Lezing: ‘Dun zijn is goed, dik zijn is slecht’

Foto: UConn Rudd Center for Food Policy & Obesity

Lezing gehouden aan het UMC Utrecht op 7 maart 2014.

 

39.0. Dat is mijn getal. Mijn BMI, om precies te zijn, want ik ben 1.64 en ik weeg momenteel ongeveer 105 kilo. Een familietrekje: zowel mijn vader als mijn moeder zijn zeer zwaarlijvig. We noemen onszelf hobbits.

39.0 is voor mij een uitermate belangrijk getal. Want het is niet alleen een – zeer ruwe – voorspeller van de gezondsheidsrisico’s, het bepaalt ook voor een belangrijk deel hoe ik behandeld word.

Een voorbeeld. Toen ik zwanger was van mijn oudste dochter, liet de verloskundige een aantal extra tests aanrukken. Zo wilde ze mijn bloedsuiker extra in de gaten houden, want dikke zwangeren hebben een groter risico op zwangerschapsdiabetes. Dat vond ik begrijpelijk, dus ik ging braaf naar de prikpost. Mijn bloedwaardes bleken – allemaal – uitstekend in orde. Maar de verloskundige was nog niet gerustgesteld. Ze stuurde me nogmaals naar de prikpost; wederom geen bijzonderheden. Ook dit was niet voldoende. Ik moest me ‘s ochtends in het ziekenhuis melden voor een test waarvoor ik – nog middenin mijn ochtendmisselijkheid – een halve liter suikersiroop moest drinken. Een half uur of een uur later gingen ze bloed prikken, om te kijken hoe mijn lichaam hierop had gereageerd.

Ik heb me nog nooit zo beroerd gevoeld. Daar zat ik op het bankje, tegen mezelf te herhalen als een soort mantra: ‘Niet overgeven, niet overgeven, niet overgeven.’ Want ja, dan zou ik de volgende dag moeten terugkomen om de hele ellende nog een keer te doen.

Ik gaf niet over. Mijn glucosetolerantie was precies zoals hij zou moeten zijn. In vijf weken tijd was ik van onder tot boven doorgemeten, en geen enkele dikkevrouwenkwaal bleek mijn zwangerschap te overschaduwen. Ik kwam zelfs nauwelijks in gewicht aan, want erwijl de baby prima groeide, kromp mijn achterwerk.

Het mocht niet baten. In mijn zestiende week meldde mijn verloskundige plompverloren dat ik niet thuis mocht bevallen. ‘Dat is protocol’, zei ze.

‘Maar dat wil ik juist zo graag’, zei ik.

‘Nee. Doen we niet.’

‘Waarom niet?’ vroeg ik. ‘Heb je een concrete reden om te denken dat het onveilig zou zijn voor mij of de baby?’

‘Nee. Maaar vanwege je gewicht moet dat toch’, zei ze.

‘Maar ik ben kerngezond! Maakt het dan niet uit dat ik kerngezond ben?’ vroeg ik.

‘Nee. Want kijk maar hier op het computerscherm. Je BMI is rood. Klaar. Had je maar je verantwoordelijkheid voor jou en je kind moeten nemen en moeten afvallen voordat je zwanger werd.’

Ik ging bijna in tranen weg. En dat kwam niet alleen door de zwangerschapshormonen. Mijn verloskundige, een expert, waar ik naar opkeek, had me net een onverantwoordelijke moeder genoemd. En mijn baby was nog niet eens geboren.

=

Dat is de macht van het getal. Bijna elke arts die ik heb bezocht rekent het uit op zijn computer. Vervolgens doen ze de aanname dat ik een ongezond leven leid. Geen enkele arts heeft me ooit gevraagd naar dat leven. Ze weten daarom niet dat ik twee keer per week 32 baantjes borstcrawl zwem. Of dat ik geen rijbewijs heb en dus alle boodschappen op de fiets doe. Of dat ik nooit frisdrank drink, alleen water. Ze weten niet dat ik jaren geleden meer dan 130 kilo woog en met bloed-, zweet- en tranen daar blijvend 30 af heb gekregen. Nee, wacht, dat is niet waar. Ik heb dat ooit uit eigen beweging aan één arts verteld, en die zei: ‘Nou, op naar de volgende 30 dan!’

Voor dunne mensen zijn de aannames anders. Ronald Veldhuizen, de co-auteur van mijn boek ‘Eet mij’, vertelt bijvoorbeeld dit verhaal:

“Wanneer ik bij een arts komt, neemt die op basis van mijn gewicht automatisch aan dat ik een gezond en sportief leven leid. Maar mijn enige sportieve activiteit bestaat uit een niet eens dagelijkse sprint naar de bus. Bewegen doe ik slechts uit pure noodzaak, bijvoorbeeld als ik naar de supermarkt moet om eten te halen. Zowel mijn werk – artikelen schrijven over wetenschap – als mijn andere grote hobby – films kijken – verricht ik zittend.”

“Bovendien ben ik opgegroeid met liefde voor snoepen. Omdat mijn vader erg van snoepen hield, waren de voorraadkasten in mijn jeugd altijd gevuld met dropjes, bastognekoeken, speculaas, chips en nootjes. In een poging om het gewicht van mijn vader en haar kinderen onder controle te houden, verstopte mijn moeder de lekkernijen soms. Ik wist ze altijd te vinden. Maar dik worden, ho maar.”

=

En ook buiten de spreekkamer gaat overgewicht gepaard met allerlei aannames en morele oordelen. Zo is dun zijn ‘goed’ en dik zijn niet.

Ik verzin dit trouwens niet zelf. Het staat op de website van het voedingscentrum.

Dit zag ik staan toen ik de lengte en het gewicht van mijn oudste dochter invulde.
‘24 kilo is goed voor iemand van 1 meter 24.’

Screenshot 2014-06-24 19.24.05

Was ze vier kilo zwaarder geweest, dan had er gestaan dat ze te zwaar was. En:
‘Zorg ervoor dat je niet te vaak iets tussendoor eet en neem niet te vaak frisdrank. Kijk hoe jij een klein stapje kunt maken.’

Op zich prima advies. Maar de boodschap is ook dat je je gewicht volledig zelf in de hand hebt. En de aanname is: wie te dik is, zal verkeerde keuzes hebben gemaakt. En nou zonder in detail in te gaan op de wetenschap achter de redenen waarom we dik worden, wil ik wel opmerken dat niemand er bewust voor kiest om maar lekker dik te worden. En dat uit tweelingenonderzoek blijkt dat gewicht voor zo’n 70 tot 80 procent – afhankelijk van de studie, natuurlijk – genetisch bepaald wordt. Dat is een fors hoger percentage dan bijvoorbeeld homoseksualiteit, dat voor 20 tot 50 procent in de genen zit. En daarvan denkt vrijwel niemand meer dat het zomaar te veranderen is.

Het beeld dat zwaarlijvig zijn een kwestie is van onverstandig gemaakte keuzes, zorgt wel voor nog meer morele oordelen.

Zoals deze, uit een discussie over de vraag of dikke mensen verplicht voor twee vliegtuigstoelen moeten gaan betalen, omdat ze met al hun kwabben en buiken de medepassagiers hinderen.

‘Over het algemeen is het een kwestie van keuze wanneer mensen te veel eten en te weinig bewegen. Een van de gevolgen is dat veel mensen te veel ruimte innemen in vliegtuigen. Zij zouden daar de kosten van moeten dragen, niet de andere reizigers.’

Dat idee van dik zijn als verwerpelijke keuze geeft mensen vervolgens een vrijbrief om ronduit hatelijk te doen over dikke mensen.

Een minder aardige bijdrage, van een blogger: ‘Ik haat het om naast een zwaarlijvig monsterlijk varken te moeten zitten die het heerlijk vindt om junkfood te vreten, en dan morst op mijn schoot.’

Een lezer van zijn blog reageert: ‘JA. Dikke mensen moeten gestraft worden … Wat ze mij ooit hebben misdaan, vraag je? Ze zijn vet geworden.’

En van hatelijk doen over dikke mensen is het nog maar een kleine stap naar hatelijk doen tégen dikke mensen. Ik voeg er wat van mijn eigen ervaring als dikke journalist aan toe, waarbij ik wil opmerken dat dit extreem lijkt, maar voor de meeste dikke vrouwen die ik ken en die regelmatig in de media verschijnen bijna wekelijkse realiteit is.

Screenshot 2014-06-24 19.24.20

Wat belangrijk is om te onthouden is niet dat deze mensen asociaal en onbeschoft zijn. Wat belangrijk is om te onthouden is dat deze mensen zich dezelfde stigma’s bedienen als zoveel anderen in onze samenleving: dikke mensen zijn lui, lelijk, ongezond, lopen de hele dag te eten, hadden niet genoeg wilskracht om zich te beheersen en zijn dus slap, et cetera.

Onderzoeker Rebecca Puhl van het Yale Rudd Center doet onderzoek naar deze stigma’s, en de psychosociale gevolgen ervan.

Ze verzamelde honderden verschillende studies naar de vooroordelen en stereotypen rond overgewicht, voor haar wetenschappelijke overzichtsartikel in het vakblad Obesity en haar boek, Weight Bias.

Al in de eerste alinea van de Obesity-paper valt te lezen dat discriminatie op basis van gewicht ondertussen vergelijkbaar is met discriminatie op basis van ras.

Puhl vervolgt: ‘Vooroordelen over gewicht vertalen zich in ongelijkheid op de werkvloer, in de zorg en in het onderwijs, meestal vanwege wijdverbreide negatieve stereotypen als het idee dat te zware mensen lui, ongemotiveerd, ongedisciplineerd, minder competent, onbuigzaam en slordig zijn. Deze stereotypen zijn veelvoorkomend in westerse samenlevingen en worden zelden betwist. Dat maakt obese individuen kwetsbaar voor sociale onrechtvaardigheid, oneerlijke behandeling en een verminderde kwaliteit van leven als gevolg van substantiële achterstelling en stigma.’

Oftewel: dikke mensen worden met regelmaat op hun kilo’s beoordeeld in plaats van op wie ze zijn. Ik geef even een korte bloemlezing van het beschikbare onderzoek, om een beeld te geven van wat die stigmatisering zoal inhoudt. De verwijzingen naar het onderzoek dat ik aanhaal staan allemaal in het boek ‘Eet mij’.

Het begint al op jonge leeftijd. Kinderen van drie jaar oud laten in experimenten zien dat ze al onderscheid maken tussen dikke en dunne mensen, en weten dat dik van deze twee opties de ongewenste toestand is. Die informatie wordt vervolgens op school genadeloos ingezet om zwaarlijvige klasgenootjes uit te sluiten en te pesten. Een Amerikaanse psycholoog ontdekte in zijn lab dat kinderen liever geen drankje willen drinken waarvan ze denken dat het klaargemaakt is door een dik kind. De reden: de associatie met overgewicht doet ze walgen.

Wanneer onderzoekers scholieren vragen om een lijstje te maken van de kinderen met wie ze het liefste spelen, eindigen obese jongens en meisjes steevast onderaan. Die achterhoedepositie behouden ze de rest van hun jeugd. Dikke kinderen krijgen later verkering – als dat al lukt – dan dunne. Een onderzoek onder 449 Amerikaanse studenten wees uit dat zij liever een relatie willen met iemand met een geslachtsziekte dan met iemand met obesitas.

Ook volwassenen doen een duit in het zakje. Uit onderzoek blijkt dat bijvoorbeeld gymleraren – gemiddeld genomen uiteraard – uitgesproken negatief aan te kijken tegen vetzuchtige leerlingen. Niet alleen hebben ze lagere verwachtingen van dikke kinderen, ze denken bovendien dat leerlingen met overgewicht minder sociale vaardigheden hebben, minder goed kunnen redeneren, fysiek minder sterk zijn en minder goed kunnen samenwerken. In Puhl’s boek Weight bias haalt een aantal volwassenen herinneringen op aan hun zwaarlijvige jeugd. ‘Toen ik klein was, was ik een keer niet op school omdat ik ziek was. De leraar die de presentielijst invulde noemde mijn naam en zei toen: “Zij is vast thuisgebleven om te eten.” De andere kinderen vertelden me dit de volgende dag.’ Een andere vrouw herinnert zich: ‘Ik zat in groep 8 en mijn leraar keek mijn schoonschrijfwerk na. Toen meldde ze aan de hele klas dat mijn handschrift net als ik was – “vet en gedrongen” (…) De pijn en vernedering die je dan ondergaat als onschuldig kind, raak je nooit meer kwijt.’

Dit is hoe we hier in Nederland op reageren. We weten dat overgewichtstigmatisering maakt dat zware kinderen minder zelfvertrouwen hebben en vaker gepest worden. Normaal gesproken helpen we gepeste kinderen in kanjertrainingen en dergelijke aan extra zelfliefde; alles wat ze helpt om sterker in hun schoenen te staan. Zo niet bij vetzuchtige kinderen. Bijvoorbeeld op de website van het Centrum voor Jeugd en Gezin wordt een alinea over minder eigenwaarde bij en pesten van kinderen met overgewicht direct gevolgd door leefstijladviezen, onder het kopje ‘De knop om?’. De boodschap: als je je rot voelt of gepest wordt omdat je dik bent, is dat jouw verantwoordelijkheid. Los het maar op door dun te worden.

=

Volwassenen doen het qua stigmatisering nauwelijks beter. Bijna een kwart van de dikke mensen zou liever depressief zijn dan veel te zwaar. Zestien procent zegt zelfs liever blind te zijn dan obees.

Op de werkvloer, waar iedereen geacht wordt zakelijk en professioneel met elkaar om te gaan, spelen overgewichtvooroordelen een grote rol. Een paar voorbeelden.

Uit verschillende Amerikaanse en Europese onderzoeken blijkt dat ongeveer een kwart van de te zware werknemers weleens te maken heeft gehad met daadwerkelijke discriminatie. Soms maakten ze vanwege hun postuur geen promotie of werden ze niet aangenomen voor een baan. Uit experimenten waarbij proefpersonen valse sollicitatiebrieven moesten beoordelen waarbij de sollicitanten in niets verschilden behalve in hun gewicht, bleek dat de beslissing om iemand aan te nemen voor 35 procent afhing van hoe zwaar iemand was: zelfs uiterst competente dikke mensen waren puur en alleen vanwege hun omvang aanzienlijk in het nadeel. Uit een Amerikaans onderzoek waar meer dan 10.000 jongvolwassenen zeven jaar werden gevolgd, bleek dat iemands gewicht beter voorspelde hoeveel iemand aan het eind van die periode verdiende dan iemands iq. Bovendien bleek een teveel aan gewicht soms reden te zijn voor ontslag, zelfs wanneer de werknemers in kwestie volgens de evaluaties van hun eigen bazen hun werk goed deden en dat een slanke lijn voor hun baan allesbehalve noodzakelijk was.

Wie denkt dat dit te maken heeft met de gezondheidsnadelen van overgewicht – werkgevers hebben liever niet iemand in dienst die vaak verzuimd – is er dit onderzoek. Wetenschapper Timothy A. Judge van de University of Florida bekeek de salarissen van meer dan 11.000 Duitse en meer dan 12.000 Amerikaanse werknemers. Een vrouw die zo’n tien kilo onder normaal gewicht zit – wat volgens de meeste onderzoeken meer gezondheidsrisico’s oplevert dan overgewicht – verdient van alle vrouwen het meest. Een vrouw met een gewoon gewicht – dus geen overgewicht – verdient in een vergelijkbare baan gemiddeld 15.572 dollar per jaar minder dan een magere vrouw. Wie tien kilo boven normaal gewicht zit, verdient zelfs 29.419 dollar minder dan haar superdunne collega’s. Een forse man, daarentegen, verdient meer dan 8000 méér dan een magere man. Dit gaat om schoonheidsidealen en stigma, niet om gezondheid.

=

En dan mensen die in de gezondheidszorg werken. Een grote meerderheid van hen ziet zwaarlijvigheid als eigen schuld. In een vragenlijstonderzoek onder 620 Amerikaanse huisartsen bleek dat meer dan de helft obese patiënten zag als vreemd, onaantrekkelijk, lelijk en ongehoorzaam. Een derde kruiste op de vragenlijst bovendien het hokje lui, morsig en ruggengraatloos aan bij de vraag welke eigenschappen ze van toepassing vonden op zwaarlijvige patiënten. Onder Franse huisartsen was het beeld even grim. Zo gaf zestig procent in een vergelijkbare studie aan dat, in weerwil van de wetenschappelijke kennis over obesitas en gewichtsverlies, dikke mensen vooral dik bleven doordat ze niet gemotiveerd genoeg waren.

En dat waren alleen nog maar de bewúste vooroordelen van artsen. Een onderzoek naar de onbewuste associaties van artsen die werken in het obesitasveld – en die, zoals ze zelf aangaven, weet hebben van de genetische component – liet zien dat de overgrote meerderheid van hen dikke mensen beoordeelde als lui, slecht en waardeloos.

Uit een Britse studie onder bijna vierhonderd verpleegkundigen bleek dat bijna zeven op de tien vond dat obesitas het gevolg is van persoonlijke keuzes op het gebied van voeding en bewegen. Enkele andere onderzoeken onder verpleegkundigen lieten zien dat meer dan eenderde van hen obese patiënten weerzinwekkend vond, en liever niet voor hen wilde zorgen.

Dit heeft gevolgen voor de zorg die iemand krijgt. Artsen, zo blijkt, besteden minder tijd aan hun vetzuchtige patiënten dan aan de slanke. Bovendien schrijven ze klachten vaak zonder nader onderzoek toe aan het overgewicht. Dat kan tot spectaculaire misdiagnoses leiden, zoals in het geval een zwaarlijvige man uit Londen die al jaren bij zijn arts liep met buikpijn. Ligt aan je gewicht, was de reactie. Na een decennium aandringen mocht hij eindelijk naar het ziekenhuis voor een scan. De chirurg verwijderde kort daarop een kwaadaardige tumor van meer dan twintig kilo.

Als de chirurg van deze man lijkt op de artsen uit de kleine maar veelzeggende studie van de arts Joseph Zarconi en collega’s, dan zullen ze zich behoorlijk vermaakt hebben met die operatie. In Zarconi’s onderzoek vertelden geneeskundestudenten dat van alle patiënten de extreem zwaarlijvige het vaakst onderwerp waren van denigrerende grappen onder artsen. Kinderen werden niet uitgezonderd, hoewel de grappen het ergst waren op de afdeling chirurgie en – dit wil eigenlijk geen enkele dikke vrouw weten – gynaecologie.

Een van de studenten vertelt hoe de aanwezige artsen en verpleegkundigen tijdens een operatie van een uitermate zware vrouw met het ‘vetschortspel’ speelden. Het vetschort is de flap buikvet die bij mensen die erg zwaar zijn zo ver naar beneden hangt dat hij de bovenbenen kan raken. Bij de operatie die de student beschreef – een baarmoederverwijdering – , zat deze hangbuik zodanig in de weg dat hij weggehaald moest worden. Als spel konden de artsen en verpleegkundigen wedden hoeveel het vetschort zou wegen; degene die het dichtst bij zat won de pot. Een andere student meldt dat in het ziekenhuis waar hij werkt het gebruikelijk is dat de groentjes op de afdeling wordt verteld dat je onder de vetflappen van oudere vrouwen van alles gevonden kan worden, en dat in het verleden iemand er weleens een koekje of een afstandsbediening heeft ontdekt.

De studenten en de artsen rechtvaardigen deze grappen door te benadrukken dat het overtollige gewicht van dikke patiënten hun eigen schuld is, concludeert Zarconi. Hij citeert een van de studenten: ‘Obesitas is zonder twijfel een gezondheidsrisico. Dus nemen we aan dat het hun eigen fout is als ze iets hebben, in tegenstelling tot een mager iemand die, zeg, diabetes krijgt.’ Een andere student voegt daar aan toe dat obesitas ‘iemands eigen fout is, want ze hebben moeten eten om zo te worden. Je kijkt ze vol walging aan, zo van “jij kunt niet voor jezelf zorgen, en nu moet ik allerlei mensen gaan vragen om me te helpen je te behandelen en waarschijnlijk ga je daarna nog steeds niet voor jezelf zorgen”.’

=

De media hebben deze manier van naar dikke mensen kijken volledig omarmt, wat het stigma nog eens extra aanzet. In 2011 keken onderzoekers van Yale University naar 429 online journalistieke nieuwsberichten over de gezondheidsepidemie obesitas. Van de foto’s waar dikke mensen op stonden, beoordeelden ze bijna driekwart als negatief en stigmatiserend.

Meer dan de helft van de dikke mensen op het beeld bij het nieuws stond erop in wat de onderzoekers noemen een headless body shot. De foto’s in kwestie zoomden in op hun buik, hun kwabberige rug, hun drillerige benen, zonder dat hun gezicht te zien was. Het is hoogstwaarschijnlijk niet de bedoeling van de nieuwsredacties om de gefotografeerden hiermee te kwetsen, maar toch zegt ook deze trend weer veel over de tijdsgeest en de negatieve onbewuste associaties die veel mensen hebben met overgewicht. In veel gevallen was het nieuws voorzien van een foto van iemand met obesitas waar simpelweg het hoofd afgeknipt was. Al met al stonden dikke mensen 23 keer zo vaak hoofdloos op een foto als dunne. De ‘fotomodellen’ waren daarnaast vaak naakt, zodat al hun vet extra goed in beeld kwam, of hadden heel strakke, goedkoop ogende kleren aan. Ook stonden ze veel vaker dan dunne mensen etend of lui rondhangend op de foto. Bovendien zijn de mensen op de fotoʼs bij overgewichtnieuws vaak extreem zwaarlijvig, en daarmee helemaal niet representatief voor de gemiddelde persoon met overgewicht; dat zijn in meerderheid mensen met een klein buikje of een paar pondjes te veel op de heupen.

Ik neem u even mee op een korte rondleiding door het Nederlands medialandschap. (Klik hier voor een overzicht)

Uit onderzoek van het Yale Rudd Center blijkt dat zulke foto’s stigmatisering in de hand werken. Mensen die een nieuwsbericht lazen met zoʼn hoofdloze foto erbij dachten duidelijk negatiever over zwaarlijvigen dan mensen die hetzelfde bericht lazen met bijvoorbeeld een foto van een obees persoon met het hoofd intact.. Iemand die letterlijk gezichtsloos in beeld wordt gebracht, wordt gereduceerd tot object.

=

Maar ik ben geen object. Ik ben geen gezondheidsepidemie. Ik ben geen ruggengraatloos persoon. En ik ben ook niet het nummer 39.0. Ik ben gewoon een mens, vrouw, moeder, hardwerkend journalist, een hobbit ;). Iemand die genetisch gezien het kortste strootje heeft getrokken en nu haar best doet zo gezond mogelijk door het leven te gaan.

Ik denk dat we als samenleving goed moeten nadenken over hoe we over dikke mensen praten. Op psychosociaal vlak zijn er een paar harde noten te kraken. Daarom wil ik deze lezing afsluiten met een paar ongemakkelijke vragen.

– Als gewicht voor een groter deel genetisch bepaald is dan homoseksualiteit, is het dan wel redelijk om aan te nemen dan dikke mensen dun kunnen worden als ze zich maar genoeg inspannen?

– Past de stigmatisering van dikke mensen binnen de gezondheidszorg wel bij de Eed van Hippocrates: geen kwaad doen?

– Zou, gezien de psychosociale gevolgen van stigmatisering, het tegengaan van ‘vet-isme’ niet evenveel aandacht moeten krijgen als het tegengaan van overgewicht?

– Zouden we de diversiteit van lichamen niet moeten vieren, en pas daarna moeten kijken hoe we iedereen zo gezond mogelijk kunnen maken?

– Welke boodschap geven we momenteel mee aan dikke kinderen? We willen graag dat kinderen leren dat ze de moeite waard zijn, gewoon zoals ze zijn, maar de boodschap aan dikke kinderen is: je bent goed als je bent, precies zoals je bent, maar dan dunner.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.
Laatste berichten in de categorie "Overgewicht & stigma":