door ritmisch schudden een soort negatiefafdruk van de werkzame stof gaat bevatten, waardoor dat water zelf geneeskrachtig wordt. Het water onthoudt dus wat er ooit in heeft gezeten, en ontleent daar zijn werking aan.

Ik vroeg aan natuurkundige Yves Rezus van het onderzoeksinstituut AMOLF, waar onderzoek wordt gedaan naar dit geheugen van water, of dit kan. Een watermolecuul, zo legde hij uit, houdt zich graag vast aan zijn vier naaste buren. Zo ontstaat een structuur. Wanneer je iets oplost in water, verandert die structuur op de plek waar het opgeloste zich bevindt. De vraag: kan het water die structuur onthouden?

Ja, dat kan. Helaas voor de homeopathie is water echter zeer kort van memorie: na een miljoenste van een miljoenste seconde hebben alle moleculen elkaar weer losgelaten en is de structuur helemaal anders. Bovendien vertelt Rezus dat het onmogelijk is om met schudden de eigenschappen van de watermoleculen zelf te veranderen. Die negatiefafdruk kán niet bestaan.

Ik schrijf dit niet om de homeopathie een schop na te geven, maar uit liefde voor wetenschap. Toen ik na mijn gesprek met Rezus wat water inschonk, stond ik vol verwondering stil bij wat daarin gebeurt. Miljarden keren per seconde voeren de moleculen een soort dans uit, waarbij ze elkaar vastgrijpen, draaien en weer loslaten. Een prachtig proces, dat wat mij betreft een veel grotere schoonheid heeft dan het homeopathisch ritueel, net zoals het placebo-effect veel wonderbaarlijker is dan een magisch middeltje. Het is niet mijn bedoeling om mensen iets af te nemen, maar om iets toe te voegen: dat de werkelijkheid vaak zoveel mooier is dan de fabel.

 

 

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.