dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

‘Modern feminisme is laf en apologetisch’. Dat stond er boven het opiniestuk dat Sophie Merle – sociaal wetenschapper en beeldend kunstenaar, zo leert het tekstje naar de pasfoto – dat vandaag in de Volkskrant stond. ‘Van een militante gelijkheidsideologie is het feminisme verworden tot een inhoudsloze modekreet’, las ik in de lead. Ernaast een foto van drie vrouwen met een hoofddoek, en daaronder de woorden ‘Gelovig of bang?’. Dat klinkt allemaal reuze prikkelend, maar wat Merle precies gaat betogen kan ik er niet uit opmaken. Hoog tijd om haar artikel goed te lezen, dus. Leest u mee?

Merle opent:

Eén van de meest vermoeiende vragen die je als vrouw gesteld kan worden is of je een feministe bent.

Door hier de tweede persoon enkelvrouw te gebruiken doet ze alsof dit een ‘truth universally acknowledged’ is, maar dit lijkt me een persoonlijke kwestie.

Het is eigenlijk bijna onmogelijk om daar antwoord op te geven, aangezien het tegenwoordig volkomen onduidelijk is wat er met ‘feminisme’ bedoeld wordt.

Het feminisme is nooit een eenduidig iets geweest, om de simpele reden dat vrouwen allemaal verschillend zijn (verrassond!). Dat betekent echter niet dat ‘feminisme’ een onduidelijk begrip is. Zelfs de bepaald niet obscure Engelstalige Wikipedia-pagina over feminisme definieert het vrij helder: ‘Feminism is a collection of movements and ideologies aimed at defining, establishing, and defending equal political, economic, cultural, and social rights for women. This includes seeking to establish equal opportunities for women in education and employment. A feminist advocates or supports the rights and equality of women.’ De meeste moderne feministen die ik ken vatten dit als volgt samen: ‘Feminism is the radical notion that women are people’. Dit alles is geen rocket science.

Aan alles kan wel een feministische draai worden gegeven.

No shit, Sherlock!

En dat gebeurt dan ook. Fulltime werken is feminisme, maar de keuzevrijheid om parttime te werken ook. Kiezen voor het dragen van een hoofddoek is feminisme. Alles net zoals mannen willen doen is feminisme. Alles anders dan mannen willen doen is feminisme. Vrouwelijke premier willen worden is feminisme. In je blootje in een videoclip provocatief op een sloopbal rondslingeren is feminisme.

Hier spant Merle het paard achter de wagen. Geen van de voorbeelden die ze geeft zijn feminisme. Het feminisme schrijft immers niet voor wat een vrouw met haar leven moet doen, het gaat erom dat ze kan doen wat zij zelf verkiest in een maatschappij waar er gelijke kansen en rechten zijn voor alle seksen.

Kortom, het feminisme is van militante gelijksideologie ontaard tot een vage, inhoudsloze modekreet die te pas en onpas gebruikt wordt en vooral niks meer durft uit te sluiten.

Hier moest ik om lachen. Eerst negeert Merle vrij opzichtig dat feminisme best helder gedefinieerd is (of ze kan niet googelen, dat kan ook). Vervolgens gaat ze zelf een definitie invullen met uiteenlopende en tegenstrijdige zaken die geen feminisme zijn, maar individuele levenskeuzes. Dat zij hierna het feministisch spoor een beetje bijster is, snap ik best. Wat kritisch zelfonderzoek was misschien op zijn plaats geweest, zo van: ‘Hé, misschien moet ik eens wat gaan lezen over wat feminisme precies is.’ Helaas blijft dit uit. In plaats daarvan maakt ze het zojuist door haarzelf veroorzaakte onbegrip tot een algemeen geldige regel, en concludeert ze dat feminisme een ‘vage, inhoudsloze modekreet’ is.

Het feminisme van de 21ste eeuw is opportunistisch en relativistisch. Het is een feminisme op wieltjes: je kunt er alle kanten mee op.

Dit is een raadselachtig stukje alineagebeuren. Dat feminisme opportunistisch en relativistisch is, klinkt stevig – en doet het vast goed onder de usual feminismehaters – maar Merle vertelt niet waarom dat dan zo is. Voorbeelden ontbreken. Ik heb ook geen idee wat die arme wieltjes er mee te maken hebben.

Dat het westers feminisme failliet is…

Dit volgt volgens Merle blijkbaar logischerwijs uit het voorgaande. Maar aangezien het voorgaande vooral over haar eigen onbegrip ging, lijkt deze stelling me voorbarig.

Dat het westers feminisme failliet is, blijkt niet alleen uit de dalende oplagecijfers van Opzij. Het blijkt ook uit een interview met de nieuwe hoofdredactrice van het feministisch maandblad in de Volkskrant van 15 augustus.

Het maandblad Opzij heeft een oplage van 35.000 stuks. Er wonen meer dan 400 miljoen vrouwen in de westerse wereld*. Dat maakt het een beetje gek om het al dan niet failliet zijn van het westers feminisme op te hangen aan de Opzij. De ‘hoofdredactrice’ Irene de Bel heette trouwens in het Volkskrant-stuk nog gewoon ‘hoofdredacteur’.
*) even voor de vuist weg, ik telde de populatie van de EU, de VS, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland bij elkaar op en deelde die door twee.

Toegegeven, de vraagstelling [van dat interview met Irene de Bel, neem ik aan – AtB] was nogal zwart-wit, maar zelfs de meest karikaturale stellingen zouden toch niet moeten leiden tot een situatie waarin het dragen van de hoofddoek in West-Europa als symbool van westerse vrijheid wordt verdedigd, terwijl roze meisjes-Lego als voorbeeld van onderdrukking (want rolbevestigend) wordt beschouwd.

Ho, huh, wat? Oké, deze zin doen we even stukje voor stukje. Laten we beginnen bij ‘het dragen van de hoofdddoek in West-Europa [die] als symbool van westerse vrijheid wordt verdedigd’. Aangezien Merle net over het Volkskrant-interview met Irene de Bel sprak, neem ik aan dat ze hier reageert op deze passage:

Vraag van de Volkskrant (Evelien van Veen deed het interview): ‘De hoofddoek: symbool van onderdrukking of van individuele vrijheid?’
Antwoord van Irene de Bel: ‘Hier in Nederland: van individuele vrijheid. In Afghanistan is het wat anders, maar hier moeten jonge moslima’s zelf de keus kunnen maken. Het is net als mijn korte rokjes in mijn Cobouw-tijd: met de vooroordelen eromheen kun je je voordeel doen.’

Merle vat dit op alsof Irene de Bel hier het hoofddoekje verdedigt als symbool van westerse vrijheid. Maar dat is niet wat hier staat. De Bel zegt dat ze vindt dat hier jonge moslima’s ‘zelf de keus moeten kunnen maken’. Dat is een mening of wens over de keuzevrijheid van deze vrouwen, geen verdediging van een bepaald soort kledingstuk. Terug naar onze raadselachtige zin.

…waarin het dragen van de hoofddoek in West-Europa als symbool van westerse vrijheid wordt verdedigd, terwijl roze meisjes-Lego als voorbeeld van onderdrukking (want rolbevestigend) wordt beschouwd.

Dit gaat over deze uitspraak van De Bel:

‘[De emancipatie is] bijna voltooid. Na duizenden jaren ongelijkheid hebben we op papier gelijke rechten. Als de mannen nu nog een dag minder gaan werken, zijn we zo goed als klaar. Wat me wel zorgen baart, is het alledaags seksisme. Al dat rolbevestigende speelgoed, roze voor de meisjes, blauw voor de jongens – wat dat betreft gaan we erop achteruit. Vroeger was de lego toch veel meer uniseks?’

Niet een uitspraak waar ik zelf happy mee was, vooral omdat De Bel het klaar-zijn van het feminisme hier volkomen beredeneerd vanuit het perspectief van de witte, heteroseksuele, cis middenklasse vrouw. Daarmee ontkent ze een groot deel van de huidige feministische bewegingen, die zich onder andere inspannen op het kruispunt tussen seksisme en racisme, transfobie en homofobie, die strijden tegen seksueel en huiselijk geweld, tegen huwelijksdwang, tegen geïnstitutionaliseerde vrouwenverminking, of voor meer vrijheid op het gebied van uiterlijk, seks en gender. Dat gezegd hebbende, zegt De Bel hier niet dat roze meisjes-Lego een voorbeeld is van onderdrukking. Ze plaatst dit nadrukkelijk in de categorie ‘alledaags seksisme’, en gebruikt Lego om te benoemen dat we op dit gebied achteruit emanciperen. Wat gewoon een feitelijk juiste uitspraak is.

Er schuilt toch wel wat meer culturele dwang en seksisme in de traditie waaruit de hoofddoek voortkomt dan in een geëmancipeerde vrijemarkteconomie die ouders en kinderen heel veel keuzemogelijkheden biedt op het gebied van speelgoed.

Drie dingen. Ten eerste was het feminisme nooit een wedstrijd. Het is vrij zinloos om een ranglijst aan te leggen over welke vorm van seksisme of culturele dwang erger is. Al was het maar omdat dit zeer persoonlijk is. Willekeurig voorbeeld: een cis meisje uit een streng gelovig islamitisch gezin zal last hebben van andere vormen van dwang en seksisme dan een trans meisje uit een atheïstisch gezin. Wie het zwaarder heeft, is een volstrekt zinloze vraag. Bovendien suggereert zo’n hiërarchie dat de ene vorm van dwang of seksisme wel opgelost moet worden, en de andere de moeite niet waard is. Alsof artsen alleen nog kanker zouden moeten genezen, maar hun neus dienen op te halen voor versleten kniegewrichten.
Ten tweede: die vrijemarkteconomie voorstellen als een geëmancipeerde bedoening waarin heel veel keuzemogelijkheden zijn, is een wel heel, ehm, interessante voorstelling van de werkelijkheid (bezoek mijn seksismemuseum om te zien hoe het wel zit).
Ten derde: waar komt die tegenstelling tussen hoofddoek en vrijemarkteconomie vandaan? Sinds wanneer zijn Nederlandse moslimvrouwen geen onderdeel van die vrijemarkteconomie? Of, nu we het er toch over hebben, van het westers feminisme?

Traditionele rolpatronen bestaan ook in de westerse cultuur, maar in tegenstelling tot de meeste niet-westerse culturen, bestaat er in het Westen, meer dan waar dan ook, de vrijheid en de ruimte om je niks van die rolpatronen aan te trekken zonder daar zeer nadelige gevolgen van te ondervinden.

Zeg dat maar tegen mensen die niet aan die rolpatronen en gendernormen voldoen. Zoals het trans meisje Rachel Pepe, die niet naar het Amerikaanse school mag, tenzij ze zich weer als jongen gaat kleden. Of tegen de jongen die niet naar school mocht met zijn My Little Pony-rugzak Of tegen de mannen en vrouwen die slachtoffer werden van het toegenomen anti-homogeweld in Amsterdam*. Of tegen de homoseksuele, lesbische, biseksuele of transgender tieners die op Nederlandse scholen worden gepest, niet zichzelf kunnen zijn, vaker depressief zijn en vaker een zelfmoordpoging doen.
*) De meerderheid (61,8%) van de plegers heeft alleen de Nederlandse identiteit, blijkt uit dit rapport. Een minderheid heeft (ook of alleen) een Surinaams, Turks, Marokkaans, Duits of Roemeens paspoort.

Dat maakt de verdediging van de hoofddoek en de aanval op roze Lego des te absurder: er wordt dwang geconstateerd waar die niet bestaat, en daar waar het risico op vrouwenonderdrukking het grootst is, is er vooral sprake van ‘keuzevrijheid’.

Een verdediging die niet plaatsvond, een aanval die in feite een voorbeeld is van een objectief waarneembaar fenomeen, een hiërarchie in onderdrukking die eigenlijk zinloos is – moving on….

De aanname dat de keuze voor een hoofddoek in de westerse wereld altijd plaats vindt in een situatie van volkome[n] vrijheid is buitengewoon slordig en gemakzuchtig.

Merle betoogt hier, en in de alinea’s hierna, dat het helemaal niet gezegd is dat moslimvrouwen wel allemaal in alle vrijheid voor of tegen een hoofddoek kunnen beslissen. Daar heeft ze natuurlijk helemaal gelijk in. Het is alleen een gek onderdeel van haar betoog tegen het moderne feminisme, want ik ken geen feminist die dit ontkent. Elke feminist die ik ooit heb ontmoet keurt hoofddoekjesdwang af – inclusief Opzij-hoofdredacteur Irene de Bel, die immers stelde dat jonge moslima’s ‘zelf de keus moeten kunnen maken’.

(…) Maar laten we ons niet voor de gek houden en wegkijken wanneer er naast vrijheid, zeker ook sprake is van onderwerping.

Merle geeft hier geen voorbeeld van wegkijkerij. Ook in de voorgaande alinea’s, waarin ze uitweidde over welke vormen van hoofdoekdwang zij zich allemaal kon voorstellen, deed ze dat niet. Als die ‘westerse feministen’ op zo’n grote schaal zouden wegkijken wanneer vrouwen ergens toe gedwongen worden, dan zou het toch een koud kunstje moeten zijn om daar een citaatje of twee van op te duikelen. In plaats daarvan gaan we tijdreizen met Merle:

Het meest extreme voorbeeld van het selectief-radicaal, apologetische wegkijkfeminisme is Germain Greer, boegbeeld van de tweede feministische golf (…)

Juist, ja: de tweede feministische golf. Niets ten nadele van de tweede feministische golf – die heeft ons veel goeds gebracht en ik heb veel liefde en respect voor de feministen van deze generatie – maar we zijn ondertussen bezig met de vierde golf. Bovendien ging Merle toch het moderne westerse feminisme failliet verklaren, en niet het feminisme van dertig jaar geleden?

Dezelfde vrouw [Germaine Greer dus] die haar magnum opus begon met ‘vrouwen beseffen niet hoezeer mannen ze verachten’, zegt dertig jaar later in het vervolg op dat boek doodleuk dat het willen verbieden van vrouwenbesnijdenis een westerse poging is tot het uitroeien van een culturele identiteit.’

Ja, wat Greer daar zegt is absurd. En, net als het idee dat hoofddoekjesdwang prima is, is dit helemaal geen populaire houding binnen het hedendaagse feminisme, laat staan dat het mainstream is. Je moet een beweging niet beoordelen op zijn extremisten.

‘Als er een heel hoge prijs – zoals uitstoting, vernedering, laster en soms zelfs mishandeling – voor een bepaalde keuze betaald moet worden, zullen maar weinig vrouwen de moed hebben om die keuze te maken. Voor zeuren over speelgoed wordt per slot van rekening ook een veel lagere prijs betaald dan voor het bekritiseren van een religie die nog wel eens neigt naar fanatisme.’

De suggestie hier lijkt te zijn dat moderne, westerse feministen liever over speelgoed praten dan aan islamkritiek doen omdat ze laf zijn. Dit raakt aan het hardnekkige cliché dat je alleen een goede feminist kunt zijn als je voortdurend de islam bekritiseert (dat vind ik nou vermoeiend ;-)). Bovendien kan ik uit ervaring melden dat praten over speelgoedseksisme je komt te staan op een flinke porte laster, vernedering, alsmede immer gezellige doods- en verkrachtingsbedreigingen. Ik zou het leveren van kritiek op de gendernormen in de westerse cultuur dus niet zo snel de makkelijkste weg noemen ;-).

En ook andere moderne, westerse feministen kiezen niet bepaald de eenvoudigste weg met de laagste prijs. Ik denk aan de Nederlandse feministen van kleur die het lef hebben om kritiek te leveren op onderdrukkende elementen uit de islam of de cultuur van het land van hun ouders of grootouders, en dan ook nog energie hebben om het racisme binnen de Nederlandse samenleving (witte feministen incluis) aan de kaak te stellen (veel, veel kudos!). Of de LGBT-feministen die zich in een klimaat van onbegrip en afwijzing hard maken voor inclusiviteit en gendervrijheid (steun! liefde!). Of de sex positive feministen die opkomen voor een wereld waarin seks weer vooral gaat over vrijheid in plaats van over morele paniek (hou van jullie!). Of de feministen in de sekswerkbusiness die opkomen voor hun rechten, omdat hun werk ook gewoon werk is (zet hem op!). Of de onvermoeibare vrouwenrechtenstrijders die onderdrukking en verminking van en geweld tegen vrouwen steeds weer op de agenda zetten (applaus! <3!). Wat deze feministen gemeen hebben is dat ze volop deelnemen aan de moeilijke strijd voor die gelijke rechten en kansen voor vrouwen waar we het eerder over hadden.

Zo niet Merle. Zij kiest ervoor om vanaf de zijlijn kritiek te leveren op een fenomeen dat ze niet echt begrijpt, met argumenten die niet echt ergens op slaan en voorbeelden die niet echt iets zeggen over het hedendaagse feminisme. Dat is veel minder moeilijk, want eigenlijk heb je dan niks gezegd. Je bent nergens voor gaan staan, je hebt niet het risico genomen dat hoort bij het formuleren van een echt standpunt. Je hebt eigenlijk alleen gezegd: jullie zijn stom. Over vaag en inhoudsloos gesproken.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Iemand mag zich pas een feminist noemen als deze persoon niet alleen vindt dat er geen seksediscriminatie mag plaatsvinden, maar zich ook – in de eerste plaats – uitspreekt tegen misogyne praktijken die worden gerechtvaardigd met een beroep op culturele en religieuze tolerantie.’ Dat schreef rechtsfilosoof Machteld Zee vandaag in de Volkskrant.

Ze reageerde daarmee op mijn column. Daarin ergerde ik me aan mensen die menen dat alleen degenen die de islam bekritiseren en afwijzen het ware feminisme bedrijven. Die column maakte veel reacties los. Blogger Maja Mischke vroeg zich af of feminist tegenwoordig ‘vrouw in de war’ betekende. Joost Niemoller blogde over een krantenbericht van een moslima die uit het geloof was gestapt: ‘Kijk, Asha ten Broeke, dat is nu feminisme. Zelfbeschikking, door het afwerpen van de haatboeien van de islam die je tot slaafse broedkip hebben veroordeeld. Om martelaren uit te poepen.’ Hij voegde eraan toe: ‘Dit heldenverhaal is wat anders dan jouw domme getrut over wel of niet verantwoord speelgoed.’ Een punt dat overigens ook werd gemaakt door Zee – ‘Ruimte in de krant kan maar één keer worden volgepend, dus doe dat niet over een bartsmitfolder, maar over een ex-moslima die vertelt dat ze gedwongen werd een boerka te dragen’ – en Mischke: ‘Je hoeft je ook niet bezig te houden met het feit dat zoveel moslimmeisjes een dubbelleven moeten leiden om vrij te kunnen zijn en in allahsnaam dan maar een hoofddoek dragen, omdat ze anders letterlijk op hun donder krijgen van vaders, broers en neven. Of kapot geroddeld worden. Dat dubbelleven vol geheimen maakt ze ook nog eens extra kwetsbaar voor loverboys. Maar nee joh, meisjes die meer technisch onderwijs moeten volgen of juist niet met auto’s mogen spelen van Bart Smit, is waar jij je nu even mee bezighoudt. Net zo belangrijk.’

De drogreden die deze bloggers en opinieschrijvers gebruiken is vrij subtiel. Eerst maken ze alles wat er mis is met moslims en vrouwenrechten zo groot mogelijk. Zo schreef Zee in één adem over hoe Egypte, Marokko en Saoedi-Arabië het VN-Vrouwenverdrag ‘shariaproof’ hebben gemaakt, hoe (Nederlandse) dochters worden gedumpt in het land van herkomst, hoe (Nederlandse) vrouwen worden gedwongen een hoofddoek te dragen. Ze schreef over verborgen vrouwen, over islamitisch fundamentalisme, over boerkadraagsters en vrouwenbesnijdenis. Dit hele pakket komt vervolgens in de categorie ‘islamgerelateerde vrouwenhaat’ terecht. Mischke doet hetzelfde: loverboys, mishandeling, hoofddoekjes, het gaat allemaal in de grote pot.

Wat er mis is in onze eigen cultuur maken ze vervolgens zo klein mogelijk. ‘Asha ten Broeke maakt zich boos over rolpatronen die kinderen al worden opgelegd in Bart Smit-folders’, schrijft Zee. Alsof het probleem van westers seksisme zich beperkt tot een speelgoedcatalogus*, en er geen zaken bestaan als loonkloven, glazen plafonds, subtiele discriminatie, rape culture. Alsof transgenders en andere kinderen en volwassenen die qua gender niet keurig in de geïnstitutionaliseerde roze of blauwe hokjes passen het niet moeilijk hebben in onze samenleving.

Nadat islamitische vrouwenhaat is opgeblazen tot een probleem van internationale proporties en westers seksisme is teruggebracht tot een enkel lullig voorbeeld, wordt de vergelijking gemaakt. Verontwaardigd worden feministen op het matje geroepen: hoe kun je nu denken dat een Bart Smit-folder net zo erg is als islamistische misogynie? Het laatste is overduidelijk veel erger dan het eerste. En wie dat niet ziet, is geen echte feminist. Of in de war.

Door deze drogreden te gebruiken, wordt van feministen als ondergetekende een soort stropop gemaakt. Die stropop maakt een gevaarlijk soort onderscheid in subtypen vrouwenhaat. Westerse vrouwenhaat wordt zonder meer veroordeeld, zeggen ze, maar moslims krijgen een politiek correcte vrijgeleide, want de stropop is bang voor een cultureel conflict.

Ik ben niet die stropop, en het is tijd om haar neer te halen. De beste manier lijkt me door nog eenmaal uit te leggen wat mijn mening dan wel is.

Om te beginnen: ja, er gebeuren vreselijke dingen in veel landen waar moslims in de meerderheid zijn of waar islamisten aan de macht zijn. Er worden vele gruwelijke daden begaan met een beroep op de Koran en andere heilige geschriften. Het is afschuwelijk dat er landen zijn waar je als vrouw in de gevangenis kunt belanden omdat je verkracht bent maar van (illegaal) overspel wordt beticht (zei ik al eerder). Het is afschuwelijk dat er piepjonge meisjes worden uitgehuwelijkt aan verkrachtende schurken. Er is geen excuus voor vrouwenbesnijdenis (zoals ik al eerder schreef). Hierover verschillen Zee, Mischke en zelfs Niemoller en ik bij mijn weten niet met elkaar van mening.

Waar we wel over van mening verschillen, is hoe je daar het beste op kunt reageren. Ik geloof tot in het diepste van mijn hart dat het niet juist is om te roepen hoe achterlijk de islam is of alles wat met deze godsdienst te maken heeft categorisch af te wijzen. Of, zoals Niemoller doet, te suggereren dat de enige manier waarop een vrouw bevrijd kan worden is door haar geloof de rug toe te keren.

Ik word ontzettend ongemakkelijk van deze reactie, omdat het eigenlijk alleen maar tot islamhaat kan leiden. Bovendien riekt het naar neokolonialisme en een soort morele white supremacy en dat wij witte feministen (m/v) jullie arme moslima’s wel even zullen vertellen hoe jullie jezelf behoren te bevrijden. (Lees vooral ook even het artikel ‘Those poor muslim women’ over dit punt)

Deze houding impliceert dat de vrouwen die in islamitische landen (en daarbuiten) strijden voor hun rechten niet zelf kunnen nadenken over de manier waarop dat moet of hoe het beter kan. Of dat het ondenkbaar is dat deze vrouwen tot de conclusie komen dat ze hun geloof liever behouden en hervormen dan weggooien. Zoals deze Indonesische homoman, die schrijft:

‘I’m trying to integrate religious values with my sexuality, because rejecting one for the other is like rejecting a large part of me. I have a need to love and be loved by other men, and I have a need to fulfill my spiritual beliefs. Both needs form the very part of me.’

Wat er volgens mij moet gebeuren is dat we – in plaats van zelf van alles te roeptoeteren over de islam – heel goed gaan luisteren naar wat moslimvrouwen zelf zeggen. In plaats van onze westerse en veelal geseculariseerde versie van vrouwen- en homo-emancipatie aan hen op te dringen, zouden we ze kunnen vragen: wat gebeurt er daar bij jullie? Hoe ervaren jullie dat? Welke verhalen moeten er verteld worden? Welke delen van jullie heilige geschriften bekritiseren jullie zelf? Kunnen we misschien iets voor jullie betekenen? Ongetwijfeld zullen deze emancipeerders niet met één mond spreken, het met elkaar oneens zijn, en misschien niet zeggen wat wij van vooraf hadden verwacht. Om uit het artikel ‘Those poor muslim women’ te citeren:

‘It would require more hard work from journalists and opinion writers. Things like reading about the history of women’s rights in each country. Talking to activists on the ground. Understanding that the hijab or “head-cover” is worn by many Muslim women out of choice and to those women who cannot choose to not wear it, it may not be the biggest hurdle facing them. That they, too, face problems with employment, education, access to health care, political participation and that all those issues may be bigger to them than the mere religious garments worn for piety — that they, too, would like to ‘have it all’.’

Ik ben van harte bereid tot ‘hard work’.

Maar! Maar ik vind dat we echt moeten ophouden om de last van het onrecht in deze buitenlanden op de schouders van alle Nederlandse moslims te plaatsen. Als een groepje islamitische geneeskundestudentes vragen heeft over het behandelen van de andere sekse, is het niet erg redelijk om ze in een soort van feministisch reflex de vrouwenhaat in sharia-landen voor de voeten te gooien. Laten we alsjeblieft een beetje nuchter blijven: zo snel verandert het hier nou ook weer niet in een Iran in de polder.

De denkfout die ik eerder noemde, ligt ook hier op de loer: dat elke islamgeïnspireerde vraag en elke twijfel meteen de last meekrijgt van alle vrouwenhaat die alle moslims overal ter wereld ooit is overkomen. Dit is niet fair. We moeten islamitisch seksisme in Nederland op zijn eigen merites beoordelen. Dat betekent dat we bij het horen over gescheiden gebedsruimtes of apart zitten tijdens een Balie-debat niet meteen gestenigde vrouwen en besneden clitorissen erbij halen, maar de toestand zoals hij in Nederland op dit moment is. Dat betekent niet dat we moeten wegkijken bij religieus getinte problemen, maar wel dat we ook in gedachten houden dat de meerderheid van de Europese moslims de democratische normen en waarden onderschrijft, en dat er onder immigranten al – zomaar zonder de bemoeienis van witte ‘echte’ feministen – flink geëmancipeerd wordt. Zoals professor Maurice Crul van de Vrije Universiteit zegt:

‘In de Turkse en Marokkaanse gemeenschap is ondertussen geen consensus meer op het gebied van man-vrouwverhoudingen. Hoogopgeleide tweede- en derdegeneratiejongeren nemen met grote stappen afstand van de traditionele opvattingen van hun ouders. Hun moeders zorgden voor de kinderen en waren financieel afhankelijk van hun man, maar de dochters hebben een goede opleiding gevolgd en verdienen hun eigen geld. Zij maken daadwerkelijk de emancipatie door.’

En daarmee komen we bij een belangrijk punt. Er is niet zoiets als ‘de islam’ of ‘de moslim’. En dus is er ook geen categorie die veroordeeld kan worden, tenzij je bereid bent om blind te varen op een religieus label dat voor de individuele gelovige veel verschillende dingen kan betekenen. Ik ben dat niet (en ik ben zeker niet de enige), omdat ik vind dat dit geen recht doet aan alle moslims die hun geloof op een tolerante, geëmancipeerde en vrijheidslievende manier beleven. Evenmin doet het recht aan het zelfbeschikkingsrecht van moslima’s, of aan de strijd van feministische moslimvrouwen om van binnenuit hun geloof, cultuur en wereld te hervormen.

Bovendien: het zou toch al te gek zijn om te strijden voor de bevrijding van de vrouw, en daarbij haar vrijheid om te geloven wat ze wil uit te sluiten. En het is al te dol om te pleiten voor recht op zelfbeschikking, en dan de keuze om je hoofd of lichaam te bedekken of gescheiden te bidden uit te sluiten.

Liever pleit ik voor een soort nuchter feminisme, dat iedereen in z’n waarde laat:

1. Dat vrouwenhaat wordt veroordeeld om wat het is – geweld, onderdrukking, discriminatie, achterstelling, enzovoorts –, en dus zonder een complete religie in al haar vormen en met al haar belijders af te keuren.

2. Dat alle vormen van seksisme worden bestreden: niet alleen de vormen die verbonden zijn met de islam, niet alleen de westerse. Gewoon alle.

3. Dat alle vrouwen de vrijheid hebben om zelf hun strijdperk te kiezen, zonder dat een kudde ‘echte feministen’ ze voorschrijft wat ze moeten doen. (Dus moslima’s bepalen zelf hoe ze emanciperen, en ik schrijf gewoon over Bart Smit-folders als ik dat wil. Dat zijn allemaal kanten van dezelfde vrijheid waar zo hard voor gevochten is, en waar we nog steeds voor vechten)

4. En dat we, als we het dan toch over ‘echt feminisme’ hebben, onze liefde voor de vrijheid van de vrouw inzetten om elkaar daarbij te steunen, in plaats elkaar de tent uit te vechten over de vraag wie de beste of echtste feminist is. We lijken wel een stelletje machokerels die zich alleen maar druk maken over wie de grootste heeft zeg. In vredesnaam.

 

* Op mijn website http://seksisme.tumblr.com/ verzamel ik voorbeelden van huis-, tuin- en keukenseksisme. Het idee is blijkbaar ontstaan dat ik dat doe omdat ik denk dat een enkele Bart Smit-folder vrouwen onderdrukt, of zoiets. Niets is minder waar. Het hele punt van deze fotoblog was om te laten zien dat er stereotypen zijn die voortdurend op allerlei in principe best gezellig en onschuldig ogende micro-manieren worden benadrukt: dat hij stoer en ambitieus is, en zij mooi, sexy en zorgzaam. Zo worden mannen en vrouwen er de hele dag aan herinnerd wat hun ‘rol’ is. Het is een soort bloeden uit duizend kleine wondjes.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Nou ben ik niet zo van in de verdediging schieten, maar als een emeritus hoogleraar je in je eigen krant seksisme verwijt, moet er wel even iets gebeuren.

Vandaag schreef Louis Tavecchio – een bekend voorvechter van de onmisbare biologische vader – in een brief in de Volkskrant dat ik ‘je reinste seksisme’ had bedreven. Ik had namelijk in de bijlage Vonk van 12 oktober geschreven dat, en ik citeer het even zoals Tavecchio dat deed in de krant van vandaag: “Het punt is dus niet dat vaders unieke talenten hebben op ouderschapsvlak, of (en nu komt het, LT) de juiste vaardigheden missen om te ‘moederen’. Het punt is dat ze het gewoon niet dóén als er ook een mama in de buurt is.”

Steen des aanstoots was het woord ‘moederen’, dat ik natuurlijk bewust tussen aanhalingstekens had gezet, want met ironie enzo, maar dat ontging Tavecchio, want hij concludeert uit mijn tongue-in-cheek-opmerking dat “papa dus vooral een goede ouders is als hij ‘moedert’. Met andere woorden als hij zich gedraagt en doet zoals mama. Beste Asha, dat is nu je reinste seksisme!”

Afgezien van het feit dat ik denk dat Tavecchio aan zijn gevoel voor ironie moet werken, wil ik hier nog wel iets over zeggen, en ook over de ‘forse methodologische tekortkomingen’ die hij ziet in de studie van Biblarz en Stacey waar ik in mijn stuk uitgebreid aandacht aan besteed.

Ten eerste: vind ik dat vaders alleen cool en oké zijn als ze zich net zo gedragen als een moeder? Nou, nee. Ik mijn artikel stel ik vast dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat vaders op een andere manier met hun kinderen omgaan dan moeders. Ze verzorgen gemiddeld minder, en stoeien, spelen en onderwijzen meer. Hierover zijn Tavecchio en ik het bij mijn weten eens.

Maar over de reden waarom dit zo is, verschillen we van mening. Tavecchio zit aan de ‘nature’-kant van het debat: vaders vervullen binnen het gezin van nature een andere rol dan moeders. Dit is wat hen zo onmisbaar maakt: zonder vader zou deze rol immers onvervuld blijven, en missen kinderen een deel van hun opvoeding.

Ik twijfel hieraan. Dat doe ik bijvoorbeeld op basis van meer algemeen onderzoek naar genderverschillen: daaruit blijkt consequent dat mannen en vrouwen meer op elkaar lijken dan dat ze verschillen (zie de meta-analyse van Janet Shibley Hyde, pdf), en dat de seksen allerminst uiteenvallen in twee soorten, één van Mars, en de ander van Venus, die er compleet andere karakters en gedragspatronen op na houden (zie deze studie van de Universiteit van Rochester, pdf). Dus als mannen en vrouwen zo zeer op elkaar lijken, waarom zouden vaders en moeders dan wel van andere planeten komen? Ik denk dat ouders eerder reageren op stereotypen (zij is zorgzaam, hij is stoer), en op het seksisme dat zo welig tiert in onze samenleving (denk aan dat de babyverschoonplek altijd in het damestoilet is, en dat soort dingen).

Vervolgens ben ik voor mijn Vonk-artikel op zoek gegaan naar onderzoek waarin vaders en moeders werden vergeleken, niet zozeer op hun verzorgingsgedrag – dat verschilt immers, om nature- danwel nurture-redenen – maar in basisvaardigheden, in aanleg. En natuurlijk naar de vraag of vaders zou echt onmisbaar zijn: gaat het met vaderloze kinderen echt zoveel slechter?

Er is hier veel onderzoek naar gedaan, dat onder andere Tavecchio en zijn beschermelinge Irene Zwaan met graagte aanhalen. Het probleem met veel van dit onderzoek is – zoals ik in mijn artikel schreef – dat vaak intacte gezinnen (vader, moeder, kindjes) worden vergeleken met gezinnen met een alleenstaande moeder aan het hoofd. Díé vergelijking is niet eerlijk, want alleenstaande moeder-gezinnen verschillen in veel meer dan alleen de aan- of afwezigheid van een vader van papa-mama-kindjes-gezinnen.

Onderzoekers Biblarz en Stacey proberen in hun review (pdf) dit enorme methodologische probleem te omzeilen door bijvoorbeeld intacte heterogezinnen te vergelijken met gezinnen bestaande uit twee lesbische moeders met kinderen. Dat is eerlijker, want dan is de aan- of afwezigheid van de vader zuiverder te onderzoeken.

Tavecchio schrijft in zijn brief in de Volkskrant dat deze review een ‘aantal forse methodologische tekortkomingen’ heeft. Hij specificeert die niet nader, maar ik weet wat ze zijn, omdat hij ze uiteen heeft gezet in een commentaar op de review van Biblarz en Stacey. Het eerste bezwaar komt het hierop neer: lesbische gezinnen betrekken vaak een man van buitenaf bij de opvoeding. Dit zou dan verklaren waarom Biblarz en Stacey vaststellen dat het met de kinderen van lesbische moeders niet slechter gaat dan met kinderen die opgroeien met een vader en een moeder.

Daar wil ik wel iets over zeggen. Zo blijkt dat idee dat lesbische moeders er een soort vaderfiguur bijregelen uit slechts één studie, een kwalitatieve onder zestig ouderparen ook nog, die bovendien niet ging over een daadwerkelijk vaderfiguur, maar om voornemens om een man bij de opvoeding te betrekken. En de lesbiennes hadden hierbij doorgaans ook geen echte vaderfiguur in gedachten, maar juist zeer diverse plannen met deze man. En daarnaast lijkt het erop dat de biologische vader dus blijkbaar toch niet onmisbaar is: je kunt er blijkbaar gewoon een willekeurige man bijhalen om de vaderrol te vervullen.

De rest van Tavecchio’s commentaar gaat over een aantal nogal specifieke details in de paper van Biblarz en Stacey die hij ontleent aan een commentaar van een andere onderzoeker, namelijk Lisa Strohschein van de Universiteit van Alberta. Hoewel deze methodologische punten vast erg van belang zijn voor wetenschapsbeoefenaars, is het voor de gewoone mensch vooral belangrijk om te weten dat Strohschein aan de hoofdconclusie van Biblarz en Stacey – dat kinderen het in een gezin met twee moeders even goed doen als in een gezin met een moeder en een vader, en dat vaders dus niet onmisbaar zijn – niets afdoet. Letterlijk schrijft ze, aan het begin van haar commentaar: “…there is sufficient empirical evidence to suggest that children are as likely to thrive in heterosexual parent households as they are in same-sex parent households.”

Kortom: de review van Biblarz en Stacey is niet perfect, maar het is qua aanpak en uitvoering een stuk beter dan de studies die meestal worden aangehaald (door onder meer Irene Zwaan en co) en die het wel en wee van kinderen van hetero-ouders vergelijkt met kinderen van alleenstaande moeders. Daarom noemde ik de review van Biblarz en Stacey het best beschikbare onderzoek op dit moment. En ook omdat een van de meest veelzeggende conclusies uit de review niet bekritiseerd wordt, door Tavecchio of door anderen. Ik doel op de conclusie dat alleenstaande vaders en moeders niet of nauwelijks van elkaar verschillen in hun invloed op hun kinderen. Zodra ouders (m/v) er alleen voor komen te staan, zo stellen Biblarz en Stacey, schakelen ze over op een soort androgyne opvoedstijl. Ze worden als het ware vader en moeder tegelijk.

Een hele belangrijke observatie, waaruit blijkt dat de rollen van vaders en moeders niet vastliggen, maar juist flexibel zijn als de situatie daarom vraagt. En dat wijst doorgaans weer op een meer cultureel/stereotiep dan ‘van nature zo bepaald’ patroon. En vandaar dus mijn conclusie: “Het punt is dus niet dat vaders unieke talenten hebben op ouderschapsvlak, of de juiste vaardigheden missen om te ‘moederen’. Het punt is dat ze het gewoon niet dóén als er ook een mama in de buurt is.” Met, let op, aanhalingstekens ;)

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Lieve collega-journalisten,

Het viel mij en enkele andere journalisten op dat diverse media niet weten hoe je over trans mannen en -vrouwen en andere genderidentiteiten schrijft. De Volkskrant berichtte een tijdje geleden bijvoorbeeld over het feit dat Bradley Manning nu als Chelsea door het leven gaat, maar duidde deze trans vrouw in het hele artikeltje aan als een ‘hij’. Het ging over ‘zijn veroordeling’, en ‘hij zou geen operatie willen ondergaan.’

Dit noopt mij tot een kort lesje transetiquette, waarvan ik hoop dat jullie, waarde collega’s, hem ter harte zullen nemen. Het is niet moeilijk, want er zijn maar een paar spelregels.

1. Hij/zij: Zodra iemand kond doet van zijn of haar transitie (‘Ola, mensen, ik mag dan als man bekend staan maar ik ben qua identiteit een vrouw’ – of vice versa) schakel je in je adressering en persoonlijk voornaamwoorden onmiddellijk over van de gender die bij de geboorte is toegewezen op de gender van iemands identiteit. Niet pas als hij of zij ‘de operatie’ heeft gehad. Of met een hormoonkeur is begonnen. Of als zijn of haar paspoortaanduiding heeft laten aanpassen. Gewoon, meteen, hopla. Zo simpel is het. Ook niet lollig doen met ‘zhij’, ‘het’, ‘she-male’ of aanhalingstekens – ‘vrouw’ – ofzo.

2. De naam: bij de transitie waar we het net over hadden, neemt iemand vaak ook een nieuwe naam aan. Gebruik vanaf dat moment dan dus ook gewoon die naam. Dat doen we tenslotte ook al eeuwen bij mensen die na het trouwen de achternaam van hun lief aannemen enzo, dus heel waanzinniggekmodernwow is het niet. Dus niet zo (looking at you, NOS): ‘Hoewel WikiLeaks garandeert dat de identiteit van klokkenluiders niet te achterhalen is, werd inlichtingenanalist Bradley Manning (die zich in 2013 Chelsea ging noemen) voor het lekken van de video en 260.000 diplomatieke telegrammen veroordeeld tot 35 jaar gevangenisstraf.’ Maar zo: ‘Inlichtingenanalist Chelsea Manning werd veroordeeld.’

3. Transgenders: Nog een eenvoudige: ‘trans’ en ‘transgender’ zijn bijvoeglijk naamwoorden, geen (onderdeel van) zelfstandig naamwoorden. Zeg dus niet, zoals Nu.nl deed: ‘Transgender kan geslacht op paspoort eenvoudiger wijzigen’, maar spreek van trans (spatie*) mannen/vrouwen/mensen of zeg: ‘iemand die trans is’ of ‘mensen die transgender zijn’. Of, als je echt in een revolutionaire bui bent, zet je het er gewoon helemaal niet bij. Het klinkt bizar, ik weet het, maar tenzij je schrijft over expliciet transgerelateerde zaken kán het gewoon, dat je bijvoorbeeld iets zegt over het strafrechtelijk wel en wee van mevrouw Chelsea Manning, zonder haar genderidentiteit te bespreken.
*) Jaahaa, ik weet wel dat het Groene Boekje stelt dat afleidingen met voorvoegsels van Latijnse of Griekse herkomst (coauteur, locoburgemeester, prodemocratisch, pseudokoper, quasiauthentiek, semiautomatisch, viceadmiraal) aan elkaar geschreven moeten worden. Maar doe die spatie nou toch maar: hier leest u waarom.

4. Trans zijn/worden: Stel, iemand die altijd bekend stond als man kondigt aan dat zij (ja, zij, ja) voortaan als vrouw door het leven gaat. Zeg dan niet dat zij een vrouw is gewórden, maar dat zij een vrouw ís. In de meeste gevallen weten trans mensen al heel lang – vaak van heel jongs af aan – dat hun gender niet overeenkomt met wat er op hun paspoort staat; het enige wat er voor hen veranderd is, is dat ze het nu wereldkundig hebben gemaakt. Op dezelfde fiets zijn trans mannen geen voormalige vrouwen en trans vrouwen geen voormalige mannen. We spreken immers ook niet over, zeg, Albert Verlinde als voormalig hetero, of wel soms? Precies. Jij vat ‘em.

5. Twijfelgevallen: Soms is het niet helemaal duidelijk in welk hokje iemand hoort. Neem bijvoorbeeld zangeres Conchita Wurst: is dat nu een vrouw met een baard of een man in een jurk? Bij drag queens is de algemene regel: zijn ze in drag of spreek je over hun werk als artiest, dan zijn ze een ‘zij’ en ‘mevrouw’. Zijn ze dat niet, dan ‘hij’ en ‘meneer’. Bij drag kings is dat logischerwijs hetzelfde maar dan precies andersom. Is iemand geen drag artiest maar non-binair, genderqueer, genderfluid of iets dergelijks? Blijf kalm, geen paniek! Ook daar is een oplossing voor: vraag gewoon even hoe iemand graag aangesproken en genoemd wil worden. Très easy.

6. ‘Normale mensen’: Soms bevind je je als journalist in de situatie dat je gaat schrijven over trans mensen en, nou ja, de rest van de mensen, dus stervelingen die niet trans zijn. Vaak noemen journalisten deze laatste groep dan ‘gewone mensen’ of ‘normale mensen’. Vriendelijk verzoek: onderdruk deze aanval van taalkundige armoede. Voor de groep niet-trans mensen is namelijk gewoon een woord: cis of cisgender. Cis komt uit het Latijn en betekent ‘aan dezelfde kant’ (dit in tegenstelling tot ‘trans’, wat ‘aan de andere kant’ betekent. Zie je de logica?).

7. Ombouwen: Deze laatste is echt een eitje. Gebruik nooit het woord ‘ombouwen’ om een geslachtsveranderende operatie aan te duiden. Een mens is geen badkamer. (Nee, echt, Fred? Ja, het is amazing, Mike!)

Dat was het. Makkelijk, hè? Kind kan de was doen. Bedankt voor uw aandacht :)

=

NB. Dit bericht is bewerkt op 20 juli 2014 (ik voegde regel 3 t/m 7 toe) en op 13 oktober 2016 (ik voegde regel 2 toe)

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Vegetariër hecht aan moreel gelijk’. Dat stond er boven het opiniestuk van Ronald Veldhuizen (overigens niet: mobiliteitsdeskundige bij de rijksoverheid, maar: wetenschapsjournalist en co-auteur van ons boek ‘Eet mij’) in de Volkskrant vandaag. In dat stuk moppert hij op enkele prominente niet-vleeseters onder ons, zoals Jaap Korteweg en Roos Vonk. Hij verwijt ze morele superioriteitsgevoelens, en schuldgevoelaanpraterij.

Hij opent met: ‘Nadat Mark Post afgelopen maandag de eerste kweekvleesburger met veel persaandacht presenteerde, zagen sommige vegetariërs hun kans schoon om het idee direct weer de grond in te boren. Want vlees blijft vlees, zeggen ze. Punt uit.’ Ergens tegen het eind legt hij deze vegetariërs in de mond dat ze vinden: ‘Kom in kamp vega, of ga je eens lekker schuldig zitten voelen.’

Deze vega’s zijn volgens deze lezing bepaald ongezellige mensen, die argumentloos tegen vleeschgebruik aanschoppen en daarbij vleeseters de zwarte piet willen toespelen. Bovendien zijn het bekeerlustige zeloten, want Veldhuizen schrijft: ‘Ze gooien daarmee de glazen van hun eigen missie in. Die missie luidt: we eten te veel vlees, en dat moet minder.’

Wat jammer is, is dat Veldhuizen het vegetarisme van zijn ‘tegenstanders’ lijkt te gebruiken om hun argumenten niet zo serieus te nemen (terwijl, bij mijn weten, het eten van geen-vlees geen invloed heeft op de kwaliteit van je argumenten). Zo omschrijft hij Jaap Korteweg van de Vegetarische Slager (dit is een man met een bedrijf dat van plantaardige vezels producten maakt die niet of nauwelijks van vlees te onderscheiden zijn) als: ‘stribbelt met vaagheden tegen. Als kweekvlees ooit hip wordt, kan hij natuurlijk inpakken. En dus weet hij nu al dat verder onderzoek naar kweekvlees het iet waard is. Het wordt nooit duurzaam, zegt hij terwijl hij zonder enig wetenschappelijk inzicht in een glazen bol kijkt.’

Dat is een nogal diskwalificerend stukje alineagebeuren van Veldhuizen, waarin Korteweg wordt weggezet als iemand die niet meer helder kan denken omdat hij zijn toekomstige vegawinst ziet verdampen. Dat is jammer, want Korteweg stelde wel degelijk een faire kritische vraag: wat is de meerwaarde van straks miljoeneninvesteringen in kweekvlees als er nu, op dit moment, een product is dat ook koeloos naar echte hamburger smaakt? Een zeer betaalbaar product ook nog, want waar de kweekvleesburger ettelijke tonnen kostte, koop je deze MC2-burger voor 2,59 euro per verpakking van twee stuks. Gewoon, vandaag al. Hoewel Veldhuizen hier verder niet op in ging, is deze vraag het waard om serieus genomen te worden. Waarom veel geld uitgeven aan een goedsmakend alternatief voor vlees-van-de-koe, terwijl dat alternatief al bestaat? Hebben we niets beters te doen?

Er zijn natuurlijk ook wel argumenten te noemen vóór het ontwikkelen van kweekvlees. Dat het onverstandig is om bij het verminderen van ‘s werelds vleesconsumptie alleen in te zetten op hoogwaardige plantaardige alternatieven, bijvoorbeeld, omdat juist het feit dat deze nu al verkrijgbaar zijn laten zien dat vleesminnende mensen niet bereid zijn om en masse over te stappen. Wellicht zijn mensen zo gehecht aan het idee van ‘echt vlees’ – zoals Veldhuizen ook schrijft: ‘Vlees is gewoon erg lekker’ – dat ze die ‘sojameuk’ gewoon niet willen bikken. Daar zou je dan weer tegenin kunnen brengen dat dit misschien deels ook met beschikbaarheid en prijs te maken heeft: de producten van de Vegetarische Slager zijn beperkt verkrijgbaar, en moeten het bovendien zonder de uitermate royale EU-subsidies stellen die de vleesindustrie wel krijgt en lijken in het supermarktschap dus relatief duur. Waarop je je vervolgens zou kunnen afvragen of het ethisch wel juist is dat wij als belastingbetalers, vega’s en vleeseters gelijk, bijdragen aan een bio-industrie waarin in de woorden van Veldhuizen ‘rampzalig veel dieren lijden’.

Hoe dan ook: er zijn dus rationele argumenten uit te wisselen, en Korteweg is niet de raaskallende winstsmurf die Veldhuizen van hem maakt, wilde ik maar zeggen.

Vervolgens voert Veldhuizen hoogleraar sociaal psychologie Roos Vonk op. Zij is één van Neerlands meest prominente vegetariërs, dus dat lijkt me terecht. Op twitter refereert ze aan het eigen onderzoek naar de psyche van vleeseters, en naar een webpagina (http://www.roosvonk.nl/vlees) waarin ze deze studies en ook correspondentie met mede-psychologen over dit onderwerp bespreekt. Met literatuurverwijzingen en al merkt ze op dat vlees eten in veel culturen – inclusief de onze – gekoppeld is aan rijkdom, macht en dominantie, en niet zozeer aan zaken als voedingswaarde. Ze geeft op deze webpagina ook een mogelijke evolutionaire verklaring: ‘evolutionair bekeken zou vlees met name mannen een hogere status en mannelijkheid moeten verschaffen; een man die met een neergeschoten dier thuis komt is een ‘echte man’.’ Veldhuizen schrijft hier: ‘Dus wie weet bent u wel een machtsbeluste eikel. Deze freudiaanse analyse van vlees eten gaat me te ver. Vlees eten is niet goed voor de wereld, maar we doen het toch – dat klopt. Daar hoeft geen diepgaande psychologische motivatie onder te liggen.’

Hier wordt het onderzoek dat Vonk deed en aanhaalde weggehoond met een ‘het is freudiaans’ – wat overigens incorrect is: de analyse is vooral sociaal- en evolutiepsychologisch – en een simpel ‘het gaat me te ver’. Een wat bijzondere houding voor iemand die nog geen drie alinea’s eerder Korteweg nog een gebrek aan wetenschappelijk inzicht verweet. Van een wetenschapsjournalist verwacht ik toch net een tikkie meer: kritiek op de uitvoering van de aangehaalde studies misschien, of een weerlegging op basis van ander onderzoek.

Want in feite heeft Vonk hier best een interessant punt. Vlees eten is in onze cultuur blijkbaar een beslissing die een bepaalde emotiewaarde heeft. Het gaat niet alleen om het efficiënt en goedkoop binnenkrijgen van x hoeveelheden voedingsstoffen en calorieën; er zit meer bij. Een bepaald gevoel, een idee. Het simpele feit dat men een kweekvleesburger maakte onderstreept dit. Als het puur om voedingswaarde ging, dan hadden we immers net zo goed naar de vegetarische slager kunnen gaan voor een MC2-burger, en die vele tonnen aan onderzoeksgeld aan iets anders kunnen uitgeven.

Veldhuizen zet hier een overigens wel een alternatieve psychologische verklaring tegenover die best aannemelijk is. Hij denkt dat vlees eten niet zozeer populair is vanwege die emotiewaarde, maar omdat voor veel mensen geldt dat het eten van hamburgers, worstjes en kippetjes een gewoonte is. En ‘net als alle andere gewoontes doorbreek je die niet zomaar’.

Daarin heeft Veldhuizen uiteraard gelijk. Gewoontes zijn een soort psychologische superkracht, en vlees bij de maaltijd nemen is voor veel mensen inderdaad bijna een automatisme. Maar vervolgens verzuimt hij aan te stippen dat dit niet per definitie een argument in het voordeel van kweekvlees is. Immers: kweekvlees eten vereist ook een aanpassing van je gewoontes. Het mag er uitzien als gewoon vlees, en in de toekomst zal het vast ook zo smaken, maar veel mensen vinden het onderbuiktechnisch gezien ook een beetje griezelig, zo’n stukje labvlees. Het is niet zomaar gezegd dat vleeseters naadloos en zonder hun gewoonte te verbreken zullen overschakelen van gewoon vlees van de koe naar kweekvlees. Gezien de griezelfactor is de overstap van gewoon vlees naar vegavlees misschien zelfs wel kleiner: soja kennen we tenminste.

En dan is er nog dit: Veldhuizen beweert in zijn Volkskrant-stuk dat kweekvlees dierenleedvrij is (‘Dat er aan kweekvlees dierlijke cellen te pas komen – ook al is het zonder leed…’). En dat is simpelweg niet juist, als we het NRC Handelsblad-artikel mogen geloven, waarin vorige week stond uitgelegd hoe dat kweekvlees nou precies tot stand komt. Ik citeer gewoon even de hele passage:

Voor de ‘kweekburger’ zijn voorlopig nog levende dieren nodig. Vleeskwekers zullen steeds opnieuw spierstamcellen uit levende of geslachte runderen moeten winnen, omdat de cellen een beperkte levensduur hebben. Na ongeveer vijftig celdelingen zijn ze uitgeput en aan vervanging toe. Bovendien wordt voor de kweek van de spiercellen bloed van ongeboren kalveren gebruikt. Dit foetale runderbloed is een standaardingrediënt op het lab, omdat het belangrijke groeibevorderende eiwitten en hormonen bevat. De foetussen die als bron voor het bloed dienen worden uit de baarmoeder van de geslachte moederkoe gehaald, waarna hun bloed via een naald in het hart wordt afgetapt. Dit gebeurt terwijl de foetus nog leeft, zonder verdoving. Wetenschappers zijn naarstig op zoek naar diervriendelijkere alternatieven.

Er zijn dus genoeg praktische en ethische bezwaren tegen kweekvlees op te sommen die niets te maken hebben met die vermeende morele superioriteit van de vegetariërs waar Veldhuizen zich aan ergert. Het vega-vleesvraagstuk is complex, en kweekvlees is niet per se een oplossing. Laten we de zaak vooral van alle kanten blijven bekijken.

 

Naschrift 10 augustus 2013, 12:15 uur: Ronald Veldhuizen laat weten dat zijn stuk alleen maar over sommige vegetariërs gaat (dus niet over allemaal), en dat hij de kop boven zijn stuk – die een andere indruk wekt – niet onderschrijft. Ik heb bovenstaand stuk aangepast zodat hij wat beter Veldhuizens eigen standpunt weergeeft.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Je kunt nauwelijks een speelgoedwinkel of warenhuis binnenlopen, en daar zijn ze: de roze glitterprinsessen van Disney. Meestal Doornroosje, Sneeuwwitje en Assepoester, soms afgewisseld met zeemeermin Ariël of Belle (van het Beest). Wezenloos grijnzen de gebaljurkte dames je toe vanaf goedkoop ogende rugzakjes, drinkbekers, broodtrommels, pantoffels en dekbedovertrekken.

Voor Disney was dit een gouden greep. Elk jaar maakt de groothandelaar in tekenfilmtechnisch kindervertier vier miljard dollar winst op deze prinsessenparade. Ik heb daar moeite mee. Niet eens per se omdat ik Disney de miljarden niet gun, maar vooral om de volgende twee redenen:

a) omdat die prinsessen eigenlijk nooit iets betekenisvols doen behalve wachten tot de prins verliefd op ze wordt en ze nog lang en gelukkig en ambitieloos kunnen leven en

b) omdat alles bij die prinsessen draait om mooi zijn, en ik echt helemaal totaal niet wil dat mijn dochters als Grote Boodschap meekrijgen dat het in een vrouwenleven draait om schoonheid en jurken.

Bovendien: in het boek ‘Cinderella ate my daughter’ vertelt journalist Peggy Orenstein dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de nadruk die in de huidige meisjescultuur wordt gelegd op mooi en sexy zijn het risico verhoogt op eetstoornissen, depressie, een verstoord lichaamsbeeld en riskant seksueel gedrag. Ook al niet iets wat ik voor mijn dochters ambieer.

Vandaar dat ik enkele jaren geleden begonnen ben met het verzamelen van vrouwelijke helden en rolmodellen die feministisch gezien wel door de beugel kunnen. Omdat ze hun eigen boontjes doppen, avonturen beleven, onafhankelijk zijn en nog leuk ook. Bij deze een lijst van de beste films, series en boeken die ik tot nu toe verzamelde, als tegengif voor het wezenloze prinsessengeweld van Disney en co:

Prinses Slimmelein

Dit prentenboek van Babette Cole gaat over een prinses die moet trouwen, maar eigenlijk liever zou blijven samenwonen met haar verzameling levensgevaarlijke huisdieren. Er komen vrijers naar het kasteel, maar die laat ze onmogelijke opdrachten doen. Wanneer er een prins komt die de opdrachten wel kan voldoen – prins Lefgozer – verandert ze hem als beloning in een reuzenpad. Dat schrikt de rest van de vrijers zodanig af dat prinses Slimmelein tot haar grote genoegen ongestoord en ongehuwd haar leven voort kan zetten.

Wat Nijntje later worden wil

Nou is Nijntje niet direct een superheld, maar wat erg leuk is aan dit boekje is dat al Nijntjes vriendinnen niet-stereotype beroepen kiezen. Aagje wil graag mensen beter maken, dus wordt ze dokter (en geen verpleegster). En Nina vind reizen leuk dus Nina wordt piloot (en geen stewardess). En Nijntje, die houdt van boeken dus die wordt schrijver (en geen schrijfster).

Ik wil een cowboymeisje zijn

Prentenboek van Tony Ross, over een meisje dat niet braaf wil zijn, maar een cowboy. Nog een aanrader van Tony Ross is Ik wil het licht aan, over de Kleine Prinses die niet in het donker wil slapen omdat ze bang is voor spoken, en vervolgens het spook eigenhandig richting zolder jaagt.

Dora the Explorer

Oké, de manier waarop Dora probeert haar kijkertjes te laten meedoen en meedenken is voor een volwassene absoluut tenenkrommend irritant, maar ze gaat er wel mooi met haar kleine rugzakje op uit om vrienden te redden, dieren te helpen en de wereld te ontdekken. Wel oppassen met de latere seizoenen; daarin schijnt ze te ontdekken dat ze eigenlijk al die tijd een roze glitterprinses was en dat was nou juist even niet de bedoeling.

Pippi Langkous

De heldin aller heldinnen. Pippi is sterk (als haar paard moe is mag hij op haar rug), ze is zelfstandig (niet naar school, geen ouders in de buurt) en stoer (niet bang voor spoken en ze vangt ook nog boeven). Zowel de boeken van Astrid Lindgren als de oorspronkelijke televisieserie zijn zeer de moeite waard. De tekenfilms zijn aanzienlijk minder leuk, dus die zou ik gewoon overslaan.

Ponyo

Japanse animé van Hayao Miyazaki over Ponyo, de in eerste instantie visvormige dochter van een zeegodin en een onderwatertovenaar. Ponyo ontmoet een leuk jongetje – verder geen kleffe romance ofzo – en gebruikt haar toverkracht om zichzelf tegen de wil van haar vader te veranderen in een meisje. Dat leidt tot allerlei trammelant, waaronder een tsunami die heel Japan onder water zet. Uiteindelijk bemiddelt mama de zeegodin, mag Ponyo zelf kiezen of ze een meisje wil blijven en komt alles weer goed.

Mega Mindy

Eigenlijk de vrouwelijke Superman, maar dan in roze spandex in plaats van in blauw. Mega Mindy is net als Superman een superheld, erg sterk en stoer en met een afkeer van gemene boeven, hoewel ze in plaats van vliegen doet aan teleporteren. En net als Superman is ze in het dagelijks leven een ietwat sullig figuur, die dan ook totaal niet in aanmerking komt voor de affecties van de man waar ze op verliefd is: Toby. Die is namelijk tot over zijn oren verkikkerd op Mega Mindy. Afijn, een bekend verhaal, maar dan met een heldin in de hoofdrol.

Sneeuwwitje (1)

In de versie van Roald Dahl (geheel op rijm, altijd +1) steelt Sneeuwwitje de toverspiegel van haar boze stiefmoeder, om zo de voorspellende gaven van de spiegel te gebruiken om samen met zeven aan lager wal geraakte gokverslaafde dwergen stinkend rijk te worden bij het paardenrennen. Het verhaal staat onder meer in Rijmen en Verzen.

Sneeuwwitje (2)

En dan bedoel ik de film uit 2012, met Julia Roberts als boze stiefmoeder en Lily Colins als Sneeuwwitje. De boze stiefmoeder heeft het koninkrijk aan de bedelstaf gebracht met haar extravagante feestjes. Sneeuwwitje zit opgesloten in het kasteel. Op een dag ontsnapt ze en komt ze terecht bij de zeven struikrovende dwergen. Ze sluit zich bij hen aan, leert vechten, redt de prins (twee keer), alsmede het koninkrijk en haar vader de koning. Als slotakkoord voert ze de boze stiefmoeder haar eigen vergiftigde appel. Wel een beetje oppassen met niet-monsterbestendige kleine kinderen wegens soms enge wezens.

Brave

Prinses Merida, die de hele film rondrent met woeste rode haren en pijl en boog, vertikt het om met één van de drie slabakken van prinsen te trouwen die haar ouders voor haar hebben uitgezocht. Ze probeert op een boogschiettoernooi het recht op haar eigen hand te winnen, en als dat niet lukt betovert ze haar moeder. Die verandert toch nog vrij onverwacht in een beer, waarna de twee al probleemoplossend en jagend in het bos nader tot elkaar komen.

Mulan

Een wel geslaagde Disney-film. Eigenlijk is het tijd dat Mulan gaat trouwen, maar ze zet zichzelf voor schut bij de koppelaarster. Dan breekt ook nog een oorlog uit: de Hunnen bedreigen de grens met China en Mulans zieke vader wordt opgeroepen om in het leger te vechten. Dat vindt Mulan een rotidee, dus ze verkleedt zich als man en neem haar vaders plaats tussen de soldaten in. Dat doet ze goed: met een welgemikt kanonschot wint ze een belangrijke veldslag, en ze redt ook nog de prins en de keizer. Mulan wordt als held onthaald, niet in de laatste plaats door de inmiddels smoorverliefde prins. En daarná leefden ze nog lang en gelukkig.

Ronja de Roversdochter

Net als Pippi is Ronja de hoofdpersoon in een boek van Astrid Lindgren. Ronja woont in een grote roversburcht op de top van een berg. Tijdens een hevig onweer is de burcht door blikseminslag in tweeën gespleten, en aan de andere kant van de kloof, in de andere helft van de burcht, heeft een vijandige roverstroep zijn intrek genomen. Ronja raakt bevriend met het zoontje van die andere roverhoofdman, wat niet bepaald bevorderlijk is voor het humeur van haar woeste vader. Zij laat zich echter de wet niet voorschrijven en vertrekt met haar vriend naar een grot in het bos vol toverwezens: vogelheksen, aardmannen en dergelijke. Uiteindelijk komt alles goed tussen Ronja, haar vader en alle rovers, niet in de laatste plaats door kordaat optreden van haar ook al zeer onafhankelijke moeder, de roverhoofdvrouw.

Matilda

Briljant boek van Roald Dahl. Matilde is een meisje dat niet alleen ontzettend slim is, maar ook nog zekere toverkrachten blijkt te bezitten. Een en ander komt goed van pas omdat haar ouders niet al te snugger zijn en ook nog eens gemeen, en ze op school komt bij mevrouw Bulstronk, die voor de lol kinderen terroriseert. Ook de verfilming is trouwens ontzettend leuk.

Hasse Simonsdochter

Prachtig boek van Thea Beckman over een dwarse dochter die liever buiten door de rietlanden zwerft dan in een benauwd huis manden zit te vlechten. Op een kwade dag wordt ze bijna verkracht door loslopende huurlingen, maar gered door soldaat Jan van Schaffelaar, die prompt ter dood wordt veroordeeld. Ze redt hem van het schavot door met hem te trouwen, en vanaf dat moment leven ze samen. Wat overigens niet betekent dat ze nu een gehoorzame echtgenote is: ze jaagt haar eigen kostje bij elkaar en is al met al uiterst zelfredzaam.

Kinderen van moeder aarde

Trilogie van Thea Beckman. Na een wereldwijde kernoorlog zijn de Noordpool en Zuidpool ergens anders komen te liggen. In het huidige Groenland (in het boek: Thule) is het ijs gesmolten en een paradijselijk land ontstaan waar vrouwen de baas zijn. Het is een en al vredigheid: mensen eten geen vlees behalve van oude dieren, er zijn geen gevangenissen en de stoommachine hebben ze wel uitgevonden maar afgekeurd omdat hij zoveel vieze rook uitstootte. Dan komen de Badeners, vervelende mannetjes die het land willen koloniseren omdat hun eigen land nauwelijks grondstoffen heeft. Een verbeten strijd volgt, aangevoerd door ijzersterke vrouwen.

Buffy the Vampire Slayer

Klein, blond tienermeisje wordt uitverkoren om eigenhandig vampiers en demonen om zeep te helpen. Een taak die ze met verve op zich neemt, bijgestaan door haar vrienden, onder wie een vanaf seizoen twee uitermate bekwame heks. Ze verslaat onder andere een supervampier, een monster van Frankenstein, een boze godin en de oerbron van al het Kwaad. Ondertussen maakt ze grapjes en wordt ze zo nu en dan verliefd, zoals pubermeisjes dat doen. Extra pluspunt: de serie wordt vanaf seizoen vier ook nog eens heel lesbovriendelijk, wanneer twee vriendinnen van Buffy verkering krijgen en werkelijk niemand daar moeilijk over doet.

Hunger games-trilogie

De trilogie The Hunger Games van Suzanne Collins draait om de stoere puber Katniss Eberdeen. Ze woont in het land Panem, een toekomstig, post-apocalyptisch Amerika dat bestaat uit afgelegen districten die worden bestuurd vanuit de hoofdstad. Elk jaar worden uit elk district twee kinderen naar die hoofdstad gestuurd om daar op leven en dood te vechten in een soort ontzettend uit de klauwen gelopen reality-survival-show. Alleen de winnaar overleefd. In The Hunger Games is het showtime voor Katniss. Ze wint, en wel op zo’n manier dat ze een revolutie ontketend waarmee ze nog twee boeken zoet zijn.

Divergent-trilogie

In hetzelfde genre als The Hunger Games. De Divergent-trilogie van Veronica Roth speelt wederom in een post-apocalyptische Amerikaanse stad. Hier moeten alle pubers een factie kiezen waar ze bij willen horen. Die keuze wordt mede bepaald door een test die je vertelt waar je bij past. Hoofdpersoon Tris Prior blijkt echter voor verschillende facties geschikt, wat allerlei problemen oplevert. Het een leidt tot het ander, ze ontdekt een complot, er wordt hevig gevochten, maar uiteindelijk redt Tris de boel door helder te blijven nadenken en extreem dapper te zijn. Let op: deel drie van deze trilogie komt pas eind 2013 uit.

Delirium-trilogie

In Amerika hebben wetenschappers ‘ontdekt’ dat liefde eigenlijk een ziekte is, en nog eentje die kan worden genezen ook. Op de achttiende verjaardag krijgt iedereen een soort lobotomie-achtige hersenoperatie, waardoor niemand meer kan liefhebben. Uiteraard wordt de hoofdpersoon Lena voor haar achttiende verjaardag toch verliefd en wil ze de operatie niet meer. Ze probeert met haar geliefde te ontsnappen, wat half lukt, en raakt daarna betrokken bij het verzet dat het verder ook nogal onderdrukkende regime omver wil werpen.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.