dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Volgens de Amerikaanse wetenschapper David Rakison van de fruitig klinkende Carnegie Mellon University is angst voor spinnen alleen bij vrouwen een aangeboren aangelegenheid. Dat stelt hij vast nadat hij een tamelijk bescheiden hoeveelheid baby’s (20 stuks) van 11 maanden geleerd heeft bange gezichten met plaatjes van spinnen te associeren – bij de meisjes lukte dat aanzienlijk beter dan bij de jongens.

Om het verschil te verklaren grijpt Rakison in de Britse tabloid de Daily Mail terug op een bekend liedje in de evolutiepsychologie: mannen kunnen hun zaad vrijelijk verspreiden onder vele, vele vrouwen, terwijl die vrouwen juist maar enkele kinderen kunnen baren. U vraagt zich af wat dit in vredesnaam te maken heeft met spinnenfobie? Nou, het was dus – volgens Rakison – voor vrouwen enorm belangrijk dat hun nageslacht niet werd bedreigd door gevaarlijke insecten, bijvoorbeeld tijdens het verzamelen van vruchten.

Om deze theorie te laten werken heeft Rakison (impliciet) nogal wat een boude aannames nodig, te weten:
– Alle trouwe mannen zijn uitgestorven
– Mannen vinden het klaarblijkelijk prima als die kinderen omkomen door spinnenbeten, immers maken ze er gemakkelijk weer nieuwe bij
– In de omgeving waar onze voorouders leefden (Midden/Oost-Afrika) stikt het van de giftige spinnen, die zich bovendien tussen de vruchten en noten ophouden

We lopen deze aannames in omgekeerde volgorde even af. In Afrika wonen inderdaad een aantal giftige spinnen. Vooral voor de button spider is vervelend, maar die komt alleen voor in zuidelijk Afrika. Dan heb je nog de zes-oogige zandspin – erg giftig maar woont in de woestijn, en niet tussen de ananas. De rest van de spinnen is ongeveer net zo gevaarlijk als een gemiddelde wesp.

Dan de mythe van de liefdeloze papa: er is geen enkel bewijs dat oermannen niet van hun kinderen hielden. Integendeel, de enorme liefde die hedendaagse vaders voor hun kroost voelen (inclusief hormonale aanpassingen in lijf en brein als reactie op het krijgen van een baby) is een duidelijke aanwijzing dat de evolutie een biologisch geef-om-je-kind-programma bij elkaar heeft geselecteerd. Bovendien blijkt dat er vele ‘primitieve stammen’ zijn waarin mannen sterk betrokken zijn bij de opvoeding van hun koters en doen deze kerels het net als de onze even goed als verzorger dan mama.

Tot slot vraag ik me af: die mannen, die om de haverklap kinderen verwekken omdat een kwakje nu eenmaal zo geleverd is – met wie hebben ze al die seks? Bij welke (hoogst kieskeurige) vrouw maken ze al die kinderen? Of blijft er elke generatie weer een enorme troep trouwe losers aan de zijlijn staan die nooit lekker vrijen en nooit hun genen doorgeven? En als die losers hun genen niet doorgeven, horen ze dan niet heel snel uit te sterven? En als de losers uitgestorven zijn, en er dus alleen mannen overblijven met wie vrouwen graag seks hebben, waarom bestaan er dan toch nog trouwe softe mannen?

Het antwoord lijkt mij dat de ‘mannen-neuken-in-het-rond-maar-vrouwen-zijn-preuts-en-kieskeurig’-theorie nogal hapert. In plaats daarvan stel ik voor dat we de oertijd eens wat anders gaan bekijken. Bijvoorbeeld zo: man en vrouw werden een stelletje, maken een baby en zorgen daar samen, met hulp van bijvoorbeeld oma of andere stamgenoten. Dat snijdt ook wetenschappelijk wat meer hout. Zo is het best lastig om een vrouw te bevruchten door maar een enkele keer met haar te vrijen, omdat je maar nooit weet wanneer de eitjes rijp zijn. Vaak vrijen met dezelfde vrouw biedt meer kans op een nakomeling dan wild schieten op vele baarmoeders. En tot slot nog een vraag: als mannen evolutionair gezien alleen maar zin hadden in seks met veel verschillende vrouwen, waarom worden ze dan toch verliefd? Wie het weet, mag het zeggen…

Bron: D. Rakison (in press). Does women’s greater fear of snakes and spiders originate in infancy? Evolution and human behavior.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Mannen komen van mars en vrouwen van venus? Niet in deze prachtige fotoserie van Annie van Gemert. Zij legde jongensachtige meisjes en meisjesachtige jongens vast, en laat zo de kijker aan den lijve ondervinden hoe weinig je kunt zeggen van iemands sekse. Hieronder een jongen en een meisje.

Helaas! Annie van Gemert verzocht mij – ondanks haar eerdere toestemming om de foto’s te plaatsen – of ik de foto’s wilde verwijderen, omdat anders een rekening zou volgen. Haar werk is nog wel te zien op haar website.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Even een filosofisch tussendoortje. Wat we ‘natuurlijk’ vinden, is cultureel bepaald, schrijft Rob Wijnberg vandaag in nrc.next. “…wat natuurlijk was, was moreel toelaatbaar en werd aangemoedigd; wat onnatuurlijk werd genoemd, was moreel verwerpelijk en werd ontmoedigd en verboden (…) Natuurlijk en onnatuurlijk waren, kortom, culturele begrippen waarmee men elkaar bepaald gedrag aanleerde.”

Een interessante gedachte die volgens mij veel zegt over het nature-nurturedebat. (Ik negeer even dat Wijnberg meent dat deze redenering omstreeks de negentiende eeuw is uitgestorven en dat hij het vooral toepast op de seksuele gewoontes van hedendaagse Japanners)

Het is uiteraard waar dat wat wij natuurlijk vinden, per definitie voorgeschreven wordt door onze cultuur. Alleen is er, als je dit idee toepast op man-vrouwverschillen, iets raars aan de hand. Er bestaat namelijk een enorme behoefte in de wetenschap en populaire psychologie om allerlei culturele fenomenen van het predikaat ‘natuurlijk’ te voorzien. Zo weten we allang dat mannen geen slechtere ouders/verzorgers zijn dan vrouwen – dat vrouwen zorgen en mannen minder is een cultuurverschijnsel – maar toch borrelt steeds weer de haast onbedwingbare neiging op om ‘de natuur’ erbij te halen als oorzaak voor dit verschil.

Het verschil met de negentiende eeuw is dat ‘natuurlijk’ nu zelden meer synoniem is aan ‘door God gemaakt’. Tegenwoodig heulen we immers met Darwin, dus bedoelen we nu ‘gedurende de evolutie ontstaan’. Maar verder zijn de gelijkenissen groot: ook nu geeft het predikaat ‘natuurlijk’ (of zijn tweelingbroer ‘biologisch’) een zekere morele rechtvaardiging aan het bestaan van sekseverschillen.

Ik kwam dat bijvoorbeeld tegen in het boek Sex and cognition van Doreen Kimura. Hoewel ze voor lang niet elk cognitieverschil (m/v) een biologische oorzaak kan vinden – en dat komt niet omdat ze het niet probeert, verzeker ik je – verwerpt ze gepassioneerd het idee dat opvoeding en onderwijs er iets mee te maken hebben. Alsof het een belediging is voor een man-vrouwverschil om uitgemaakt te worden voor ‘cultureel’. Waarom dat zo belangrijk is voor Kimura – en vele anderen – is me dankzij Wijnberg nu duidelijk: door een natuurlijke oorzaak voor sekseverschillen aan te voeren, proberen ze (bewust of onbewust) duidelijk te maken dat dit een goede zaak is. Want het hoort zo.

Rob Wijnberg. Hoe natuurlijk is seksualiteit eigenlijk? (nrc.next, woensdag 26 augustus 2009). Doreen Kimura. Sex and cognition (ISBN 0-262-61164-3)

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Als je in Gapun (Papoea Nieuw-Guinea) zou vertellen dat het een universeel principe is dat vrouwen empathisch en verzorgend zijn, en taal vooral gebruiken om de sociale banden aan de halen, zouden ze lachend van hun kruk rollen. De vrouwen daar voldoen in niets aan dit beeld: ze zijn vloeken met grote regelmaat urenlang en staan bekend als grofgebekt en ongevoelig. Mannen daarentegen, zijn sensitief en sociaal in hun gedrag en taalgebruik. Dit alles is volgens de inwoners van Gapun volstrekt natuurlijk.

mythmarsvenus

Met deze anekdote ontmaskert Deborah Cameron (hoogleraar aan het prestigieuze Oxford University) in één klap de mythe die ons zo bekend is: vrouwen zijn van de emoties en taal, en mannen van het ongevoelige ‘niet lullen maar doen’. In populaire psychologieboeken wordt dit verschil meestal toegedicht aan het leven in de oertijd: aldaar zorgden de vrouwen – al kletsend – in groepen voor de kinderen, terwijl zwijgzame mannen uit jagen gingen.

Dit is kul, toont Cameron overtuigend aan door alle mythes rondom taal te doorprikken: vrouwen praten niet meer dan mannen (eerder andersom), vrouwen hebben het niet vaker over gevoel en ze laten zich niet steeds van hun sociale of onzekere kant zien. Deze vooroordelen bestaan bovendien vooral bij de witte, westere middenklasse. Cameron ziet dit vooral als reactie op culturele verandering – door de vrouwenemancipatie is het leven van deze subgroep nogal opgeschud en dat gaat niet zonder slag of stoot. De evolutiepsychologie voorziet deze tegenreactie vervolgens van een biologisch sausje. Of, in de woorden van Cameron, “het neemt de sociale vooroordelen van vandaag en projecteert die op de prehistorie, daarmee hun status verhogend tot tijdloze waarheden over de mens.”

Deborah Cameron. The myth of Mars and Venus: do men and women really speak different languages? ISBN 978-0-19-921447-1

Meer lezen op Mars & Venus:

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Als je echt van je kind houdt, zeg je vaker nee. Met die boodschap waarschuwde Sire begin 2005 tegen overgewicht bij kinderen. En sinds dat moment hebben ouders – en hun al dan niet dikke nageslacht – geen moment rust meer gehad. In Zwolle meten wetenschappers en GGD 5000 kinderbuiken, om zo overgewicht vroegtijdig te signaleren en te voorkomen. De GGD in Groningen weegt 7000 pubers, om kinderen met ernstige gezondheidsrisico’s op te sporen. Allemaal onder het mom: heel veel kinderen zijn te dik, en ze worden nog steeds dikker ook. Maar is dat wel zo? En wat zijn de gevolgen van dat constant hameren op gewicht?

 

Dit schreef ik in februari 2008 op Kennislink, omdat ik niets geloofde van de zogenaamde trend dat er steeds meer dikke kinderen bijkomen in Nederland. Dat kwam door de CBS-cijfers. Die lieten namelijk zien dat in 2006 ongeveer 12% van de kinderen te zwaar was, en zo’n 3% obesitas had… net als in 1981. De stijging was ver te zoeken.

De negatieve gevolgen van al die anti-overgewichtcampagnes waren echter een stuk gemakkelijker te vinden. Kinderen met een paar kilootjes te veel voelden zich gestigmatiseerd, lopen daardoor later meer risico op anorexia en – misschien erger – sommige ouders waren zo bang dat hun kind te dik werd, dat ze hem of haar dieetproducten gingen geven. Daarmee zagen ze over het hoofd dat ze zo hun kinderen essentiele vetten en bouwstoffen onthielden. In het rijke buitengebied van Londen zagen artsen zelfs kleine kinderen met kwashiorkor langskomen (je weet wel, wat kinderen in Afrika van die bolle hongerbuikjes geeft).

In Nederland liep het in februari 2008 nog niet zo’n vaart. Maar dat is aan het veranderen. Bijna een jaar later meldden consultatieartsen dat ze te veel magere peuters zien, omdat papa en mama zo bang zijn voor overgewicht dat ze hun kinderen maar als voorzorg aan de low fat producten doen. De Volkskrant schrijft:

Te magere peuters zijn een bron van zorg voor artsen op consultatiebureaus. Ouders die bang zijn voor overgewicht, onthouden hun kinderen soms belangrijke voedingsstoffen, meldt Elise Buiting, voorzitter van de Artsenvereniging Jeugdgezondheidszorg.

Nu is het natuurlijk een fijne opsteker om als journalist een trend opgemerkt te hebben die pas een jaar later de kranten haalt, maar in dit geval had ik toch liever ongelijk gehad toen ik schreef dat gezondheidsvoorlichting niet altijd alleen maar positieve effecten heeft…

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Biseksualiteit komt onder dieren én mensen veel voor: 3-6% van de mensen heeft het sinds de puberteit gedaan en 18-25% fantaseert erover. Toch gaat het meeste hersenwetenschappelijke onderzoek niet over bi- maar over homo- en heteroseksualiteit. Van het gedrag van vogels en onze ‘neefjes’, de bonobo’s, leren we echter dat het ook bij de homo sapiens met de seksuele geaardheid niet zo zwart-wit gesteld is als we vaak denken. Sterker nog: het lijkt erop dat we allemaal, in meer of mindere mate, biseksueel zijn.

Pinguïns doen het. Geiten doen het. Bijna zes procent van de mannen en ruim drie procent van de vrouwen hebben het sinds de puberteit gedaan. En bonobo’s doen het bijna iedere dag: ze hebben seks met zowel mannen als vrouwen. Biseksualiteit is onder alle gewervelde dieren – inclusief de mens – de normaalste zaak van de wereld. Het komt dan ook veel vaker voor dan ‘pure’ homoseksualiteit. In het dierenrijk zijn het alleen de bokken die wel eens enkel op andere bokken vallen en geiten volkomen links laten liggen.

Zelfs onder mensen is exclusieve homoseksualiteit zeldzaam. Een groot Amerikaans onderzoek onder leiding van Edward O. Laumann liet zien dat slechts 0,6 procent van de mannen en 0,2 procent van de vrouwen sinds ze volwassen zijn alleen seks hebben gehad met partners van hetzelfde geslacht. Toch is biseksualiteit in de wetenschap lang niet zo’n populair onderwerp als homoseksualiteit. We weten van het homobrein en het homogen, maar een sluitende theorie die verklaart waarom zoveel mensen en dieren bi zijn is er niet. Onderzoekers zien de wereld van de seksuele geaardheid in zwart-wit.

Biseksualiteit bestond / bestaat niet
Dat heeft een historische reden. Aan het begin van de 20ste eeuw zagen de meeste mensen (ook wetenschappers) homoseksualiteit eigenlijk als een ziekte. En een ziekte heb je, of die heb je niet. Heb je dus één homoseksuele ervaring, dan ben je volgens die gedachtegang homo. Ook al was je daarvoor en daarna strikt heteroseksueel: biseksualiteit bestond niet.

Na de Tweede Wereldoorlog begon daar langzaam iets aan te veranderen. Zo kwam de wereldberoemde seksuoloog Alfred Kinsey met zijn Kinsey-schaal, die liep van helemaal hetero tot helemaal homo of lesbisch. Daartussenin zaten de biseksuelen. In 1985 pleitten onderzoekers Hansen en Evans ervoor het binaire denken over geaardheid te doorbreken met een nog ‘eerlijker’ schaal, waarop iedereen in een bepaalde mate homo- én heteroseksueel kon zijn.

Helaas is het in bijvoorbeeld het hersenonderzoek nog steeds gebruikelijk om alleen proefpersonen te gebruiken die exclusief homo- of heteroseksueel zijn. En dat laat interessante vragen onbeantwoord. Zoals: zitten biseksuelen echt in het midden van een ‘glijdende schaal’ tussen homo en hetero? Of is biseksualiteit gelegenheidsgedrag, iets dat alleen voorkomt in abnormale omstandigheden –een dierentuin of bij mensen, een gevangenis – waarin een heteroseksuele partner niet voorhanden is? En zou het kunnen dat we eigenlijk allemaal (een beetje) bi zijn?

De zoektocht begint in de baarmoeder
Als we aannemen dat biseksualiteit ontstaat op ongeveer dezelfde manier als homoseksualiteit, dan begint onze zoektocht naar het hoe en waarom ervan in de baarmoeder. Onze toekomstige biseksueel is nog maar een embryo van zo’n zes weken oud. Zojuist heeft een klein stukje van zijn Y-chromosoom – het is een jongetje – een kettingreactie in werking gezet die ervoor zorgt dat de baarmoeder overspoelt raakt met androgenen. Androgenen is een verzamelnaam voor de mannelijke geslachtshormonen, waarvan testosteron het bekendste lid is. De androgenen veranderen de geslachtsdelen van het embryo langzaam maar zeker in die van een jongetje: zaadleiders, testikels en penis worden aangelegd.

We spoelen wat vooruit. We zijn in de tweede helft van de zwangerschap en onze bi-baby-in-spé is al een stuk groter. Nu is het tijd om de hersenstructuur aan te leggen. Die structuur zal straks een hoop dingen bepalen: bijvoorbeeld intelligentie – voor een groot deel althans – en of iemand zich een man of een vrouw voelt. Maar nu is er in de baarmoeder iets aan de hand. Het androgenenniveau is niet helemaal normaal. Daardoor ontwikkelt het breintje zich net iets anders dan gewoonlijk. De suprachiasmatische nucleus (SCN) wordt wat groter dan bij de gemiddelde man, net als een deel van de hypothalamus (INAH-3). Deze twee gebiedjes hangen samen met seksuele geaardheid, en als onze baby na 40 weken geboren wordt is hij in aanleg al biseksueel.

Een meisje overspoelt door jongenshormonen
Voor meisjes geldt dezelfde theorie. Als hun hersenen in de tweede helft van de zwangerschap worden blootgesteld aan meer androgenen dan gebruikelijk, krijgen ze een wat ‘mannelijker’ brein en hebben ze meer kans om lesbisch of biseksueel te zijn. Het zijn ook de meisjes die het sterkste bewijs voor deze baarmoedertheorie leveren. In Nederland hebben ongeveer 1 op de bijna 12.000 baby’s een aangeboren afwijking met de naam congenital adrenal hyperplasia (CAH). Bij hen is iets mis met de bijnieren, waardoor deze een grote hoeveelheid androgenen produceren. Zoals we net hebben gezien, zorgen die androgenen er normaliter voor dat een jongetje wordt uigerust met de juiste geslachtsdelen en bijbehorende hersenstructuur.

Wanneer een meisje met CAH geboren wordt, is ze blootgesteld aan een grote hoeveelheid ‘jongenshormonen’. Dat zorgt er niet alleen voor dat ze vaak een bijzonder forse clitoris heeft bij de geboorte – die soms wordt aangezien voor een penis – maar ook dat een CAH-meisjesbaby in aanleg een ‘mannenbrein’ heeft. Meisjes met CAH ontdekken als ze in de puberteit komen vaak dat ze lesbisch of biseksueel zijn. En dat is een sterke aanwijzing dat het androgenenniveau in de baarmoeder een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van iemands seksuele voorkeur.

Volgens de ‘baarmoedertheorie’ ontstaat biseksualiteit dus net als homoseksualiteit nadat een ongeboren brein is blootgesteld aan een abnormale hoeveelheid mannelijk geslachtshormoon. Sommige wetenschappers zetten hier vraagtekens bij. Zoöloog Leyley Rogers wijst er in haar boek ‘Sexing the brain’ op dat de hersenen na de geboorte nog een enorme ontwikkeling doormaken. Ervaringen en gebeurtenissen in de kindertijd en puberteit hebben een grote fysieke invloed op het brein. In dat licht lijkt het moeilijk vol te houden dat je seksuele voorkeur geheel en al is vastgelegd voordat je ter wereld komt.

Gelegenheidsbiseksueel
Het is dus goed mogelijk dat de omstandigheden waarin iemand opgroeit toch een rol spelen in de ontwikkeling van homo-, hetero- of biseksualiteit. Zo’n reactie op ‘omstandigheden’ zie je bijvoorbeeld in vogelpopulaties. Neem bijvoorbeeld de scholeksters. Bij deze vogels is de competitie tussen de mannetjes zo groot dat ze zich soms letterlijk doodvechten, met als gevolg dat er niet genoeg mannetjes zijn om alle vrouwtjes van een partner te voorzien. De oplossing van de scholeksters is elegant: zo’n 2% van de vrouwtjes, zo ontdekten de Groningse onderzoekers Dik Heg en Rob van Treuren, is biseksueel. Twee vrouwtjes die een mannetje delen die hen beiden bevrucht, waarna ze met zijn drieën op de eieren passen, zijn daarin het meest succesvol. Om de band tussen de vrouwtjes goed te houden, bestijgen die ook elkaar.

De scholeksters zijn dus ‘gelegenheidsbi’. En dat is in het dierenrijk geenszins zeldzaam. De pinguïns Roy en Silo – beide mannetjes – zijn bijvoorbeeld een wereldberoemd stel dat jarenlang onafscheidelijk was in Central Park Zoo, New York. Pas na zes jaar verliet Silo zijn partner Roy voor een vrouwelijke pinguïn genaamd Scrappy. Hoewel wetenschappers toentertijd opperden dat homoseksualiteit een onnatuurlijke reactie was op de stress van het opgesloten zijn in een dierentuin, is dit erg onwaarschijnlijk omdat biseksueel gedrag bijzonder vaak voorkomt in de natuur. Naast de pinguïn en de scholekster zijn er zo’n 1500 diersoorten bekend waarbij homo- en biseksualiteit voorkomt.

Ons neefje, de hippie-aap, de bonobo
De bekendste van deze dieren is natuurlijk ons ‘evolutionaire neefje’: de bonobo. Deze aap is – samen met de chimpansee – het meest aan de mens verwant. Ze staan vooral bekend om hun enorme liefde voor seks. Bioloog Frans de Waal bestudeert dit gedrag al jaren en zijn conclusies zijn helder: bonobo’s gebruiken seks niet alleen om zich voort te planten, maar ook als sociaal smeermiddel en om conflicten op te lossen. Ze doen het dan ook met veel verschillende bonobo’s, en daarbij maken ze geen onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes.

Juist omdat de bonobo’s in de evolutieladder zo dicht bij ons staan, worden sommige conservatieve wetenschappers en opinieleiders ongemakkelijk van deze vrije seksuele moraal. In de zomer van 2007 gebruikte onder meer de zeer christelijke schrijver en publicist Dinesh D’Souza de woorden van bonobo-onderzoeker Gottfried Hohmann om Frans de Waal is diskrediet te brengen. Hohmann betwijfelt of de observaties over het seksuele leven van bonobo’s in gevangenschap die De Waal heeft gedaan, wel geldig zijn in het wild. De bonobo’s die Hohmann in de Democratische Republiek Congo observeerde, deden namelijk vooral nogal weinig. Toegegeven, de vrouwtjes wreven wel duidelijk met hun genitaliën tegen elkaar, waarbij ze kleine kreetjes slaakten, maar dat kon ook gewoon een soort begroeting zijn en geen seks.

D’Souza concludeert hieruit dat De Waal het allemaal heeft verzonnen, in de hoop een soort hippie-aap te creëren met een “verbluffende gelijkenis met de Nederlanders” want “meer geïnteresseerd in seks dan in werk of macht of wat dan ook”. Die kunnen we in onze zak steken, zullen we maar zeggen. Desgevraagd laat Frans de Waal weten dat er volop waarnemingen zijn van biseksualiteit onder bonobo’s in het wild, onder meer door zijn Japanse collega en veldwerker Suehisa Kuroda. De kleine aapjes zijn dus niet gelegenheidsbi, maar houden in aanleg gewoon allemaal van seks – het liefst veel en met beide seksen.

Ieder brein is bi
Maar wat zegt dit nu over biseksualiteit onder ons, homo sapiens? In ieder geval blijkt dat biseksualiteit in het dierenrijk helemaal niet zeldzaam is maar juist bijzonder normaal. Vogels worden bijvoorbeeld bi als de situatie daar om vraagt. Bonobo’s snoepen eigenlijk zonder uitzondering van twee walletjes. Het lijkt er op – zeker bij de bonobo’s – dat alle dieren als ze ter wereld komen ‘potentieel bi’ zijn. “Dieren doen niet aan een seksuele identiteit. Ze doen gewoon aan seks”, omschrijft de Engelse socioloog Eric Anderson het.

Dit conflicteert helemaal niet met de theorie van Swaab en co over hoe bi- en homoseksualiteit in de hersenen ontstaat. Het is namelijk niet zo dat er óf heel veel androgenen in de baarmoeder aanwezig zijn óf heel weinig: de biologie is niet zwart-wit. Dat zou ook raar zijn, want er zouden dan alleen maar supervrouwelijke vrouwenbreinen en supermannelijke mannenbreinen ter wereld komen, en onze wereld zou bevolkt worden door slechts macho’s en watjes (m/v). In plaats daarvan komen androgenen wat betreft hoeveelheid in alle gradaties daartussen voor in de baarmoeder. Veruit de meeste mensen zijn wat betreft mannelijkheid en vrouwelijkheid dan ook een beetje van beide.

Dat maakt het ook onwaarschijnlijk dat iemand óf exclusief homoseksueel óf exclusief heteroseksueel ter wereld komt. Bovendien spelen na de geboorte de omgeving, de opvoeding en iemands ervaringen een belangrijke rol. Statistieken tonen inderdaad aan dat seksuele geaardheid geen zwart-wit verhaal is en dat biseksualiteit – in daad en helemaal in gedachte – eerder regel dan uitzondering is: bij ieder van ons zit ons brein ergens op de glijdende schaal tussen hetero en homo. Of, kort gezegd: iedereen is bi

Dit artikel verscheen eerder op www.kennislink.nl

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.