dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Vanochtend verblijdde de Volkskrant (katern Economie) mij met een stuk waarin mannelijke topbestuurders advies geven aan vrouwen: wat moeten zij doen of laten voor een plek in het old boys network? Dat was voor mij een tijdje geleden – vier jaar geleden ruilde ik mijn abonnement op de krant van links Nederland onverwijld in voor eentje op het NRC Handelsblad. Aanleiding was een column die ik, gelegen in bed in het appartement dat ik deelde met twee andere communicatiestudenten, op een zaterdagochtend las in de Volkskrant Magazine. Het ging over een bepaald type vrouw, dat ongeveer zo werd omschreven: u kent haar wel, ze heeft communicatiewetenschappen gestudeerd, leest graag de VK Magazine in bed op zaterdagochtend nadat ze lekker heeft gevreeen met haar man en wil graag een tatoeage van een vlinder of een dolfijn. Ik ben onmiddellijk uit bed gesprongen, heb de schetsen voor een vlindertattoo in de prullebak gesodemieterd en mijn abonnement opgezegd. Dit was allemaal veel te confronterend. Voortaan geen zaterdagochtendseks meer voor mij.

Maar sinds januari ben ik min of meer genoodzaakt om toch elke zaterdag een Volkskrant aan te schaffen, en wel hierom. Het Jaar Onze Heer 2010 werd afgetrapt met de eerste aflevering van de gammacanon – je weet wel, het resultaat van alweer een commissie met een lijstjesfetisj. Maar ondanks mijn persoonlijk afkeer van canons besloot ik toch dat dit lijstje een plek verdiende op mijn pagina over hersenen en gedrag op Kennislink. Dat bracht zo zijn eigen uitdaging met zich mee, aangezien de ‘kennis over de gammawetenschappen die elke Nederlander sowieso paraat zou moeten hebben’ slechts verkrijgbaar is tegen betaling van elke zaterdag weer 2 euro en 70 centen, of later, aan het eind, in boekvorm voor enkele tientjes. In het belang van actualiteit besloot ik tot de bijna-drie-euro-optie, en aangezien het zonde is om dan de rest van de krant ongelezen weg te gooien, bevond ik mezelf vanochtend in de situatie dat ik het hoofdartikel van VK Economie tot mij nam.

Aan het woord was Carlijne Vos, een journalist die eerder werkte voor de Telegraaf (en daar bedoel ik verder niks mee). Zij interviewde Job Cohen, Gerrit Zalm en de mij voorheen onbekende topmannen Marc Blom en Feike Sijbesma. De conclusie stond in het groot boven het stuk – klaarblijkelijk houdt links Nederland op zaterdag/zondagochtend niet van verrassingen – “Het old boys network staat open voor vrouwen, mits beide partijen zich in elkaars spelregels verdiepen”. De kop was een quote van Sijbesma: “Vrouwen moeten zichzelf blijven.” Dat was ook de teneur van het stuk – het laatste waar volgens de topmannen behoefte aan was, waren manwijven die zich als kerel gedroegen om zo hun plek bovenin te bevechten. In plaats daarvoor hadden we meer aan echte diversiteit.

Maar…

“Er zijn wel dingen die ze anders kunnen doen.” (Blom).
“Blijf jezelf, maar wees je bewust van je omgeving en hoe die tegen je aankijkt.” (Sijbesma)
“Vrouwen hebben de neiging in het openbaar te benoemen waar ze niet goed in zijn. … Doe dat thuis aan de keukentafel of met je vriendinnnen.” (Cohen)
“Toen ik vrouwen benaderde voor een ministerpost weigerden ze vaker. Om uiteenlopende redenen. De een omdat ze vond dat ze onvoldoende bestuurlijke vaardigheden had, de ander omdat ze met haar man mee wilde naar het buitenland. Dat was echt frappant. Een man zou zoiets nooit doen. Die is bereid zijn priveleven op te geven voor een ministerspost.” (Zalm)
“Vrouwen zijn soms te serieus. Loopt een klus op het werk niet goed af, dan slaan mannen elkaar op de schouders en lachen het weg. Een vrouw is eerder geneigd lessen te trekken uit zo’n slechte ervaring. Op zich beter voor het bedrijf natuurlijk, maar gezellig is het niet als je net wilt ontspannen en een vrouwelijke collega komt aanzetten over leermomenten. Mannen vinden soms wel dat vrouwen de neiging hebben om hun hun ontspanning te misgunnen.” (Blom weer)

Overigens rekent het topmannenkwartet dit de vrouwen niet aan. Het is voor vrouwen immers moeilijk om zich staande te houden tussen al die mannen. Van haantjesgedrag aan mannelijke zijde is echter evenmin sprake: “Dat is een uitstervend ras,” zegt Zalm – en geen ras waar het kwartet zich in herkent. Nee, de reden zit hem hierin (Sijbesma aan het woord): “Natuurlijk zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen. Dat werd in de jaren zestig zowat ontkend, in een goedbedoelde poging gelijke rechten en kansen voor vrouwen af te dwingen. Gevolg is dat lange tijd gesuggereerd werd dat vrouwen zich als mannen moesten gedragen. Dat moeten ze wat mij betreft juist niet doen. Wees alsjeblieft jezelf.”

Mijn verwarring is nu compleet. Ik zet de feiten dus even rustig op een rijtje.
1. Vrouwen moeten zichzelf zijn.
2. Het gedrag dat vrouwen vertonen als ze zichzelf zijn, is echter – op zijn zachtst gezegd – voor verbetering vatbaar.
3. Die verbetering zit hem vooral in het feit dat ze zich meer als mannen zouden moeten gedragen.
4. Maar als vrouwen zich als man gedragen is dat onwenselijk, want
5. Vrouwen moeten zichzelf zijn (zie punt 1)

Dit lijkt meer op een eternal loop of horror gestoffeerd in een welwillend ogend rookgordijn dan op goedbedoeld advies over hoe je zonder Y-chromosoom toch het old boys network kunt betreden. Met exact dezelfde quotes had een andere journalist (ik bijvoorbeeld) dan ook een artikel van geheel andere strekking kunnen schrijven. Bijvoorbeeld met als titel: ‘Catch-22: een vrouwelijke vrouw is incompetent, een mannelijke vrouw ongewenst’. Daarboven had bijvoorbeeld gekund: ‘Vrouwen kunnen het maar moeilijk goed doen in de ogen van topmannen – old boys network blijft ontoegankelijk.’

Waarmee ik maar wil aantonen dat de keuzes die een journalist maakt (mijn messias Nick Davies zei het al) van doorslaggevend belang zijn voor een artikel. Geen journalist is ooit objectief – zelfs Carlijne Vos niet, waarvan ik me voorstel (maar dit is speculatie) dat ze zichzelf enige moeite heeft getroost om dit stuk met neutrale hoed op te schrijven, uit angst te verzanden in een feministisch zeikstuk (wat overigens gelukt is, daar niet van). Ook mogelijk: het kwartet topmannen wilde alleen met Vos praten als ze voor publicatie het artikel mochten controleren en zonodig afkeuren – een slechte Nederlandse gewoonte die in te veel gevallen leidt tot onaanvaardbare zelfcensuur of idiote aanpassingen.

Hoe dan ook, feit is wel dat vier topmannen zonder kritische noot te kans krijgen om vrouwen op neerbuigende wijze van advies te voorzien; de woorden “bestraffend toespreken” kwamen zelfs voorbij, als in: Cohen deed dat bij een vrouw die zich onvoldoende mannelijk gedroeg. De hernieuwde relatie tussen mij en de Volkskrant loopt dus na amper twee maanden al zijn eerste deukjes op om redenen van kritiekloosheid. Laten we hopen dat de VK zich herpakt. Carlijne Vos mag zich ondertussen middels een reactie op deze blogpost bij mij melden voor een gratis exemplaar van Nick Davies’ Flat Earth News.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

De laatste week van december is traditioneel voorbehouden aan de lijstjes. Op Kennislink hebben we tegenwoordig onze eigen: de beste wetenschap van 2009. Ik nomineerde zelf drie artikelen van eigen hand. De eerste ging over een team onderzoekers die een stel meisjesratten opvoedden als jongetjes – door ze met een kwastje over hun genitalieen te strijken, uit naam van de wetenschap – en zo genen in hun breintjes aan- en uitzetten (epigenetica) waardoor de bestreken meiden nu een mannenbrein hadden gekregen. De tweede ging over de Maastrichtse psychologen die 70% van de kinderen een UFO-ontvoering wisten aan te praten – iets minder vernieuwend dan numero 1, maar elegant uitgevoerd en met een streepje voor, want van eigen bodem. De derde nominatie was voor een recent experiment uit Nature, waarin wetenschappers aantoonden dat testosteron niet agressief maakt. Wat mij betreft een moderne klassieker.

En nu slaat de twijfel toe. Is dit nu de oogst van een jaar gedrag- en hersenwetenschap? Wat heb ik over het hoofd gezien? Waar ben ik door tijdgebrek niet aan toe gekomen? Wat heb ik laten liggen omdat het al uitgebreid in de krant had gestaan? Heb ik wel de goede keuzes gemaakt?

Zo schreef ik niet over de hersenwetenschappers die in een scanner het verschil tussen bewuste en onbewust aandacht zichtbaar maakten. Nog meer nieuws uit de hersenscanner dat ik aan mijn neus voorbij liet gaan: neurowetenschappers kunnen tegenwoordig gedachtenlezen. En Alzheimer wordt niet veroorzaakt door dikke plakken eiwit in het brein, maar door slechte vaten en algehele hersenmisere. Die had ik zelfs compleet gemist (tot vorige week dan – hebben de lijstjes toch zo hun nut).

Er komt een vraag bij mij op. Is het wel mogelijk om als journalist de juiste keuze te maken uit al die tonnen en tonnen publicaties? Ik lees zelf graag de alerts van allerlei vakbladen door, op zoek naar nieuws dat nog niemand anders heeft. Tijdrovend, maar een paar keer per jaar de moeite waard. Zo duikelde ik eind mei het onderzoek van Johan Karremans – ‘mooie vrouw maakt man minder slim’ – op uit de samenvattingen van the journal of experimental psychology, waarmee ik niet alleen twee weken voorlag op Nu.nl, de NOS en, nou ja, iedereen, maar zelfs de persdienst van zijn eigen Radboud Universiteit zo snel af was, dat ze mijn interview gebruikten in hun persbericht. Dat is leuk natuurlijk, maar is het de moeite ook waard? Kan ik de volgende keer niet beter, net als mijn collega’s, tijd besparen en ook gewoon op het persbericht wachten? Moet ik nieuws maken of nieuws brengen? Of nog iets anders, zoals diepere wetenschappelijke inzichten ‘vertalen’ voor een breed publiek?

Zelf voel ik eigenlijk het meest voor het laatste. En daarmee kom ik bij mijn allerlaatste eindejaarsoverpeinzing. Ik ben er namelijk stellig van overtuigd dat de allerbeste wetenschapsjournalistieke publicatie van dit jaar geen nieuwsbericht was, geen achtergrondartikel, geen essay en zelfs geen foto. Het was een video. En wel deze, waarin een muzikant met een voorliefde voor synthesizers docu-fragmenten van Sagan, Feynman, deGrasse Tyson & Bill Nye aan elkaar heeft geplakt en met een mono-manipulatie in een soort liedje met clip heeft veranderd. De boodschap is fraai: we are all connected. To each other, biologically. To the earth, chemically. To the rest of the universe, atomically.

Waarom is dit zo goed? Nou, ten eerste wordt dit filmpje verslonden door de YouTubers. In oktober, de maand waarin hij online werd gezet door de maker John Boswell, was hij de bestbekeken video. Dat is dus voor Britney Spears laatste fiasco en de trailer van Avatar en dergelijke. Meer dan een miljoen keer ging hij over het beeldscherm, en hij staat in de top 30 van bestbeoordeelde muziekvideo’s aller tijden. En dat terwijl het over natuurkunde en sterrenkunde gaat! Dat lijkt me wel een klein hoeraatje waard.

Voor mij laat deze clip zien dat wetenschap wel zeker helemaal op zichzelf aantrekkelijk kan zijn (hoewel ik Boswell niet wil dissen, denk ik niet dat het fantastische synthesizerarrangement in dit geval de doorslag gaf). Dit is een punt van discussie dat ik vaak met collega’s heb: is wetenschap iets dat je leuk moet maken – oftewel: moet de waarde lezer/kijker er aan zijn haartjes bijgesleept? – of hoef je alleen maar te laten zien hoe leuk, fantastisch, magisch, geweldig het van zichzelf is,om er vervolgens in te berusten dat je nooit iedereen enthousiast zult krijgen voor de wonderen van ons universum? Na het succes van ‘we’re all connected’ ben ik overtuigd van het laatste. Wat natuurlijk niet betekent dat ik nu maar op mijn journalistieke lauweren ga rusten en persberichtjes ga overtikken. Zeker niet. In plaats daarvan draag ik mijn 2010 op aan de magie van de wetenschap: opdat we onze lezers zullen laten zien wat er allemaal te verwonderen valt. Proost!

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Volgens de overgrote meerderheid van de klimaatwetenschappers is dit wat het bewijs ons vertelt: de aarde warmt op door toedoen van de mens. Een groep mensen – de klimaatsceptici – verkiest dat niet te geloven. Dat is interessant, ongeacht wie er uiteindelijk gelijk blijken te hebben. Waarom wijken die sceptici af van de norm? Wat zijn hun bewuste en onbewuste beweegredenen?

Twee gedragswetenschappers – Paul Slovic en Paul Kellstedt – hielpen mij aan een antwoord. Er is een significant, en zelfs tamelijk sterk verband tussen huidskleur en sekse aan de ene kant, en je houding ten opzichte van klimaatverandering aan de andere kant. Om preciezer te zijn: zo’n 30% van de blanke mannen gelooft er gewoon niks van, van de risico’s van de opwarming van de aarde. Slovic weet ook waarom: hun identiteit is sterk verbonden met allerlei zaken die voor die opwarming zorgen (dikke auto, veel consumeren, etcetera). Zeggen dat het klimaat verandert is daarmee – onbewust – net zoiets als zeggen dat je zelf niet deugt. En daar doet ons onderbewustzijn niet aan. Het resultaat: scepsis.

Deze tamelijk onschuldige analyse van het psychologische fenomeen white male effect leverde mij een emmer drek op van GeenStijl.nl die mij tegelijkertijd vooringenomen, kortzichtig, racistisch, seksistisch en een mannenhaatster vonden. Ze deden hun slogan ‘tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend’ eer aan.

Gelukkig waren er – naast lieve, steunende en opbeurende collega’s, waarvoor dank! :) – ook sceptische mensen die over de feiten wilden debatteren, zoals mijn klimaattwijfelende collega-wetenschapsjournalist Marcel Crok. Hij schreef op zijn website climategate.nl een reactie op mijn artikel (mirror). Daar reageerde ik weer op met wat extra uitleg: bijvoorbeeld dat afwijken van de norm op zich een waardevrije gebeurtenis is, dat individuele factoren natuurlijk altijd ook een rol spelen – maar dat dit zeker niet betekent dat huidskleur en sekse geen invloed hebben! – en dat klimaatscepsis toch eigenlijk echt een erg sociaal-maatschappelijk-psychologisch fenomeen is. Marcel was zo sportief die reactie ook weer op zijn website te plaatsen. Vervolgens kwam hij bovendien met de vraag of die overgrote meerderheid die ik net aan het begin noemde misschien niet gewoon last heeft van kuddegedrag. Een interessante vraag, waar ik zeker nog eens induik. We debatteren dus vrolijk verder – over feiten, hoera!

Op Kennislink staat ondertussen een enigszins herziene versie van het stuk te lezen, waarin ik het white male effect nog wat uitvoeriger uitleg. Ik vind namelijk altijd dat je ook moet kijken naar de balk in je eigen oog (ook al steekt er in dit geval een complete timmerfabriek in het oog van onze stijlloze vrinden). Ik ben er de eerste keer klaarblijkelijk niet in geslaagd om voldoende uit te leggen hoe volstrekt normaal dit allemaal is, en hoezeer het niks met racisme of seksisme van doen heeft. Hopelijk ben ik daar nu beter in geslaagd.

Ondertussen maakte ik voor Kennislinks thema over klimaatverandering (aanrader, met mooie infographics van Frederik Ruys) nog twee filmpjes. De eerste gaat over de vraag wat er met de aarde gebeurt als het hier verder opwarmt dat de ‘gevaarlijk grens’ van 2 graden. De tweede gaat over risicopsychologie: waarom vrezen we wat we vrezen. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar hierin figureert ook het veelsproken … inderdaad.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Of hij Mexicaans was, weet ik niet (het kwam niet met sombrero en ik had ook geen onbedwingbare zin in tortillas) maar griep was het zeker. En wat doet een journalist met griep? Juist – ze leest een boek. Alleen kon mijn zwaar door koort gehavende brein even geen Francis Wheen aan, dus koos ik voor Dan Browns laatste: The lost symbol. Op de allereerste pagina, nog voor het verhaal echt aanving, begon de verwarring echter al. “Alle wetenschap in dit boek is echt,” zegt Dan tegen me. Hier kan ik dus niets mee. Ik heb een roman in mijn handen, dus ik reken niet op echt. Maar is die zin nu onderdeel van de roman (en dus fictie) of een soort bijsluiterachtige waarschuwing bij het verhaal (en dus echt)?

TheLostSymbol-DanBrownGelukkig maar dus, dat het boek ging over de meest obscure tak van de psychologie: de noetica. Die lui zijn eerder vertederend dan serieus: op de website van het Institute of Noetic Sciences (dat in ieder geval wel echt bestaat) kun je bijvoorbeeld proberen een cartoonfiguur te healen. The lost symbol was qua niveau niet veel beter. En alzo kon ik vaststellen dat de uitspraak die Dan zo boud deed aan het begin van zijn thriller, tot de fictie behoorde. Want met wetenschap heeft dit niets te maken: de ziel wordt gewogen, gedachten kunnen gebundeld om materie te herscheppen en de plantjes telen wierig onder invloed van de positieve gedachten van heldin Katherine Solomon.

Het fijne daaraan is wel dat ik, eenmaal beter, meteen een leuk debunk-artikel kon optypen over Dan Browns laatste boek (actueel!) en leugentje aan het begin (scherp randje!). Van mij had het daarbij mogen blijven, ware het niet dat het ANP het een aardig idee vond om hier een berichtje over de typen waarin ze verbaasd opmerkten dat er helemaal geen wetenschap staat in de nieuwste Dan Brown. En het ANP stond niet alleen in hun verbazing: nu.nl, de Tubantia*, zelfs radio 1 (wel BNN) verbaasde lekker met ze mee. En ik was ineens het leukje van de dag – zonder het zelf te willen. Ik blijf wel zitten met een wat unheimisch gevoel over de gemiddelde Nederlander: zou die echt denken dat al die positieve energie-gedachten-ziel-weeg-flauwekul echt kon? Nee toch? Gemiddelde Nederlanders worden van harte uitgenodigd om te reageren.

*) De Tubantia? Huh? Ja, inderdaad. Deze tukkers dachten abusievelijk dat ik een psycholoog van hun thuis-universiteit Twente was. Nu heb ik daar wel ooit een graad behaald, maar sindsdien ben ik daar niet meer werkzaam. Mailtjes en telefoontjes om dit misverstand uit de wereld te helpen leveren tot op heden niets op.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

exit-mundiVandaag wil ik het hebben over Maarten Keulemans. Het moet even, want de laatste tijd duikt hij – zonder dat hij het weet, en zonder bewuste acties van zijn of mijn kant – voortdurend op in mijn leven. Eerst las ik een boek van hem (Exit Mundi, uitstekend werk, kan niet wachten op de film). Toen – ik rolde net uit mijn bed, met dit boek op mijn nachtkastje – mailde hij me met een vraag over overspelige statistieken. Ik weet vrij zeker dat ie me niet geloofde toen ik zei dat ik toevallig net zijn boek aan het lezen was (“Heb je weer zo’n slijmjurk…”). Toch was het waar (echt!).

bad science ben goldacreEen tijdje later volgde een tweede toevalligheid. Ik stuurde een mail aan mijn VWN-collega’s waarin ik het boek Bad Science van Ben Goldacre warm aanbeveelde (aanbeval?), waarop Maarten (we kennen elkaar niet, maar ik tutoyeer toch maar, gezien onze warme toevalsrelatie) reageerde met het antwoord dat hij al langer dacht dat Goldacre de nieuwe messias was. Ik kon daar wel mee instemmen. Een paar weken later, alweer zo’n vreemd toeval: Maarten raadt alle collega’s het boek Risk aan, van Dan Gardner. Verplichte kost, noemt hij het. En ik zweer het: twee minuten later belt de postbode aan, met in zijn hand het drie dagen daarvoor door mij bestelde exemplaar van… juist.

Dit wordt haast eng. Dus, sorry Maartrisk dan gardneren, ik maak er een eind aan. En rigoreus ook. Want volgens mijn voortschrijdend inzicht zie je het helemaal fout. Ben Goldacre is maar een soort hulp-messias. Die echte Ene is duidelijk Nick Davies, en wel hierom. Zijn visie op neutraliteit en objectiviteit is zo zuiver, juist en doordacht dat het alleen maar het Ware Woord kan zijn. En zijn boek Flat Earth News is overduidelijk de nieuwe bijbel. Om duidelijk te maken waarom, maak ik even riant gebruik van het citaatrecht:

The great blockbuster myth of modern journalism is objectivity, the idea that a good newspaper or broadcaster simply collects and reproduces the objective truth. It is a classic Flat Earth tale, widely believed and devoid of reality. It has never happened and never will happen because it cannot happen. Reality exists objectively, but any attempt to record the truth about it always and everywhere necessarily involves selection, by using the kind of judgements* that Harry Evans describes. In this sense, all news is artifice. (p 111)

flat earth news* Eerder in het hoofdstuk gaat het over deze oordelen: Judgements have to be made about what’s important. They are moral judgements. (…) These judgements are not optional extras. They are not shameful lapses. They are essential, unavoidable, constant requirements of every journalist on every story – to select this subject and not another, to choose this angle instead of the alternatives, to use this headline, this intro, this language, while rejecting others. (p 111)

Op de volgende pagina vervolgt Davies: Media managers (…) enjoy the comfort of life behind the myth of objectivity. It allows them to pretend that they have a special claim to the truth. In reality, what they generally promote is not objectivity at all. It’s neutrality, which is a very different beast.

Neutrality requires the journalist to become invisible, to refrain deliberalety (under threat of discipline) from expressing the judgements which are essential for journalism. Neutrality requires the packaging of conflicting claims, which is precisely the opposite of truth-telling. If two men go and mow a meadow and one comes back and says ‘The job is done’ and the other comes back and says ‘We never cut a single blade of grass’, neutrality requires the journalist to report a controversy surrounding the state of the meadow, to throw together both men’s claims and shove it out to the world with an implicit sign over the top declaring, ‘We don’t know what’s happening – you decide.’ Traveling under the alias of objectivity, this approach has become respectable. (p 112)

Verderop in het hoofdstuk gaat Davies in op hoor en wederhoor als ‘neutraliteitsinstrument’: ‘Always give both sides of the story’ – this is the safety net rule. It suggests that, if all else fails (…) you bang in some quotes from the other side to ‘balance’ the story. Balance means never having to say your sorry – because you never haven’t said anything. Applied to statements of opinion, this rule is fine. But applied to statements of fact, the rule is the embodiment of neutrality and with the same result, that journalists are encouraged to abandon their primary purpose, of truth-telling. (p 131)

Davies geeft een aantal voorbeelden uit de wetenschapsjournalistiek: Scientists spent two decades warning that the planet was heating up while journalists simply balanced what they were saying with denials from experts and oil companies. It was the same years ago when scientists tried to warn that smoking was linked to lung cancer, and journalist simply balanced their evidence with counterclaims from the tobacco industry. It was the same again in May 2006, when thirteen of the most senior doctors in Britain, including a Nobel Prize-winner and the president of the Academy of Sciences, wrote a public letter calling on the government to stop funding homeopathy and other ‘unproven or disproved treatments’. The journalists immediately reached for a homeopath who denounced the doctors’ letter snappily as ‘medical apartheid’ and the facts were soon buried in balance. The truth? Not our job. (p 131)

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Opvallend weinig vrouwen kiezen voor een carrière in de betawetenschappen of techniek. Waarom? Op die vraag zijn twee antwoorden te bedenken: ofwel meisjes zijn ‘van nature’ ongeschikt voor wiskundige activiteiten, ofwel ergens in hun schoolloopbaan worden ze tegengewerkt in het ontplooien van hun exacte talenten. In het Kennislink-artikel ‘Waar zijn de wiskundevrouwen?‘ beschrijf ik waarom antwoord B de juiste is.

Dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de bètawetenschappen lijkt eerder het gevolg te zijn van een keten aan hindernissen dan van een aangeboren gebrek aan talent. Hoewel we natuurlijk niet zeker weten of meisjesbaby’s met minder bèta-aanleg ter wereld komen dan jongetjesbaby’s, is het gebrek aan verschillen in de kleutertijd een aanwijzing dat dit niet zo is.

Op de middelbare school speelt het hardnekkige stereotype dat meiden slechter zijn in wiskunde dan hun mannelijke medescholieren ze parten als ze hun profiel kiezen. Hier gooien veel meisjes een toekomst in de techniek of natuurwetenschappen weg om een vooroordeel, terwijl het gezien het gebrek aan bèta’s een gouden toekomst was geweest. Eenmaal op de universiteit worden vrouwen stelselmatig tegengewerkt, waardoor veel vrouwen – uit keuze of noodgedwongen – afhaken. Het antwoord op de vraag waar de wiskundevrouwen zijn is dan ook even eenduidig als pijnlijk: ze waren er wel, maar ze zijn iets anders gaan doen.

Een paar maanden later werden mijn conclusies bevestigd. Uit een artikel in Science bleek dat emancipatie (of het gebrek daaraan) inderdaad de oorzaak is van het feit dat meisjes minder wiskundetalent laten zien dan jongens. Daar schreef ik natuurlijk ook weer over op Kennislink:

Dat jongens vaak beter zijn in wiskunde dan meisjes, komt niet doordat ze zijn geboren met een beter wiskundebrein. Het verschil hangt samen met de mate van man-vrouwgelijkheid in een land: emancipatie verkleint de wiskundekloof.

Grafiek uit het Science-onderzoek naar wiskunde en emancipatie. De landen zijn gerangschikt naar emancipatiegraad. Links = laag, rechts = hoog

Grafiek uit het Science-onderzoek naar wiskunde en emancipatie. De landen zijn gerangschikt naar emancipatiegraad. Links = laag, rechts = hoog.

In mei 2009 mocht ik op Bessensap in een omgekeerde masterclass aan een stel kritische* wetenschappers komen uitleggen waarom ik het in ‘Waar zijn de wiskundevrouwen?’ niet over hormonale man-vrouwverschillen had gehad. Toen was mijn antwoord: omdat ik vond dat dit punt belangrijk was. Als journalist maak je altijd keuzes – hoewel ik hartstochtelijk geloof in objectief (en dus niet vooringenomen) te werk gaan, moet je op een gegeven moment een invalshoek kiezen, een selectie maken uit alle beschikbare research, je insteek en toon bepalen, etcetera. Daarmee kleur je een stuk. Dat is goed: het is jouw taak als journalist om zulke keuzes te maken. Je bent dus wel objectief, maar niet neutraal.

Nu wil ik daar nog een ander antwoord aan toevoegen. Hormonen werken in de puberteit in de hersenen vooral in op speciale cellen: receptoren. Die receptoren zijn gevoelig voor bijvoorbeeld testosteron of oestrogeen. Als een van die stofjes in de buurt is, reageert de receptor daarop alsof hij wordt begoten met pokon – hij zet aan tot groeien. Nu”ontdekten wetenschappers een tijdje terug dat de hoeveelheid receptoren heel erg wordt beinvloed door… opvoeding (ook hier schreef ik natuurlijk een stukje over). Als je bijvoorbeeld een meisjesrat precies zo grootbrengt als een jongetje, dan groeien er ‘mannelijk weinig’ oestrogeenreceptoren in haar brein. En daarmee hangt de invloed van puberteitshormonen dus voor een belangrijk deel af van – inderdaad – emancipatie.

*) Dat ‘kritisch’ viel trouwens reuze mee. De juryleden waren bijvoorbeeld erg enthousiast over mijn schrijfstijl en vonden het heel fijn dat ik verschillende wetenschappelijke onderzoeken op een rij zetten, als klein literatuuronderzoek. Mooie opsteker, toch weer. Wiep Scheper, nog bedankt!

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.