Niet bang zijn is een privilege

Foto: Getty Images

Deze column stond op 10 februari 2017 in de Volkskrant

 

Er was een ballenbak met twaalf gillende kleuters voor nodig om Trump, Wilders, LePen en kornuiten uit mijn gedachten te verdrijven. Even was er in mijn hoofd geen plaats voor angstzaaiende volksmenners, maar enkel voor bekertjes ranja en zoekgeraakte schoenen. Langzaam voelde ik mijn schouders een paar centimeter zakken. Mijn armen en benen werden minder zwaar. De angstbal die al maanden in mijn buik zit, liet zich voor het eerst in lange tijd wat wegzuchten. De kleuters schreeuwden en deden een spelletje waarbij er iemand ‘krachten’ had om de anderen mee te bevrijden (of zoiets).

Ik zat aan de rand van de ballenbak, en ik dacht: ik zou me in dit kleine leven kunnen verstoppen. Dit zou vanaf nu mijn wereld kunnen zijn. Ik zou kunnen leren om zelf frambozenjam te maken, alleen mijn eigen dak kunnen repareren, en die hele politieke soepzooi kunnen laten voor wat het is. Ik zou me kunnen aansluiten bij het deel van de Nederlanders dat geen slapeloze nachten heeft over naderend onheil assorti, maar vrolijke Efteling-selfies maakt, en zich verheugt op de nieuwe verfilming van Beauty and the Beast. Het deel dat ook wel piekert, alleen niet over hoe waarschijnlijk een Derde Wereldoorlog is, maar over de aanschaf van een nieuwe lederen hoekbank.

Deze gedachte, de hele notie dat ik me zou kúnnen terugtrekken, is natuurlijk een privilege. Ik kan deze ideeën alleen koesteren omdat ik wit ben, geen moslim, evenmin joods, een Nederlands paspoort heb, en op papier kan doorgaan voor hetero omdat ik toevallig getrouwd ben met een man. Op dit moment knaagt er nog niemand superactief aan mijn mensenrechten – al is het natuurlijk wel balen dat ik een vrouw ben.

Het is ook balen dat ik, een paar uur na het verlaten van de ballenbak, alweer bevangen werd door allerlei lastige idealen die onverenigbaar zijn met ontsnappingsfantasieën, zoals solidariteit en een diepe behoefte aan rechtvaardigheid. In mijn hoofd hoor ik Martin Luther King: ‘In the end, we will remember not the words of our enemies, but the silence of our friends.’ En John Stuart Mill: ‘Bad men need nothing more to compass their ends, than that good men should look on and do nothing.’

Shit, denk ik dan: ik wil ook goed zijn. En geen stille vriend. Ik wil niet niets doen.

Het is een sentiment dat – getuige de massale demonstraties van de afgelopen werken – door velen gedeeld wordt. Maar soms ook heel opvallend niet. Zo kwam RTL-Z-presentator Roderick Veelo vorige week met een column: ‘Anti-Trump gekte grenst aan psychose’. Protesten tegen Trump beschreef hij als ‘haat’ en ‘hysterie’. Hij plaatste ‘voortdurend waarschuwen tegen Trump’ tegenover ‘helder zien’, alsof het een het ander uitsluit.

Nog een voorbeeld, dinsdag in deze krant. Redacteur en commentator Hans Wansink betoogde dat het populisme van Trump en kornuiten geen fascisme mag heten, en vond het daarbij nodig om satire over Trump ‘demonisering’ te noemen, wetenschappers te verwijten dat ze zich meer lieten leiden door ‘zorgen en angsten’ dan door ‘waarneembare verschijnselen’, en te stellen dat ‘politiek correcte media en wetenschappers’ fascisme ‘maar al te graag van stal halen’.

Nu zou Wansink nog best een punt kunnen hebben over de fijnere nuances van de exacte definitie van fascisme. Maar laat me als één van Neerlands meest politiek-correcte columnisten zeggen ik nooit – nóóit – ‘graag’ over fascisme schrijf. Ik zie het als bittere noodzaak. Liever zou ik jam maken.

Het bevreemd me soms dat mensen als Wansink en Veelo hun eigen standpunt niet extreem vinden. Ik vermoed dat ze zichzelf zien als het ‘gematigde midden’; een plek die momenteel overbevolkt wordt door met name witte mannen, die blijven doen alsof zij dé Stem der Rede vertegenwoordigen, alsof alleen zij de feiten in het snotje hebben, terwijl de lui die zich verzetten tegen Trump & co maar een irrationeel clubje zijn. Ze lijken te vergeten dat ook hun kijk op de gebeurtenissen gekleurd wordt door hun maatschappelijke positie. Ze vergeten dat hun privileges maken dat zij zaken als populisme en fascisme afstandelijk kunnen analyseren. Dat het een privilege is om de angst niet te voelen.

Ze zitten zonder buikpijn naast de ballenbak – terwijl de rest van de speeltuin in de fik staat, en de mensen die zij psychotisch, hysterisch en politiek-correct noemen uit alle macht de brand proberen te blussen – en realiseren zich niet wat een voorrecht dat is.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.