Voorgelezen column bij debat met o.a. Dick Swaab (Groninger Forum)

De roodkeelsialia is een klein vogeltje dat, anders dan de soortnaam doet vermoeden, met name te herkennen is aan zijn blauwe veren. De taken tussen de mannetjes en de vrouwtjes zijn netjes verdeeld. Voordat het paarseizoen begint, knokken de kerels om de schaarse nestplekken. Dat is handig, want zonder nest ziet een sialiavrouwtje hem niet staan. De mannetjes, op hun beurt, ruilen de schaarse nestplek voor seks. De mannetjes zonder nest blijven moederziel alleen over.

Dat is zielig, dachten een paar voorbijpasserende homo sapiens, en bouwden nestkastjes, zodat het volgende jaar alle sialiamannen aan de vrouw konden geraken. Dat was op papier een heel leuk idee, ware het niet dat deze ingreep de hele sialiacultuur op zijn kop zette. De dames waren niet meer onder de indruk van de mannetjes met nest, en begonnen aanvullende eisen te stellen aan de sialiaventjes. Niet de nestbezitters maar de beste vaders werden de lentes daarop het populairst. De mannetjes pasten hun gedrag overeenkomstig aan en zorgvaderden er voor het eerst in hun vogelleventje lustig op los. De vrouwtjes daarentegen, verloren al hun eerdere interesse in monogamie en doken massaal hun buurmans nestkast in.

Ik vertel dit niet omdat ik een stiekeme passie voor blauwe vogeltjes heb. Wat dit voorbeeld laat zien is hoezeer ons gedrag samenhangt met onze omgeving. We mogen dan misschien ons brein zijn, maar we zijn evenzeer de situatie waarin we zitten, de opvoeding die we krijgen, en de cultuur waarin we leven.

Dit wordt nergens zo duidelijk als in het wetenschappelijk deelgebied waar ik me in heb gespecialiseerd: seksualiteit en gender. Vele mensen, waaronder professor Swaab, zijn van mening dat man-vrouwverschillen en seksuele voorkeur zijn aangeboren. Over het feit dat meisjes in onze cultuur meer met poppen spelen en jongens meer met auto’s, schrijft hij bijvoorbeeld: “De preferentie voor speelgoed is ons dus niet opgedrongen door de maatschappij, maar is in ons brein geprogrammeerd om ons op onze latere rol in de maatschappij voor te bereiden, zoals op het moederschap bij het meisje, en op vechten en meer technische taken bij het jongetje.” Over seksuele oriëntatie schrijft hij: “Hoewel er vaak verondersteld werd dat ook de ontwikkeling na de geboorte van belang zou zijn voor onze seksuele oriëntatie, ontbreekt hiervoor ieder bewijs.”

Op beide zaken wil ik wel wat afdingen. Laten we beginnen bij de speelgoedvoorkeuren van jonge kinderen. Er zijn wat onderzoeken die op het eerste gezicht lijken Swaabs woorden te bevestigen. Zo is er een experiment gedaan waarbij groene meerkataapjes meisjes- en jongensspeelgoed aangeboden kregen – Swaab noemt het in zijn boek en zegt hierover: “De vrouwtjesapen kozen bij voorkeur de poppen (…) terwijl de mannetjesapen meer interesse hadden voor het spelen met de autootjes en een bal.”

Wie de studie erbij pakt, ziet dat dit een wat merkwaardige samenvatting van de resultaten was. Het speelgoed dat favoriet was bij de jongensapen, was namelijk een pluche knuffelhond, dat de onderzoekers in de categorie ‘neutraal speelgoed’ hadden geplaatst. Naar menselijk model, want vanuit een aap geredeneerd lijkt zo’n knuffelbeest natuurlijk veel meer op een babyaap dan een mensenbabypop. Na de voorkeur van de jongetjesmeerkatten voor de ‘neutrale’ hondenknuffel volgden, op een gedeelde tweede plaats, de bal, een pannetje, en een autootje. Die pan was overigens ingedeeld als ‘vrouwelijk’ speelgoed, maar wederom is het de vraag hoe de meerkatjes dat moesten weten, want die staan niet bekend om hun kookkunsten. De meisjesmeerkatten gingen in eerste plaats voor het vrouwelijke pannetje, op de voet gevolgd door de ‘neutrale’ knuffelhond en pas op de derde plaats voor de pop.

Wat we hier zien is geen voorbeeld van goed onderzoek, maar van wetenschappers die hun westerse bril niet kunnen afzetten. Dat gebeurt vaker in het onderzoek naar man-vrouwverschillen en seksuele oriëntatie. Als beide zaken echt in ons brein “ingeprogrammeerd” waren als gevolg van honderdduizenden jaren aan evolutie, dan zou je verwachten dat homoseksualiteit en genderrolverdelingen overal ter wereld ongeveer op dezelfde manier tot uiting zou komen. Niets is minder waar. Bij het jager-verzamelaarsvolk de Agta was het gebruikelijk dat de vrouwen uit jagen gingen. Kinderen die nog de borst kregen, namen ze mee op hun rug. Grotere kinderen bleven achter bij oma of papa. Bij de Efe uit de Democratische Republiek Congo vissen de vrouwen, passen puberjongens op hun babyzusjes en leren jongens en meisjes beiden boogschieten. Of neem de Aka, een jager-verzamelaarsvolk in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Vaders houden hun zuigelingen 20 procent van de tijd vast, en 50 procent van de tijd binnen handbereik.

Hun houding ten opzichte van seks veroorzaakte vorig jaar enige rimpelingen in het denken over homoseksualiteit als verschijnsel dat zich onttrekt aan invloeden na de geboorte, zoals cultuur. Bij de Aka komt het namelijk niet voor – niet omdat ze het afkeuren, maar omdat seks bij hen niet zo gekoppeld is aan genot als bij ons. Voor hen is voortplanting cultureel gezien het absoluut belangrijkere doel, vandaar ook dat Aka-mannen maar liefst drie keer per nacht moeten presteren, anders is hun vrouw teleurgesteld. ‘Het werk van de penis is om een kind te vinden’, zei een van de Aka-mannen. Met twee mannen gaat dat niet; de mogelijkheid van homoseksualiteit leek volgens de veldantropologen niet in ze op te komen.

Deze voorbeelden laten de rijkdom zien van het menselijk gedrag in wisselende omstandigheden. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de manier waarop wij in onze westerse cultuur met gender en seksualiteit omgaan meer evolutionair en minder cultureel geïnspireerd is dan de manier van de Agta, Efe of Aka. Sterker nog, volgens hersenwetenschappers als Joe Henrich zijn wij mondiaal gezien de hersentechnische uitzondering: veruit de meeste breinen groeien niet op in een omgeving die ‘WEIRD’ is zoals de onze: western, educated, industrialized, rich, democratic. Toen ik Henrich hiernaar vroeg, zei hij te verwachten in de nabije toekomst substantiële culturele verschillen in het brein te vinden. ‘De hersenen van mensen uit andere plaatsen laten in hetzelfde experiment verschillende reacties zien’, zei hij.

Het is belangrijk dat we ons blijven realiseren dat vrijwel alle kennis over ons brein, voortkomt uit onderzoek met blanke, westerse en vaak hoogopgeleide proefpersonen. Antropologisch onderzoek laat zien dat dit onze kijk op onze hersenen en ons gedrag kleurt, en wel zodanig, dat we de invloed van onze westerse cultuur onderschatten en de invloed van biologie en evolutie overschatten.

We zijn dan misschien ons brein, maar ons brein – m/v – is een door en door cultureel orgaan. En dat geeft alle reden om te denken dat gender en seksualiteit niet “voorgeprogrammeerd” zijn, maar ten zeerste beïnvloed worden door de wereld om ons heen. Niet nature, maar nurture. Niet aangeboren, maar aangeleerd. Niet de biologie, maar de omgeving.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.