Een rechterlijke macht die verdachten wil vernederen is de weg kwijt

Foto: Freeimages.com/Lisa Ghaith

Deze column stond op 30 januari 2015 in de Volkskrant.

 

 

De laatste tijd heb ik het nogal moeilijk met de rechterlijke macht in Nederland. Het begon vorige week, met de derde aflevering van de EO-documentaireserie ‘Jojanneke in de prostitutie’. Daarin pleitte rechter Peter Lemaire voor een herinvoering van het pooierverbod. Het idee daarachter is, in Lemaires woorden, dat ‘je je als man niet met een prostituee mag bemoeien.’ Hij gaf ook wat voorbeelden van dingen die zijns inziens strafbaar moeten worden: dingen regelen voor een sekswerker, tickets kopen, geld ophalen of ‘protectie bieden, tussen aanhalingstekens’.

‘Zolang je je eigen kinderen niet in die branche wilt hebben…’, zei de rechter, wat duidelijk maakte dat het hem hier niet ging om een wetstechnisch puntje op de i dat door mindere goden over het hoofd gezien was, maar om zijn hoogstpersoonlijke morele oordeel over de seksindustrie. Dat ChristenUnie-Kamerlid Gert-Jan Segers de dag na de uitzending in een aanval van perfecte tweestemmigheid aanhaakte bij Lemaires uitspraak door een pooierverbiedende initiatiefwet aan te kondigen, maakte het zo mogelijk nog politieker. En dat vind ik dus lastig. Noem me een scherpslijper, maar ik ben best gehecht aan de scheiding der machten en de onpartijdigheid van rechters.

Ook het Openbaar Ministerie lag wat zwaar op de maag. Het had een onverkwikkelijke loverboy-zaak te pakken, waarin een 16-jarig meisje tegen betaling en volgens het OM onder dwang seks had met volwassen mannen. Er zijn tachtig gebruikte condooms gevonden, vol DNA-rijke kwakjes, die wellicht kunnen aantonen welke mannen aldaar clandestien zijn klaargekomen. Het OM wil deze mannen oppakken als verdachte.

Dat zal niet zachtzinnig gaan. Officier van justitie Van Kuppenveld kondigde aan dat mannen mogelijk ten overstaan van vrouw en kinderen gearresteerd zullen worden. ‘Dat een arrestatie gevolgen kan hebben voor huwelijk of relatie, daar zit ik niet mee. Deze mannen hadden tegen betaling seks met een minderjarige. Ik ga ze niet helpen om dat geheim te houden.’ Hoofdofficier Rasker voegde er in de Volkskrant nog aan toe dat ze juist vanwege de klanten de schijnwerpers vol op deze zaak zetten. ‘Met deze zaak willen we een vuist maken.’

En daar heb ik dus moeite mee, want sinds wanneer is het oké dat het OM een opsporingsonderzoek gebruikt om verdachten alvast wat te vernederen en te straffen? Sinds wanneer gaat het niet meer om waarheidsvinding, maar om vuisten maken? Noem me een punaisepoetser, maar ik ben tamelijk gesteld op het principe van ‘onschuldig tot het tegendeel bewezen is’. En ik kan me niet herinneren dat hier bij stond: ‘PS Behalve als iemand verdacht wordt van iets goors.’

Maar het ingewikkeldst was nog wel de rol van het meisje en de van mensenhandel verdachte loverboy Armin A. in deze zaak. Volgens A.’s advocaat heeft het meisje in eerste instantie verklaard dat het haar idee was en dat A. slechts met frisse tegenzin meeging voor de veiligheid. Pas na ‘indringende gesprekken’ met haar ouders verklaarde ze dat het A.’s idee was. Volgens Rasker komt dit doordat slachtoffers van loverboys nou eenmaal gehersenspoeld worden.

Hier zijn ruwweg twee scenario’s mogelijk. Of Rasker heeft gelijk, en dankzij de inzet van de ouders is het ware verhaal boven water gekomen. Of het meisje heeft na die indringende gesprekken precies gezegd wat iedereen wilde horen, zodat ze liefde en hulp zou krijgen, in plaats van misschien wel mede de schuld.

De stellige keuze van Rasker voor scenario één deed me denken aan een observatie van rechtspsychologen Henry Otgaar en Marko Jelicic, vorige week op hun blog: het lijkt zelden tot nooit bij het OM op te komen dat mensenhandelslachtoffers kunnen liegen. Sterker nog: het idee leeft dat inconsistente verklaringen juist een teken van betrouwbaarheid zijn, omdat het erop wijst dat in eerste instantie de herinneringen aan traumatische gebeurtenissen zijn verdrongen, en dat later het besef van de werkelijkheid is ingedaald. Dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat verdringing eigenlijk nooit plaatsvindt, heeft blijkbaar weinig indruk gemaakt. Dat studies aantonen de mate van consistentie weinig zegt over de betrouwbaarheid van een verklaring evenmin.

Het lijkt me dat die kennis ertoe zou moeten doen. Of kan het echt bestaan dat een vuistmakende hoofdofficier van justitie gewoon op grond van zijn overtuigingen kiest wat de waarheid is? Noem me een idealist, maar ik ben erg verknocht aan het idee van een onbevooroordeelde, apolitieke rechterlijke macht. Politici zijn er immers al genoeg. En er zijn goede redenen waarom we hen deze macht niet geven.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.
Laatste berichten in de categorie "Forensische psychologie":