Ik zeg dat ik dit niet wil. Hij maakt toch zijn gulp open.

Foto: Freeimages.com/Cathy Kaplan

Deze column verscheen op 22 januari 2013 in Trouw.

Hij is dronken en een vriend van mijn vriendje. Ik ben achttien. De hele avond heeft hij al aan me zitten plakken. Handjes vasthouden, arm om me heen, even aan m’n borsten voelen. Dat vind ik eerder vervelend dan bedreigend, zo in een volle kroeg met bekenden om me heen. Maar dan is het tijd om naar huis te gaan en zijn we ineens alleen. In het donker, niemand in de buurt. Hij steekt zijn tong in mijn mond en trekt mijn shirt en beha omhoog. Zijn hand gaat mijn onderbroek in, waar hij wat rondwroet en zijn vingers bij me naar binnen steekt. Met zijn andere arm houdt hij me stevig vast. Ik zeg dat ik dit niet wil.

Hij maakt toch zijn gulp open. Zijn gespierde arm drukt me tegen de grond. Nee, zeg ik. Nee, houd op. Mijn broek naar beneden, zijn broek naar beneden, hij boven op me. Pas dan kom ik genoeg bij mijn positieven om hem een schop te verkopen. Terwijl ik wegren trek ik mijn kleren recht.

Ik vertel u dit niet zomaar. Ik hoop dat het u iets geeft om over te na te denken, wanneer u door de supermarkt loopt, of vergadert, of in de kerk zit: 11,7 procent van de Nederlandse vrouwen is ooit verkracht. Van elke tien vrouwen die u voorbij lopen op straat is dat er minstens één. Wanneer ik deze cijfers deel met mensen, reageren die vol ongeloof. Zoveel? Klopt dat wel? Hoe kan het dan dat ik niemand ken die verkracht is?

Het antwoord is: omdat we er niet over praten. Ja, wel over de daders natuurlijk. Vorige week nog: of de cultuur onder laagopgeleide allochtone jongeren leidt tot meer verkrachting. Ook met enige regelmaat op het mediamenu: of daders die veel porno of seksistische videoclips kijken meer geneigd zijn tot seksueel geweld. Maar niet over de slachtoffers. Niet echt.

Van Jyoti Singh, de Indiase vrouw die zo bruut verkracht werd dat ze overleed, weet ik dat ze arts wilde worden zodat ze voor haar familie kon zorgen. Dat haar vader hard moest werken om haar studie te betalen. Dat hij trots is op haar, en haar naam met de wereld deelde omdat ze niets had om zich voor te schamen. En dat ze het daarom verdient om meer te zijn dan een anoniem slachtoffer: een mens, met dromen en ambities, vrienden en familie. Zulke dingen weet ik niet over Nederlandse verkrachtingsslachtoffers.

Vrouwen praten er zelf ook niet over. Ik begrijp wel waarom. Eerst ben je te erg in de war. Je voelt nog overal handen en erger op en in je lijf. De besmetting gaat zo diep dat je niet weet waar je het zoeken moet. Vervolgens is er schaamte. Het besef dat er in onze cultuur altijd een zweempje schuld hangt aan een slachtoffer. We leren meiden immers hoe ze moeten voorkomen dat ze verkracht worden. Niet in een donker steegje lopen, duidelijk nee zeggen, geen al te kort rokje, niet in je eentje naar huis fietsen. Niet alleen zijn in het donker met een handtastelijke vriend van je vriendje.

We leren jongens niet dat ze niet moeten verkrachten. Dat ‘nee’ nooit ‘ja’ is. Dat alles behalve expliciete instemming betekent dat je hem er niet in hangt, wat je achtergrond of normen en waarden ook zijn. De onderliggende boodschap: niet verkracht worden is hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de vrouw.

Die cultuur dus, die zorgt dat vrouwen hun mond houden. Anonieme slachtoffers. 11,7 procent. Het lijkt me dat we daarover moeten praten.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.