Kweekvleespolemiekje

Foto: Freeimages.com/ecola

Versie aangepast, 10 augustus 2013, 12:15 uur.

‘Vegetariër hecht aan moreel gelijk’. Dat stond er boven het opiniestuk van Ronald Veldhuizen (overigens niet: mobiliteitsdeskundige bij de rijksoverheid, maar: wetenschapsjournalist en co-auteur van ons boek ‘Eet mij’) in de Volkskrant vandaag. In dat stuk moppert hij op enkele prominente niet-vleeseters onder ons, zoals Jaap Korteweg en Roos Vonk. Hij verwijt ze morele superioriteitsgevoelens, en schuldgevoelaanpraterij.

Hij opent met: ‘Nadat Mark Post afgelopen maandag de eerste kweekvleesburger met veel persaandacht presenteerde, zagen sommige vegetariërs hun kans schoon om het idee direct weer de grond in te boren. Want vlees blijft vlees, zeggen ze. Punt uit.’ Ergens tegen het eind legt hij deze vegetariërs in de mond dat ze vinden: ‘Kom in kamp vega, of ga je eens lekker schuldig zitten voelen.’

Deze vega’s zijn volgens deze lezing bepaald ongezellige mensen, die argumentloos tegen vleeschgebruik aanschoppen en daarbij vleeseters de zwarte piet willen toespelen. Bovendien zijn het bekeerlustige zeloten, want Veldhuizen schrijft: ‘Ze gooien daarmee de glazen van hun eigen missie in. Die missie luidt: we eten te veel vlees, en dat moet minder.’

Wat jammer is, is dat Veldhuizen het vegetarisme van zijn ‘tegenstanders’ lijkt te gebruiken om hun argumenten niet zo serieus te nemen (terwijl, bij mijn weten, het eten van geen-vlees geen invloed heeft op de kwaliteit van je argumenten). Zo omschrijft hij Jaap Korteweg van de Vegetarische Slager (dit is een man met een bedrijf dat van plantaardige vezels producten maakt die niet of nauwelijks van vlees te onderscheiden zijn) als: ‘stribbelt met vaagheden tegen. Als kweekvlees ooit hip wordt, kan hij natuurlijk inpakken. En dus weet hij nu al dat verder onderzoek naar kweekvlees het iet waard is. Het wordt nooit duurzaam, zegt hij terwijl hij zonder enig wetenschappelijk inzicht in een glazen bol kijkt.’

Dat is een nogal diskwalificerend stukje alineagebeuren van Veldhuizen, waarin Korteweg wordt weggezet als iemand die niet meer helder kan denken omdat hij zijn toekomstige vegawinst ziet verdampen. Dat is jammer, want Korteweg stelde wel degelijk een faire kritische vraag: wat is de meerwaarde van straks miljoeneninvesteringen in kweekvlees als er nu, op dit moment, een product is dat ook koeloos naar echte hamburger smaakt? Een zeer betaalbaar product ook nog, want waar de kweekvleesburger ettelijke tonnen kostte, koop je deze MC2-burger voor 2,59 euro per verpakking van twee stuks. Gewoon, vandaag al. Hoewel Veldhuizen hier verder niet op in ging, is deze vraag het waard om serieus genomen te worden. Waarom veel geld uitgeven aan een goedsmakend alternatief voor vlees-van-de-koe, terwijl dat alternatief al bestaat? Hebben we niets beters te doen?

Er zijn natuurlijk ook wel argumenten te noemen vóór het ontwikkelen van kweekvlees. Dat het onverstandig is om bij het verminderen van ‘s werelds vleesconsumptie alleen in te zetten op hoogwaardige plantaardige alternatieven, bijvoorbeeld, omdat juist het feit dat deze nu al verkrijgbaar zijn laten zien dat vleesminnende mensen niet bereid zijn om en masse over te stappen. Wellicht zijn mensen zo gehecht aan het idee van ‘echt vlees’ – zoals Veldhuizen ook schrijft: ‘Vlees is gewoon erg lekker’ – dat ze die ‘sojameuk’ gewoon niet willen bikken. Daar zou je dan weer tegenin kunnen brengen dat dit misschien deels ook met beschikbaarheid en prijs te maken heeft: de producten van de Vegetarische Slager zijn beperkt verkrijgbaar, en moeten het bovendien zonder de uitermate royale EU-subsidies stellen die de vleesindustrie wel krijgt en lijken in het supermarktschap dus relatief duur. Waarop je je vervolgens zou kunnen afvragen of het ethisch wel juist is dat wij als belastingbetalers, vega’s en vleeseters gelijk, bijdragen aan een bio-industrie waarin in de woorden van Veldhuizen ‘rampzalig veel dieren lijden’.

Hoe dan ook: er zijn dus rationele argumenten uit te wisselen, en Korteweg is niet de raaskallende winstsmurf die Veldhuizen van hem maakt, wilde ik maar zeggen.

Vervolgens voert Veldhuizen hoogleraar sociaal psychologie Roos Vonk op. Zij is één van Neerlands meest prominente vegetariërs, dus dat lijkt me terecht. Op twitter refereert ze aan het eigen onderzoek naar de psyche van vleeseters, en naar een webpagina (http://www.roosvonk.nl/vlees) waarin ze deze studies en ook correspondentie met mede-psychologen over dit onderwerp bespreekt. Met literatuurverwijzingen en al merkt ze op dat vlees eten in veel culturen – inclusief de onze – gekoppeld is aan rijkdom, macht en dominantie, en niet zozeer aan zaken als voedingswaarde. Ze geeft op deze webpagina ook een mogelijke evolutionaire verklaring: ‘evolutionair bekeken zou vlees met name mannen een hogere status en mannelijkheid moeten verschaffen; een man die met een neergeschoten dier thuis komt is een ‘echte man’.’ Veldhuizen schrijft hier: ‘Dus wie weet bent u wel een machtsbeluste eikel. Deze freudiaanse analyse van vlees eten gaat me te ver. Vlees eten is niet goed voor de wereld, maar we doen het toch – dat klopt. Daar hoeft geen diepgaande psychologische motivatie onder te liggen.’

Hier wordt het onderzoek dat Vonk deed en aanhaalde weggehoond met een ‘het is freudiaans’ – wat overigens incorrect is: de analyse is vooral sociaal- en evolutiepsychologisch – en een simpel ‘het gaat me te ver’. Een wat bijzondere houding voor iemand die nog geen drie alinea’s eerder Korteweg nog een gebrek aan wetenschappelijk inzicht verweet. Van een wetenschapsjournalist verwacht ik toch net een tikkie meer: kritiek op de uitvoering van de aangehaalde studies misschien, of een weerlegging op basis van ander onderzoek.

Want in feite heeft Vonk hier best een interessant punt. Vlees eten is in onze cultuur blijkbaar een beslissing die een bepaalde emotiewaarde heeft. Het gaat niet alleen om het efficiënt en goedkoop binnenkrijgen van x hoeveelheden voedingsstoffen en calorieën; er zit meer bij. Een bepaald gevoel, een idee. Het simpele feit dat men een kweekvleesburger maakte onderstreept dit. Als het puur om voedingswaarde ging, dan hadden we immers net zo goed naar de vegetarische slager kunnen gaan voor een MC2-burger, en die vele tonnen aan onderzoeksgeld aan iets anders kunnen uitgeven.

Veldhuizen zet hier een overigens wel een alternatieve psychologische verklaring tegenover die best aannemelijk is. Hij denkt dat vlees eten niet zozeer populair is vanwege die emotiewaarde, maar omdat voor veel mensen geldt dat het eten van hamburgers, worstjes en kippetjes een gewoonte is. En ‘net als alle andere gewoontes doorbreek je die niet zomaar’.

Daarin heeft Veldhuizen uiteraard gelijk. Gewoontes zijn een soort psychologische superkracht, en vlees bij de maaltijd nemen is voor veel mensen inderdaad bijna een automatisme. Maar vervolgens verzuimt hij aan te stippen dat dit niet per definitie een argument in het voordeel van kweekvlees is. Immers: kweekvlees eten vereist ook een aanpassing van je gewoontes. Het mag er uitzien als gewoon vlees, en in de toekomst zal het vast ook zo smaken, maar veel mensen vinden het onderbuiktechnisch gezien ook een beetje griezelig, zo’n stukje labvlees. Het is niet zomaar gezegd dat vleeseters naadloos en zonder hun gewoonte te verbreken zullen overschakelen van gewoon vlees van de koe naar kweekvlees. Gezien de griezelfactor is de overstap van gewoon vlees naar vegavlees misschien zelfs wel kleiner: soja kennen we tenminste.

En dan is er nog dit: Veldhuizen beweert in zijn Volkskrant-stuk dat kweekvlees dierenleedvrij is (‘Dat er aan kweekvlees dierlijke cellen te pas komen – ook al is het zonder leed…’). En dat is simpelweg niet juist, als we het NRC Handelsblad-artikel mogen geloven, waarin vorige week stond uitgelegd hoe dat kweekvlees nou precies tot stand komt. Ik citeer gewoon even de hele passage:

Voor de ‘kweekburger’ zijn voorlopig nog levende dieren nodig. Vleeskwekers zullen steeds opnieuw spierstamcellen uit levende of geslachte runderen moeten winnen, omdat de cellen een beperkte levensduur hebben. Na ongeveer vijftig celdelingen zijn ze uitgeput en aan vervanging toe. Bovendien wordt voor de kweek van de spiercellen bloed van ongeboren kalveren gebruikt. Dit foetale runderbloed is een standaardingrediënt op het lab, omdat het belangrijke groeibevorderende eiwitten en hormonen bevat. De foetussen die als bron voor het bloed dienen worden uit de baarmoeder van de geslachte moederkoe gehaald, waarna hun bloed via een naald in het hart wordt afgetapt. Dit gebeurt terwijl de foetus nog leeft, zonder verdoving. Wetenschappers zijn naarstig op zoek naar diervriendelijkere alternatieven.

Er zijn dus genoeg praktische en ethische bezwaren tegen kweekvlees op te sommen die niets te maken hebben met die vermeende morele superioriteit van de vegetariërs waar Veldhuizen zich aan ergert. Het vega-vleesvraagstuk is complex, en kweekvlees is niet per se een oplossing. Laten we de zaak vooral van alle kanten blijven bekijken.

 

Naschrift 10 augustus 2013, 12:15 uur: Ronald Veldhuizen laat weten dat zijn stuk alleen maar over sommige vegetariërs gaat (dus niet over allemaal), en dat hij de kop boven zijn stuk – die een andere indruk wekt – niet onderschrijft. Ik heb bovenstaand stuk aangepast zodat hij wat beter Veldhuizens eigen standpunt weergeeft.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.